Wet en Politiek:
Inleiding

Stichting Ouders Zonder Omgang

 

 

 

 

 

 

Het recht op omgang is sinds 1990 geregeld in de wet, artikel 1:377a BW.
Deze wet is een positieve wet, die van omgang uitgaat. Slechts in uitzonderingsgevallen kan omgang worden ontzegd.

Vóór 1990 gaf de wet de mogelijkheid een omgangsregeling te treffen indien aangetoond werd dat omgang met de niet verzorgende ouder in het belang van het kind was. In de praktijk kwam dit er op neer dat de omgangsouder de zorgouder moest overtuigen van dat belang, wat maar al te vaak een kansloze onderneming bleek. Onder druk van de internationale wetgeving werd dit spoor in de wetgeving verlaten.

Hoewel de wet al in 1990 is veranderd, is deze omslag in het denken nog steeds niet doorgedrongen in de "cultuur", de reactie in de samenleving. Scholen, hulpverleners en advocaten weerspiegelen nog steeds de praktijk dat omgang de uitzondering is, en een strijd op leven en dood over de omgang met de kinderen, de (PAS) regel.

Het recht op informatie is geregeld in de artikelen 1:377b BW en 1:377c BW, die de zorgouder, scholen, artsen, leerplichtambtenaren en onderwijsinspecties bijvoorbeeld, verplichten om de niet-verzorgende ouder op diens verzoek die informatie te verstrekken, die zij ook aan de zorgouder zouden geven.

Voor de wetgeving over omgang is in Europa vooral van belang artikel 8 EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens), waarin de omgang met beide ouders als een principieel belang van het kind is vastgelegd.