Waarheidsvinding en drogreden

HOE ‘WAARHEIDSVINDING’ IN HET JEUGDZORGDEBAT KWAM: ALS DROGREDEN                                                   mr ir P.J.A. Prinsen

Op 10 december 2013 verscheen het rapport van de Nationale Kinderombudsman over waarheidsvinding in de Jeugdzorgketen (AMK – BJZ - Raad voor de Kinderbescherming – Kinderrechters) onder de titel “Is de zorg gegrond?” Hieronder een commentaar over hoe ‘waarheidsvinding’ in het jeugdzorgdebat kwam: als drogreden:

“Waarheidsvinding”

  1. De ‘stropopredenering’

Jeugdzorgmanagers en kinderrechters beleren de ouders met:

“Het begrip ‘waarheidsvinding’ komt uit het strafrecht met zijn zeer strenge bewijsvoering. Je mag dat niet één-op-één toepassen op het Jeugdrecht.”

Een simpele dialectische analyse laat zien dat dit een klassieke drogreden van het type ‘stropop’ is:

-       Ouders verwijten Jeugdzorg willekeur, verzinsels, evidente onwaarheden, valse of absurde motiveringen, halve waarheden die hele onwaarheden zijn, kortom vermijdbare onwaarheden.

-       Jeugdzorg weerlegt dat met: “Wij doen niet aan ‘waarheidsvinding’ (de stropop).

-                  Maar dat is geen antwoord op wat de ouders Jeugdzorg
verwijten. Zij eisen: “Stop met onwaarheden”. Daar is helemaal geen strafrechtelijke waarheidsvinding voor nodig!

Met de stropop ‘waarheidsvinding’ leidt Jeugdzorg de aandacht af van het verwijt: stop de onwaarheden, misleiding, willekeur.

  1. De gevolgen voor het debat

De jarenlang volgehouden stropopredenering heeft nu zijn doel bereikt. De Nationale Kinderombudsman heeft een onderzoek ingesteld over ‘waarheidsvinding’, uitgelegd als de vraag hoe op een meer zorgvuldige manier is vast te stellen of de ‘zorgen’ met betrekking tot een kind ernstig genoeg zijn voor een OTS of UHP. De conclusie van de Kinderombudsman luidt dat de hele jeugdzorgketen zeer professioneel werkt maar dat er wel verbeterpunten zijn omdat er nogal wat fouten gemaakt worden. De remedie is volgens de Kinderombudsman van het type ‘betere training van de jeugdzorgwerkers’ en ‘kwaliteitswaarborgen’ enz. enz. Kinderrechters moeten kritischer zijn en beter leren hoe kinderen te horen.

Daarmee is de aandacht afgeleid van de vraag waar het om gaat: stop de evidente onwaarheden, stop de willekeur, stop de evidente misleiding van de rechter! Ook uit het rapport van de Kinderombudsman blijkt geen enkel urgentiebesef.

  1. Wat moet er dan wèl gebeuren?

Er moet een Waarheidscommissie ingesteld worden die de Jeugdzorgketen onderzoekt om de spindoctors aan te wijzen die verantwoordelijk zijn geweest voor het beleid van misleiding en willekeur.

Deze Waarheidscommissie moet tevens tot taak krijgen om door middel van dossieronderzoek de omvang van het wanbeleid vast te stellen.

Zo’n Waarheidscommissie moet de bevoegdheden hebben van een Parlementaire Enquête Commissie. De Commissie moet de weg bereiden voor enerzijds inkeer (aan de kant van de Jeugdzorgketen) en anderzijds (aan de kant van jeugdzorgouders) openstelling voor verzoening.

Zoals boven reeds vermeld moeten alle foute maatregelen van kinderbescherming teruggedraaid worden met toekenning van een schadevergoeding aan de betreffende ouders.

Er moeten, met het oog op het voorkomen van toekomstige misstanden, negatieve-feed-back-mechanismen ingebouwd worden: cybernetische mechanismen die, als het incidenteel fout gaat, een sterk negatief signaal afgeven. Bijvoorbeeld:

Ambtsedige rapporten, waardoor misleiding direct een strafbaar feit wordt.

-       Een waarheidskamer voor kinderrechters - Een kinderrechter die louter formeel toetst omdat hij meent te mogen vertrouwen op ‘zijn adviesorganen’ Raad en Jeugdzorg moet in een openbare zitting voor een Waarheidskamer gebracht kunnen worden.

-       Afwijzing van verzoeken om OTS en/of UHP ingeval de Raad betrapt wordt op onaanvaardbare misleiding.

-       Kostenveroordeling van de Raad.

Meer informatie