Wet en Politiek:
de Hoge Raad

Stichting Ouders Zonder Omgang

 

 

 

 

 

 

Op 10 september 1999 besliste de Hoge Raad dat wanneer de ouders moeilijk met elkaar kunnen overleggen, zoals alleen communiceren via briefjes, dit ernstig in strijd met het belang van het kind is en aldus als grond kan worden aangemerkt om aan vader het gezag te ontzeggen.
Deze uitspraak ook van belang voor omgang, omdat in 1:377a BW van het recht op omgang van de niet met het gezag belaste ouder wordt gesproken.
Over de draagwijdte van deze beslissing verschillen de meningen, maar het lijkt wel zeker dat een eenzijdig geïnitieerde communicatie-oorlog kan worden begonnen om het eenhoofdig gezag te verkrijgen, hetgeen vervolgens weer gevolgen heeft voor het recht op omgang: daar zou namelijk in diezelfde oorlog een ontzeggingsgrond voor omgang kunnen worden gevonden.

Er komen in ieder geval meer en meer uitspraken in omgangszaken waarin omgang ontzegd wordt, omdat de ouders "niet meer door één deur kunnen", zie o.a. de knop monument: rechtszaken.

Op 8 december 2000 (bijna 11 jaar nadat de wet van kracht werd) besliste de Hoge Raad echter:
Het recht op omgang is een sterk recht, dat niet lichtvaardig mag worden ontzegd.
Een commentaar op deze beslissing verscheen in mei 2001 in Perspectief, een informatie- en opinieblad voor de jeugdbescherming, dat wordt uitgebracht voor het Ministerie van Justitie.