OZO-Folders

Stichting Ouders Zonder Omgang

 

 

 

 

 

 

Algemeen

Uitvoering

PAS

 

 

 

Algemeen

Het Recht op Omgang

Een korte inleiding

Omgang tussen ouder en kind is een in de natuur ingebakken vanzelfsprekendheid. Een ouder wil voor zijn kind zorgen, een kind verlangt naar zijn ouders.
Het recht op omgang wordt meestal pas actueel bij (echt)scheiding. Als uitvloeisel van de wereldwijd ervaren notie dat de band tussen ouders en kinderen speciale verankering en bescherming in de wet behoeft.

Vóór 1990 werd omgang in Nederland nog als een gunst beschouwd, waarvoor de andere ouder zich eerst moest kwalificeren maar sinds 1990 staat het recht op omgang onverbloemd in de wet (1:377a BW) beschreven: "Het kind en de niet met het gezag belaste ouder hebben recht op omgang met elkaar".
Hierdoor is omgang gepromoveerd tot een wettelijk belang van het kind.

De cultuur van vóór 1990 leeft echter nog hardnekkig voort. Niet alleen bij veel advocaten en rechters maar ook en vooral bij de Raden voor de Kinderbescherming, bij deskundigen en instanties die in scheidingsperikelen adviseren en bij scholen en andere derden bij wie om informatie over het kind wordt aangeklopt. Deze culturele erfenis heeft in veel gevallen enorme gevolgen.

Ouders worden door de uitnodigende houding in de samenleving bijna gedwongen tot het rechtvaardigen van hun (echt)scheiding, door de andere ouder tot op het bot af te breken: "Als zij het zo hard aanpakt zal er best iets aan de hand zijn geweest".
Uiteindelijk is een felle communicatieblokkade nog alles wat de kinderen aan de andere ouder herinnert.

In meer dan 55% van de gevallen escaleren de conflicten tijdens de scheiding in een slecht (25%), of zelfs geheel ontbrekend (30%), contact tussen omgangsouder en zijn kind. (Centraal Bureau voor de Statistiek, jan. 2001).

In een slogan samengevat: In Nederland verliest elk uur een kind het contact met zijn vader, elke week komen daar nog tien kinderen zonder contact met hun moeder bij .

Volgens de gegevens van het CBS zijn van één op de zes kinderen de ouders gescheiden. Eén op de twintig kinderen is dus een ouder kwijt geraakt door de nasleep van een echt-scheiding. Daar komen de probleemgevallen na niet-huwelijkse relaties dus nog bij.

Nog een slogan: Gemiddeld zit in iedere schoolklas een kind zonder omgang, en een kind met een slechte omgang met een van zijn ouders.

Deze getallen bewijzen dat het recht op omgang onvoldoende als hard mensenrecht wordt erkend en nageleefd in de drie peilers van de maatschappelijke organisatie, te weten: de wetgevende macht (politiek), de uitvoerende macht (scholen, justitie, de kinder-bescherming) en de rechtsprekende macht (rechtbanken). De miskenning van het recht op omgang wordt weerspiegeld in de steun en instemming die onwillige zorgouders ondervinden bij acties die nadelig zijn voor de band tussen de andere ouder en het kind.

Het komt nog veel voor dat goedwillende zorgouders worden overgehaald tot oncoöperatief gedrag door de "positieve" druk die op hen wordt uitgeoefend vanuit de samenleving, en ook vanuit de advocatuur.

De slachtofferouders en de kinderen die deze druk moeten bekopen met het verlies van het contact, raken emotioneel, psychisch en maatschappelijk vaak ernstig ontregeld.

De omvang van het leed en de hoogte van de kosten voor de samenleving als gevolg van deze ontregeling, zijn nog niet bij benadering vast te stellen, maar met absolute zekerheid zijn beide heel groot.

De website van de stichting presenteert een gemotiveerde raming van de kosten, die honderden miljoenen Euro per jaar belopen. Het is struisvogelpolitiek om deze gevolgen niet onder ogen te willen zien. De stichting Ouders Zonder Omgang bouwt voort aan haar expertise in het bestrijden van het kwaad dat voortspruit uit de huidige (echt)scheidingscultuur, onder meer door een belangeloze ondersteuning van haar donateurs in hun strijd tegen de bureaucratie.

Zij doet dat als antwoord op het gebod tot naastenliefde en vanuit haar gevoel voor maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Concrete maatregelen kunnen ontoereikend zijn, deze motivatie is van alle tijden en van alle culturen.

Een goede ouder-kind relatie draagt zonder twijfel bij aan de groei naar een gelukkig en emotioneel uitgebalanceerd leven.
Gelukkige mensen gedragen zich eerder maatschappelijk aangepast dan mensen die het zonder een goede, sociale achterban hebben moeten stellen.

Aan deze overwegingen ontleent de Stichting Ouders Zonder Omgang haar bestaansrecht.

De wetgevende macht

In de Tweede Kamer, het parlement, worden alle nationale wetten opgesteld De politici zijn daarbij gebonden aan hogere wetten als de grondwet, supra-nationale wetgeving (Europa en de V.N.) en aan internationale verdragen.

In de Rechten van de Mens bijvoorbeeld worden garanties gegeven die op het nationale vlak, hoe gebrekkig soms ook, moeten worden uitgewerkt.
Staten die de Mensenrechten hebben omarmd, hebben deze rechten op verschillende wijzen uitgewerkt in hun eigen wetgeving.
Er is dus ruimte voor variaties in de wet.

Vanuit haar positie van pleitbezorger van het recht op omgang formuleert de stichting politieke suggesties en zal zij zich met politici verstaan wanneer zij dat opportuun acht.

De uitvoerende macht

Ruim aandacht zal de stichting (blijven) geven aan de instanties die de wetten uitvoeren, zoals de Raad voor de Kinderbescherming, diens onderaannemers en gezinsvoogdijinstellingen.

In de praktijk sluipen vaak oneigenlijke en ongewenste gewoonten in hun werk, waardoor er een cultuur kan ontstaan die niet meer, of nog niet, met de geest of de letter van de wet overeen komt: de praktijk weerspiegelt in die gevallen dus niet de wet.

De eis van goed bestuur dwingt de instanties tot het opstellen en handhaven van een fatsoenlijke regeling voor de behandeling van klachten.
Dit is gebaseerd op het inzicht dat zij immers vooral door klachten in staat zijn hun functioneren te toetsen en te verbeteren.

Voor klagers is het indienen van een klacht een goedkope en effectieve manier om veranderingen af te dwingen.
Bovendien draagt het indienen van een klacht sterk bij aan het herstel van beschadigd zelfvertrouwen.
Waar mogelijk biedt de stichting steun bij het opstellen van klachtschriften.

Op haar website geeft de stichting anonieme informatie over uitspraken op klachtschriften.
Dit kijkje in de keuken van de uitvoerders zal er als vanzelf toe bijdragen dat klachtwaardig handelen afneemt.

De rechtsprekende macht

Actie op dit vlak is erg duur, maar ook erg effectief. Die behelst namelijk het voeren van proefprocessen voor het verkrijgen van de gewenste jurisprudentie.
In alle gevallen waarin de wet niet voorziet beroept de rechter zich veelal op eerdere uitspraken van collega-rechters. Deze jurisprudentie heeft daardoor de kracht van wet. Gerechtelijke procedures duren lang maar als er een resultaat wordt geboekt, is dat wel heel wat waard.
De stichting reserveert hiervoor een potje, en zal in voorkomende gevallen een extra beroep moeten doen op haar donateurs.

Het wettelijk beslissingsmodel inzake het recht op omgang blijkt een zeer matige bekendheid te hebben, en bovendien is de werking van de wet (1:377a BW) ingeperkt door de toevoeging, in 1998, van art 1:252.2 BW.
Hiermee werd voortzetting van het gezag na echtscheiding de norm werd, zodat 1:377a dan niet meer van toepassing is.
Gezag mag dan in principe omgang impliceren, in de praktijk blijkt het regelen en doen naleven van de omgang onverminderd een reusachtig probleem.

Uit Amerikaans onderzoek is gebleken dat na het opleggen van dwangmaatregelen de uitingen van het oudervervreemdingssyndroom (PAS) altijd afnamen of verdwenen.
Wanneer maatregelen achterwege bleven, werd in slechts 10% van de gevallen een verminderen of geheel verdwijnen van deze problematiek genoteerd.
Deze harde feiten laten maar een conclusie toe: de huidige gedoogcultuur, die onbewust inzet op de 10% kans op spontane verbetering, heeft geen enkel bestaansrecht. Slechts de bereidheid om dwangmaatregelen op te leggen kan het kind beschermen.
Het is dringend nodig dat de gemeten effecten van beschikkingen worden gepresenteerd in navolgende procedures, opdat juist binnen de rechtspraak de corrigerende terugkoppeling van onderzoek wordt gevoeld.

Ook voor uitspraken in klachten- en bezwaren-procedures geldt dat het verstandig is deze te presenteren in terechtzittingen over omgang.

De stichting beschouwt het als een eer en een plicht om op haar website een objectieve vindplaats voor gerechtelijke argumenten en praktijkervaringen in stand te houden.

terug naar de top

 

Uitvoering

Basiskennis Omgangsrecht


Wie wil meepraten over het recht op omgang, of wie met enige kans op succes een klacht in wil dienen tegen een adviseur of onderzoeker, kan niet  zonder enige basiskennis.

Daarbij komt eerst de wet aan de orde: wat is daarin geregeld en welke voorwaarden zijn daarbij vastgelegd? 

En vervolgens: wat zijn de achtergronden van de wet, en wat is de taak van de rechter?

Wanneer het antwoord op deze vragen daar naar is, komt daarna de vraag aan de orde: Hoe moet de klacht worden ingediend?

De antwoorden leveren tezamen de voor het indienen van klachten vereiste basiskennis.

Tenslotte is het verstandig om van te voren een idee te hebben van het mogelijke resultaat en   de mogelijke reikwijdte van het indienen van een klacht.

De wet

In de wet staat dat de niet met de verzorging belaste ouder en het kind, recht hebben op omgang met elkaar. Dat is het uitgangspunt.

Dit recht wordt alleen bij hoge uitzondering ontzegd op grond van één of meer van de volgende ontzeggingsgronden:

1.   Omgang is schadelijk voor de geestelijke of lichamelijke gezondheid van het kind,
2.   De omgangsouder is niet, of kennelijk niet, in staat tot omgang,
3   Omgang is anderszins in strijd met de belangen van het kind,
4   Een kind van 12 jaar of ouder verzet zich, en de rechter gaat daarin mee.

Op 8 december 2000 deed de Hoge Raad een uitspraak waaruit blijkt dat een beroep  op zo'n ontzeggingsgrond moet voldoen aan zware eisen, voor de omgang kan worden ontzegd.

Deze wetenschap is momenteel nog te weinig  doorgedrongen in de "cultuur": de kringen van de advocatuur, de rechterlijke macht, scholen, huisartsen en vooral die van de adviseurs bij de Raad voor de Kinderbescherming, Fora, CGG, Jeugdzorg, etc.

Daar wordt namelijk veelal nog de oude wet nageleefd, de wet die tot 1990 gold en die van omgang nog een gunst maakte, in plaats van een recht.

In 1990 werd omgang bij wet een recht, dat op de Rechten van de Mens is gebaseerd.

In 1994, 1995 en 1998 is deze vernieuwing verder in de wet aangescherpt, nadat eerst flinke druk vanuit Europa was uitgeoefend.

Ook de Raad voor de Kinderbescherming moet zich naar deze nieuwe wet voegen, zeker sinds  medio 2001 een klacht tegen de ouderwetse rechtsopvatting van de Raad gegrond werd verklaard.

Het motief voor de nieuwe rechtsopvatting ligt, via omwegen als de Rechten van Het Kind en de Mensenrechten, in de notie dat ouder kind relaties cruciaal zijn voor  de toekomst van de samenleving.

In de beschrijving van PAS (het Parental Alienation Syndrome) komt naar voren dat de schending van die relaties een ernstige vorm van misbruik is, die uitmondt in de opdracht tot een halve zelfvernietiging met levenslange gevolgen voor het kind.

Bovendien is gebleken dat het PAS-kwaad wordt overgedragen op volgende generaties.

Dat levert gronden voor klachten omdat de  wet immers toekomstgericht moet zijn.

De rechter

De taak van de rechter is feitelijk beperkt tot het treffen van de regeling van de omgang: wie haalt en brengt de kinderen, de tijdstippen, en eventueel: wie betaalt de (reis)kosten, etc.

Pas wanneer een ouder zich ter zitting beroept op een ontzeggingsgrond, en de rechter van de ernst van zijn bedenkingen kan overtuigen, kan de rechter een nader onderzoek door de  Raad of een andere instantie vragen.

Maar de wet kent aan dergelijk onderzoek geen schorsende werking toe voor de omgang, dus die moet gewoon doorgang blijven vinden.

In de praktijk komt het heel vaak voor dat de Raad vervolgens op eigen initiatief op zoek gaat naar een ontzeggingsgrond.

Wie dat overkomt moet direct de medewerking aan het onderzoek  staken, en onmiddellijk een klacht indienen, want: "zoeken" is verboden.

Helaas is het maar al te nodig dat partijen zelf deze wetenschap bezitten, en zelf argumenten in het verlengde hiervan - ook ter zitting - naar voren brengen, want ook advocaten laten wel eens een kans onbenut.

Vrouwe Justitia wordt altijd met een blinddoek afgebeeld, en niet zonder reden. De strijdende partijen leggen hun argumenten in haar weegschaal, en tenslotte doet de rechter zijn blinddoek af en kijkt wie de zwaarste motieven heeft neergelegd - wie er heeft "gewonnen".

Ook al zou er een belangrijk en relevant argument zijn vergeten, het is niet de taak van de rechter om dit in de schaal te werpen en mee te wegen, en hij mag dat ook niet: de rechter heeft een lijdelijke rol.

Tijdens de zitting moeten partijen dus hun argumenten aandragen, en omdat advocaten ook niet altijd de slaap uit hebben, is het verstandig om zelf op te letten en de mond open te doen als dat nodig is.

Altijd geldt, dat de rechter is gebonden aan de wet. Dat betekent dat de rechter de geldigheid van de argumenten toetst, en een uitspraak doet die past in het beslissingsmodel dat de wet geeft.

Het recht op omgang blijkt in dit opzicht bij rechters te weinig bekend.

1.De klacht

Wanneer in de cultuur buiten de rechtspraak de wet niet wordt gerespecteerd, is het geboden een klacht in te dienen.

Als die klacht zich richt tegen scholen, dient het schoolbestuur te worden aangesproken. Wie dat is, en waar het zetelt, is te achterhalen bij  de  leerplichtambtenaar van de gemeente.

De basis voor de klacht ligt altijd in de wet - bijvoorbeeld in Art. 1:377c BW, dat de informatievoorziening door derden (dus ook scholen) aan omgangsouders regelt.

Adviserende instellingen kennen meestal een reglement waarin de wet feitelijk is uitgewerkt.

Voor de Raad is dat bijv. Normen2000.

Met behulp van dat reglement kan het werk van de instelling aan de wet worden getoetst.

Een klacht moet precies worden beschreven, en worden geplaatst in het kader van andere gebeurtenissen.

Het is daarom altijd verstandig om een chronologisch en precies overzicht van relevante gebeurtenissen, met datum, plaats en tijdstip, op te stellen en mee te leveren.

In elke klacht moet worden vermeld tegen wie (of wat) de klacht zich richt, en de zaak en de voorgeschiedenis en al wat verder van belang is, worden beschreven.

In geval van adviserende instellingen moeten klachten worden ingediend bij de directeur.

Elke instantie dient in een of andere vorm een klachtenregeling te hebben, en daarover ongevraagd informatie te verstrekken aan de cliënt, liefst bij de eerste kennismaking.

2.Wat brengt de klacht op?

Het indienen van een klacht heeft enorme gevolgen.

Om te beginnen voor het persoonlijk welzijn en voor het door de deskundigen en adviseurs beschadigde zelfrespect van de klager.

De morele oppepper die het indienen van een klacht oplevert, is bijna niet te overschatten. Ook levert het (eindelijk weer) een reden voor positieve zelfwaardering.

Een tweede, evenzeer belangrijk gevolg is, dat een van zich af bijtende cliënt met meer ontzag en respect wordt behandeld, dan een willoos slachtoffer. Het zou niet zo mogen zijn, maar het is wel zo.

Een derde gevolg is, dat de adviezen naar de Rechtbank anders worden. Misschien worden klagers door de adviserende deskundigen niet  aardig gevonden, maar zij worden wèl ontzien. Dat werkt door in de adviezen en dus in de uiteindelijke beschikking.

Dit zijn directe winstpunten voor de klager.

Maar het klachtinstrument heeft ook een algemeen beschavend effect.

Het (veelvuldig) indienen van klachten zal klachtvermijdend gedrag tot gevolg hebben.

Dat is automatisch een beschaafde, want de wet respecterende, werking.

Tenslotte is er de indruk die de van omgang verstoken ouder maakt op zijn kind.

Misschien verliezen notoire querulanten, die van  elke punt of komma een klacht maken, een aanspraak op respect. Maar voor serieuze klagers geldt dat zij, ook achteraf, kunnen laten zien hoe belangrijk zij hun kinderen vonden, en hoe zij zich inspanden voor een herstel van het contact.

Dat levert het  tegengif op tegen het PAS syndroom, en is dus direct in het belang van het kind, óók wanneer regelmatig contact nog ontbreekt en het kind alleen indirect iets van de activiteit van de andere ouder merkt.

De adviserende wereld heeft een flinke laag eelt op haar ziel gekweekt.

Dat maakt een klachttraject vaak tot een erg moeilijke, lange weg. Van de directeur, naar de beroepsinstantie, naar de ombudsman. Die kan immers om een oordeel worden gevraagd  over de maatregelen die bijvoorbeeld door de Raad voor de Kinderbescherming worden genomen om herhaling van gegronde verklaarde klachten te voorkomen.

Wie klagen wil moet zich opmaken voor een moeilijke en misschien, in zijn eigen geval,  vruchteloze strijd.

Maar deze activiteit leidt uiteindelijk wel tot een betere regeling van het recht op omgang, en is daardoor ook een daad van naastenliefde en verantwoordelijkheidsbesef.

terug naar de top

 

PAS

Parental Alienation Syndrome (PAS)

Het oudervervreemdingssyndroom

PAS is een psychiatrisch verschijnsel dat voorkomt bij echtscheidingskinderen. Het werd vanaf 1980 ontraadseld door prof. Richard A. Gardner van Columbia University, New York, bekend van tientallen boeken en honderden artikelen.

Bij PAS zijn altijd drie partijen betrokken:
1. De PAS veroorzakende ouder: de PAS dader,
2. De andere ouder: het PAS slachtoffer,
3. De kinderen van die ouders: de PAS kinderen.

PAS begint als een ouder zijn kind(eren) gaat hersenspoelen, programmeren, om bij de Raad voor de Kinderbescherming of bij de rechtbank de eigen positie te versterken.
De dader programmeert het kind door middel van een krenkende lastercampagne die gericht is tegen de slachtofferouder. Door deze hersenspoeling worden verwijdering en vervreemding tussen het slachtoffer en het kind bewerkt. PAS wordt een syndroom als twee partijen er een bijdrage aan gaan leveren: namelijk de dader en het kind zelf, dus als ook het kind dader wordt. Hersenspoelen alléén is geen PAS.
In de medische wetenschap wordt van een syndroom gesproken wanneer verschillende symptomen als gevolg van één enkele oorzaak tegelijkertijd de kop opsteken, zoals bij het syndroom van Down: mongoloïde trekken, korte pink en geestelijke achterstand treden op als gevolg van slechts één oorzaak, een genetische afwijking.
PAS is een syndroom, dat ontstaat zodra een gehersenspoeld kind een eigen bijdrage gaat leveren aan het verbreken van de band met de andere ouder, het PAS slachtoffer. Het wordt gekenmerkt door acht duidelijke symptomen, te weten:

1. er is een campagne van laster en vernedering jegens het PAS slachtoffer
2. de meest absurde en belachelijke argumenten worden aangevoerd
3. twijfel en aarzeling ontbreken geheel
4. kinderen doen alsof ze alles zelf hebben bedacht
5. PAS dader en PAS kind bevestigen en steunen elkaar over en weer
6. schuldgevoel ontbreekt bij dader(s)
7. het kind praat de PAS dader na
8. de vijandigheid breidt zich uit tot de familie en kennissen van het PAS slachtoffer

PAS komt in meer of minder ernstige mate voor. Als slechts enkele symptomen optreden is er sprake van lichte PAS, als (bijna) alle symptomen aanwezig zijn is de PAS matig of ernstig.
Bij lichte PAS hebben de kinderen, hoewel soms tegenstribbelend, nog wel contact met de andere ouder. In het algemeen voorkomt dit contact meestal dat de ziekte zich verder ontwikkelt.
Als de PAS matig is, lukt het contact alleen met veel inspanning en overwinnen van tegenwerking.
Bij ernstige PAS zijn de kinderen psychisch gestoord en fanatiek. Zij lopen weg tijdens de omgang en hun stemming blijft vijandig. De kinderen spreken van "wij" (dat is: zijzelf en de PAS dader) in plaats van "ik", en het contact met het slachtoffer gaat uiteindelijk verloren.
In elke echtscheiding komt PAS voor; wanneer die toeneemt zijn de kinderen bezig psychisch ziek te worden.
PAS daders zijn vaak min of meer hysterisch en / of paranoïde (meestal moeders), of psychopathisch (meestal vaders).
Net als hysterie en paranoia heeft PAS besmettelijke eigenschappen. Kinderen steken elkaar vaak aan en dat is de reden waarom PAS daders vaak hun oudste kind tot bondgenoot in de strijd maken. Maar ook therapeuten, hulpverleners en advocaten worden vaak besmet doordat zij daarop worden geselecteerd: wie niet meedoet wordt simpelweg ingeruild.
Net als hysterie en achtervolgingswaanzin is PAS ongevoelig voor therapie.

PAS is een ernstige vorm van emotioneel misbruik; daders zijn niet te behandelen, omdat zij hun positie niet kritisch willen en kunnen bezien, en die zeker niet willen veranderen.
De enige remedie is het, door de rechter, instellen van sancties tegen "PAS gedrag" zoals niet meewerken aan omgang. Sancties als gevangenisstraf, of het overdragen van de kinderen aan de andere ouder. PAS kinderen lijken op kinderen die opgegroeid zijn in een sekte: zij moeten op dezelfde wijze worden gedeprogrammeerd. In sommige staten in Amerika is PAS gedrag al strafbaar. Maar de gerechtelijke procedures duren lang, en uitstel is de grootste bondgenoot van de programmerende ouder.
Als de PAS ernstig is, en lang genoeg aanhoudt, wordt de band tussen het kind en het slachtoffer definitief vernield; aan seksueel misbruik komt een eind, aan PAS niet. Overigens is bij PAS vaak sprake van dreiging met, en angst voor, beschuldigingen van geweld of misbruik. Vinden die daadwerkelijk plaats, dan speelt er geen PAS. Geweld en misbruik zijn diagnostisch goed van PAS te onderscheiden.

Te hooi en te gras enkele uitspraken over PAS:

1. PAS wordt in de literatuur ook wel Malicious Mother Syndrome genoemd.
2. PAS daders zijn niet terughoudend over -beweerd- misbruik en verwaarlozing
3. PAS daders zijn vaak emotioneel
4. PAS slachtoffers worden vaak op sadistische manier uitgescholden en vernederd, óók en vooral door hun kinderen; zij hebben "uitsluitend slechte eigenschappen"
5. Een negatief vader- of moederbeeld leidt tot een negatief zelfbeeld bij het kind
6. Hysterische mensen kunnen door de realiteit tot inzicht komen, PAS daders niet
7. Paranoïde PAS daders zoeken vaak wraak en plegen chantage
8. PAS wordt gekenmerkt door het uitvergroten van kleine, veronderstelde gebreken van de slachtofferouder
9. PAS ontstaat zonder echte reden: in geval van misbruik is er geen PAS
10. PAS daders draaien met alle winden mee en zijn ondankbaar
11. PAS kinderen schromen niet de slachtofferouder zwart te maken voor de rechter
12. Kinderen zijn de wapens van de PAS dader
13. PAS berust op waandenkbeelden, leugens en overdrijving
14. Schoolleiders zijn in de regel meegaand t.a.v. PAS daders
15. PAS daders boycotten elke ontmoeting tussen kind en slachtofferouder
16. PAS begint vaak als de slachtofferouder een nieuwe relatie begint
17. PAS daders vinden een gewillig oor bij therapeuten
18. Tegen ernstige PAS bestaat maar één remedie: wijziging van de verblijfplaats van de kinderen.

In het boek "Pragmatische aspecten van de menselijke communicatie" stellen de auteurs (Paul Watzlawick e.a.) dat psychiatrische ziekten het gevolg zijn van ontspoorde communicatie binnen een systeem. Een systeem in deze zin is bijvoorbeeld het gezin, de werkkring, etc. Therapie is volgens de auteurs niet mogelijk, zolang het ziekmakende systeem ongewijzigd blijft. De PAS theorie geeft daarvan een bevestiging.
Het boek van Watzlawick is in vertaling verkrijgbaar: ISBN 90-6001-218-6

Belangrijk is dat het kind de aanwezigheid van beide ouders in een PAS systeem bewijst, doordat het zowel de rol van de dader, als die van het slachtoffer op zich neemt. Juist dat maakt PAS tot zo'n ernstige vorm van mishandeling: het kind wordt gedwongen tot een halve zelfvernietiging.

PAS is beschreven in: "The Parental Alienation Syndrome", ISBN 0-933812-42-6, door Richard A. Gardner. Zie: http://www.rgardner.com/refs In DSM IV (de psychiatrie bijbel) is PAS nog niet beschreven, in DSM V waarschijnlijk wèl, mogelijk onder de naam PAD: Parental Alienation Disorder.

 

terug naar de top