Wet en Politiek:
commentaar

Stichting Ouders Zonder Omgang

 

 

 

 

 

 

In de wet is het recht op omgang nog steeds niet eenduidig beschreven.
De voortzetting van het ouderlijk gezag is geen automatisme, en over de omgang van ouders die met het gezag zijn belast, met hun kinderen, is zelfs niets specifiek vastgelegd.
Voortzetting van het gezamenlijk gezag is sinds 1998 de norm, maar in feite wordt daardoor de wet 1:377a BW buiten werking gesteld.
Aldus verschijnt via deze achterdeur toch weer de omgang bij wijze van gunst, conform de wettelijke regeling van vóór 1990, ten tonele.

Het gezag is gedevalueerd tot de (lege) functie van toeziend voogd, terwijl de verzorgingsfunctie de privileges van het vroegere gezag opeiste.

Een voorname reden voor de (spraak)verwarring lijkt te schuilen in de te geringe specificatie van de ouderfuncties.
In de meest omvattende relatievorm zijn beide ouders op vier manieren ouder:
biologisch ouder, juridisch ouder, zorgouder, en ook omgangsouder.
Sinds 1998 worden na (echt)scheiding alleen de zorg- en de omgangsfunctie nog verdeeld. Het gezag (het juridisch ouderschap) en de biologisch ouderschap blijven immers gehandhaafd.

In de praktijk van een goed lopende omgangsregeling blijkt er geen verschil te bestaan tussen de zorgouder en de omgangsouder. Zij vervullen beiden immers afwisselend de zorgfunctie en de omgangsfunctie, in geval van co-ouderschap zelfs in even grote mate.

Het recht op omgang wordt niet strafrechtelijk gehandhaafd. Wanneer een partij zich niet aan de vastgestelde omgangsregeling houdt, kan de wederpartij alleen maar met behulp van een in kort geding vast te stellen sanctie de omgang afdwingen.