TU031204

Raad is de oorzaak van het kwaad,
Tubantia 2003-12-04

In De Tubantia, op de Opiniepagina, verscheen onlangs de stellingname van Liesbeth Smulders-Groenhuijsen en Gerrit Verweij, respectievelijk gedragsdeskundige en beleidsmedewerker bij de Raad voor de Kinderbescherming (in het vervolg “verweerders”) op de kritiek van Peter Prinsen en Wim Orbons (in het vervolg “klagers”) op het functioneren van de Raad.

Wie zich in deze discussie mengt, wordt allicht vermalen tussen de historische feiten enerzijds (tal van kinderen raken inderdaad het contact met een ouder kwijt) en de goede bedoelingen van de mensen van de Raad anderzijds.

In deze repliek wordt alleen het verweer onder de loep genomen. Daarin stellen verweerders eerst dat de klagers oorzaak en gevolg omkeren, dat klagers zijn misleid door gelijktijdig optredende verschijnselen. Verweerders vragen zich af of niet een “kleine groep van ouders zo verwikkeld is in een onderlinge strijd dat er geen oog meer is voor de belangen van het kind”. De kritiek op de Raad is een projectie van de kritiek die de klagers op zichzelf hebben, zo stellen de verweerders, en zij achten de discussie gesloten omdat weerlegbare argumenten uitbleven. Deze waarden vertrouwen hun gasten dus niet.

“Niemand belandt zomaar bij de Kinderbescherming”, stellen verweerders vervolgens. En: “Gelukkig slagen ouders er bij een scheiding in samen afspraken te maken over de verdeling van de zorg voor de kinderen. Waar er sprake is van een hevige strijd”, zo stellen verweerders, “zet de raad alles op alles om ouders via bemiddeling te helpen samen ouders te blijven”.
Het is adembenemend in zijn domheid: voor vrede zijn twee partijen nodig, voor oorlog maar één. Dat ontkennen verweerders hier samen en glashard.

Tenslotte betuigen verweerders nog eens hun goede bedoelingen, en zelfs hun bereidheid om naar waarheden te luisteren. Maar niet naar “ongefundeerde en diskwalificerende onwaarheden en beschuldigingen”.

Dat is heel wat. Maar er knelt iets. In ruim de helft van de gevallen gaat het na (echt)scheiding mis, met het contact tussen een ouder en de kinderen. Hebben verweerders dat nu weerlegd of beschouwen zij dat als onwaar en ongefundeerd? Waarom openbaarden zij niet de statistieken die hun stellingen, en het succes van des Raads brave voornemens bewijzen? Waarom kwantificeerden zij hun uitspraak niet dat omgang altijd wordt ontzegd op één der in de wet genoemde ontzeggingsgronden? Deugen die beweringen wel?

Sinds 1998 gelden na echtscheiding geen ontzeggingsgronden meer: dat is misschien nog niet doorgedrongen bij de Raad. Zeker is, dat op vrijwel elk rapport van de Raad een berg van harde, zakelijke kritiek kan worden geleverd, dat geen enkel rapport van de Raad (of van een Bureau Jeugdzorg of aanverwante instelling) kan bogen op controleerbare waarheden of op bewijsbare stellingen. Aan het troebele water van hun zachte wetenschappen gooien de deskundigen hun hengeltje uit. Passende vangsten behouden zij, de andere gooien zij terug: zij vissen selectief. “De Raad doet niet aan waarheidsvinding”, prevelt de Raad lief en vroom. En ja! Daar zit hem de kneep.

Wie stelt, moet bewijzen. De Raad stelt in elk rapport zonder bewijs, uitsluitend met een beroep op zijn deskundigheid. De Raad laat het aan mensen als Prinsen en Orbons over om zijn ongelijk te bewijzen. Dat is de omgekeerde wereld. Het toont de omvang aan van de redeneerontaarding die de Raad al sinds 1971 uitvent. Sinds het moment waarop door een simpele pennestreek in de wet de vloedgolf aan scheidingen werd ontketend. Met als gevolg de omgangsproblemen, waarin de rechters de Raad om advies gingen vragen. Dat was voor de Raad een oneigenlijke taak, want die had niets met kinder bescherming te maken. Maar de ouders (meestal de moeders) die merkten hoe de Raad zijn werk deed namen de hun geboden kansen te baat: eindeloze reeksen beschuldigingen van misbruik, agressie, incest en verkrachting werden met bolderkarren tegelijk de rechtszalen ingereden en de rechters die zich tot de Raad hadden gewend volgden massaal de voze adviezen op.

Door deze ontaarding geldt: wie kwaad wil schakele de Raad in, de verbanning van de andere ouder is er vrijwel mee gegarandeerd. Dat wordt niet weerlegd met brave spreukjes.

Arthur Ross,
stichting Ouders Zonder Omgang