Uitvoering:
aanbevelingen

Stichting Ouders Zonder Omgang

 

 

 

 

 

 

Voor een onderzoek dat wordt gestart op initiatief van de rechter geeft de beschikking de aard van de vraag die de rechter onderzocht wil zien. Op basis van de beschikking, er zijn geen andere stukken of verzoeken waarin iets over de aard van het onderzoek wordt vermeld, gaan de onderzoekers aan het werk.

Voor de Raad - en dus de facto voor elke onderzoeksbureau - geldt de beleidsregel dat het verzoek van de rechter moet worden vertaald in een één of meer zogenoemde onderzoeksvragen. Deze onderzoeksvragen zijn als het ware de bakens die aan de horizon de richting van het onderzoek bepalen.

Zoals eigenlijk altijd, ligt in het stellen van de vraag het antwoord besloten. Wie de vraag onderzoekt of er argumenten tegen de omgang zijn, zal altijd wel een aantal redenen kunnen vinden of construeren, die tegen omgang spreken. En wie de vraag andersom stelt vindt, even vanzelfsprekend, altijd wel argumenten pro omgang. De conclusie luidt dat een eenzijdig onderzoek uit den boze is. Een gevaar dat minder zichtbaar is, is het fenomeen dat de onderzoekers zich met het formuleren van de onderzoeksvragen wel eens buiten de paden van de wet begeven.

Dat levert een aantal aanbevelingen op.

1. Onderzoeksvragen: Bij de eerste ontmoeting moet niet het onderzoek zelf de agenda bepalen, maar moeten de regels van het onderzoek en die van de klachtenprocedure worden besproken, en de onderzoeksvragen worden vastgesteld. Ook wanneer in een later stadium een extern bureau wordt ingeschakeld moeten de dan voor te leggen vragen eerst worden besproken. Wanneer deze vragen zijn overeengekomen stuurt de onderzoeker daarvan een schriftelijke bevestiging naar de litiganten. Die kunnen vervolgens nagaan of deze vastlegging correspondeert met hun verwachting, en hun advocaat of achterban raadplegen over de onderzoeksdoelen.

2. Rapportage: Elk onderzoek wordt afgesloten met een rapport. Daarin wordt vermeld de aanleiding tot het onderzoek, worden de gesprekken met de onderzochten weergegeven, en worden de conclusies en de adviezen aan de opdrachtgever gerapporteerd. In de praktijk blijkt dat de rapportage vaak is "vervuild" met irrelevante en meestal betwistbare aantijgingen van de ene partij jegens de andere.

Een krachtig tegengif tegen dergelijke aantijgingen wordt verstrekt door het opstellen, en aan de onderzoekers overhandigen, van een chronologie van ter zake doende gebeurtenissen en voorvallen. In deze chronologie wordt aan elke vermeld feit één enkele regel besteed, met eventueel een verwijzing naar een bijlage voor toelichting.
Op deze wijze kunnen per pagina ca. 50 voorvallen worden opgesomd. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de behoefte van de lezers van het rapport, om zich snel en zakelijk een beeld van de situatie te kunnen vormen.
Eigenlijk is het een raadsel dat een dergelijke chronologie niet al in de beleidsregels en richtlijnen wordt voorgeschreven.

3.Wet en regelgeving: Onderzoekers en litiganten doen er goed aan zich voortdurend voor ogen te houden wat de kaders zijn van de wet en de specifieke regelgeving, waarbinnen het onderzoek zich dient te bewegen. Wie als litigant een overschrijding van die kaders signaleert, doet er goed aan die terstond schriftelijk te melden en daar eventueel een klacht over in te dienen.

4.Dossier: Het is altijd verstandig om te weten welke stukken de onderzoekers onder ogen zijn gekomen. Daarvoor loont een bezoekje aan de instelling voor inzage in het dossier bijna altijd.