Uitvoering:
kinderbescherming

Stichting Ouders Zonder Omgang

 

 

 

 

 

 

De wet formuleert het recht op omgang als een recht tussen de niet met het gezag belaste ouder en het kind. In de rechtspraak worden dit recht en de bijbehorende wettelijke ontzeggingsgronden ook gehanteerd als beide ouders (wel) met het gezag zijn belast. In de praktijk wordt dit recht dus geacht van toepassing te zijn op de niet met de verzorging belaste ouder en het kind. Aan deze praktijk kunnen echter geen rechten worden ontleend, omdat de wet nu eenmaal spreekt van de niet met het gezag belaste ouder.

Afgezien van deze eigenaardigheid geldt het volgende. Als er tijdens een terechtzitting over omgang een ontzeggingsgrond wordt gepresenteerd kan de rechter om een onderzoek vragen, te verrichten door de Raad en/of door een gespecialiseerd extern bureau. Soms vraagt de rechter ook om een "onderzoek", wanneer de omgang moeizaam verloopt. In dit geval is er eigenlijk geen sprake van een vraag om een onderzoek (dat immers uitsluitend betrekking zou kunnen hebben op het vaststellen van een ontzeggingsgrond), maar van een door de rechter gelaste vlot-trek-poging. De aanbevelingen in het uitgebrachte rapport worden door de rechter vrijwel altijd, en helaas meestal maar al te blindelings, opgevolgd.

Het ingebakken gevaar is dat de rechter, die te weinig zicht op de zaak krijgt tijdens de zitting, zijn beslissing grotendeels in handen legt van raadsmedewerkers die geen rechtsprekende taak of bevoegdheid hebben.

De praktijk leert dat raadsmedewerkers wel eens wettelijke of methodologische bok schieten, en dat juist tijdens hun onderzoek oude vetes nieuw leven wordt ingeblazen. Aan het eind van de rit is er dan wel veel tijd verloren gegaan, maar geen progressie in de richting van omgang bewerkt.

Wanneer de rechter daarna weer aan het woord komt, wordt maar al te vaak besloten om de gegeven adviezen volgen, zelfs wanneer er daarbij sprake is van innerlijk tegenstrijdige overwegingen of aanbevelingen. Het gegeven dat er zoveel ouders zonder, of met een slechte, omgang zijn, bewijst dat de handhaving van de wet te kort schiet en dat de Raad niet is opgewassen tegen de eisen die aan zijn adviestaak moeten worden gesteld. Dat laatste is vooral een gevolg van de dynamiek die eigen is aan de inrichting en het werk van de Raden. (Die dynamiek is vanuit historisch perspectief op boeiende wijze beschreven in 'De rechtsstaat van Robin Hood', zie: www.prinsenlaw.nl , klikken op `Opinies'.)

De beleidsregels voor de Raad zijn beschreven in Normen 2000. Dit is een lijvig rapport van ca. 140 bladzijden dat op de website van de Raad te vinden is. Men kan het ook opvragen bij het Ministerie van Justitie of de Raad voor de Kinderbescherming. Zie www.kinderbescherming.nl .

Het is niet een taak van de Raad om slecht lopende omgangsregelingen te verbeteren of repareren. Dat is een geluk, omdat de Raad zich ook zonder deze bevoegdheid al veel te veel bemoeit met dat wat tot de autonomie en het privilege van het ouder zijn behoort: de omgang met de eigen kinderen.

De Raad heeft weliswaar een wettelijke taak, als gevolg waarvan hij zich om beschermingsredenen met "het bestuur" in een gezin kan en moet bemoeien, maar in een (echt)scheiding dient die taak zich maar hoogst zelden aan.

Raadsmedewerkers gaan er al te gemakkelijk van uit dat er misschien wel iets vreselijks aan de hand is, in een echtscheiding, en gaan er op grond van deze makkelijke veronderstelling toe over om actieve elementen van beschermingstaken in te voegen in het principieel passieve onderzoekswerk waar de lijdelijke rechter om verzocht. De Raad negeert aldus maar al te vaak het gebod: "Gij zult niet zoeken", dat in de dagelijkse samenleving zo'n prominente plaats inneemt.

De Raad mag niet zoeken. De Raad mag, wanneer de rechter er expliciet om vraagt, onderzoeken, of er sprake is van een ontzeggingsgrond voor de omgang. Daarbij dient de wet en de jurisprudentie uitgangspunt te zijn: omgang is een sterk recht, dat hooguit in extreme uitzonderingssituaties kan worden ontzegd.

terug naar de top