RVK9511
Inleiding.
Onderstaande beslissing
van de Klachtencommisie bij de raden voor de kinderbescherming maakt duidelijk
dat in 1995 de contouren van het wettelijk beslissingsmodel inzake het recht
op omgang althans bij de leden van deze commissie heel goed bekend waren.
In de beoordeling van de klacht is impliciet ferme kritiek op het werk van
de Raad te lezen, wat de vraag naar wat in het algmeen met dergelijke klachtzaken
wordt gedaan, alleen maar nijpender maakt: tot een merkbaar veranderde werkwijze
bij de Raad heeft deze zaak immers niet geleid.
Van belang is voorts het standpunt van de Klachtencommissie, dat de Raad slechts
op verantwoorde, en terughoudende wijze gebruik mag maken van de onderzoeksresultaten
van derden, dat de Raad niet alleen maar op dergelijke resulaten zijn advies
mag baseren, en dat de opdracht van de rechter ("een onderzoek te doen naar
de omgangsregeling tussen gerequestreerde en de kinderen") ook een zorgvuldig
onderzoek, door de Raad zelf, naar het eerdere functioneren van de omgangsregeling
inhoudt.
-------------------------
Klachtencommissie
1 bij de raden voor de kinderbescherming
te ASSEN, GRONINGEN en LEEUWARDEN
BESLISSING VAN DE KLACHTENCOMMISSIE 1 IN DE KLACHT VAN:
De heer Xxxxx wonende te Yyyyy, verder te noemen klager
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming te Assen, verder te noemen de Raad.
1. DE KLACHT
Op ii september 1995 heeft klager een klaagschrift ingediend tegen de beslissing dd. ii augustus 1995 van de directeur van de Directie Noord op zijn bij hem ingediende klacht, welke na aanvankelijk bij brief dd. ii juni 1995 was gericht aan de klachtencommissie en na verwijzing bij brief van ii juni 1995 werd ingediend bij de directeur.
De klachtencommissie
beschikt over de volgende van belang zijnde stukken:
- Proces-verbaal zitting rechtbank Assen dd. ii januari 1995.
- Proces-verbaal zitting rechtbank Assen dd. ii februari 1995.
- Proces-verbaal zitting rechtbank Assen dd. ii april 1995.
- Beschikking rechtbank Assen dd. ii april 1995.
- Brief met bijlagen van klager aan de klachtencommissie dd. ii juni 1995.
- Brief klager aan de directeur dd. ii juni 1995.
- Conceptrapport juni 1995 Raad Assen inzake Aaaa-Bbbb.
- Brief van klager plus 5 bijlagen aan de maatschappelijk werkers dd. ii juli
1995.
- Uitnodigingsbrief van de heer Jjjjj aan klager dd. ii juli 1995.
- Proces-verbaal rechtbank Assen inzake procedure Bbbb-Aaaa dd. ii juli 1995.
- Brief van de Raad inzake naamswijziging dd. ii juli 1995.
- Brief dd. ii augustus van klager aan mevrouw Vvvvv met reactie op brief
van ii juli 1995. - Beslissing van de directeur dd. ii augustus 1995.
- Klaagschrift dd. ii september 1995.
Ter zitting is door
klager overgelegd:
Een schrijven van klager
getiteld "Bij de behandeling van de klacht te Groningen, Klachtencommissie
1 951124".
Brief dd. ii november 1995 van klager aan mevrouw KkkVvvv.
Brief dd. ii november 1995 van mevrouw KkkVvv aan klager.
De inhoud van bovengenoemde stukken dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.
De klacht kan als volgt worden samengevat:
De raadsonderzoekers/maatschappelijk werkers mevrouw Iiiii de heer Bbbbb voelden zich op geen enkele wi,ize geroepen om de omgangsregeling ook eens van de kant van klager te bekijken, en om de opdracht van de rechter, het doen van een onderzoek waarbij ook "De Kkkk" betrokken zou kunnen worden, naar behoren uit te voeren.
De directeur heeft in zijn beslissing van ii augustus 1995 klager onder meer laten weten, dat tijdens het gesprek op ii augustus 1995 met klager alle deelnemers aan het gesprek moesten concluderen dat de standpunten niets dichter bij elkaar elkaar kwamen. De verschillen van visie waarmee naar de belangen van de kinderen gekeken wordt maken het onmogelijk verder te komen dan een verheldering van standpunten. Zijn conclusie is dat bij klagers klacht niet terecht vindt en dat het onderzoek op zorgvuldige wijze is uitgevoerd.
2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE KLACHT
De klacht is gedateerd ii september 1995 en is gericht tegen de beslissing van de directeur van de Directie Noord dd. ii augustus 1995, zodat de klacht, conform artikel 37 lid 1 Organisatiebesluit Raden voor de Kinderbescherrming 1982, binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend.
De klacht heeft betrekking op een bij de Raad in behandeling zijnde aangelegenheid van kinderbescherming, waarbij klager als belanghebbende is betrokken. Op grond hiervan is de klachtencommissie van oordeel, dat klager in zijn klacht ontvankelijk is.
3. BEHANDELING TER ZITTING
3.1. De klachtencommissie
heeft op ii november 1995 klager, vergezeld van zijn partner mevrouw Ppppp,
alsmede de directeur van de Directie Noord, de heer drs. Jjjj en de praktijkteider
van de Raad Assen de heer Wwww gehoord.
Hoewel de raadsmaatschappelijk werkers mevrouw Iiiii en de heer Bbbbb waren
uitgenodigd voor de zitting van de klachtencommissie zijn zij op verzoek van
de directeur vervangen door de heer Wwwww.
De klachtencommissie kon in casu na overleg bij uitzondering accoord gaan
met het verzoek van de directeur.
3.2. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen blijken de volgende relevante feiten.
3.3. Sinds de ex-echtgenote van klager in 1989 samen met de vier kinderen de echtelijke woning heeft verlaten en een echtscheidingsprocedure aanhangig heeft gemaakt is er een groot aantal procedures gevoerd met betrekking tot de kinderen. Nadat bij beschikking van de rechtbank Roermond dd. ii oktober 1992 de omgangsregeling tussen klager en zijn dochter D1980 is stopgezet, dient klagers ex-echtgenote op ii december 1994 een verzoek in tot stopzetting van de omgangsregeling voor Z1983 en Z1988 tot zij de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt.
Op ii januari 1995
behandelt de enkelvoudige kamer van de rechtbank Assen het verzoek van klagers
ex-echtgenote. Ten aanzien van Z1983 en Z1988 verzoekt de rechtbank de Raad,
op basis van de rapportage van De Kkkkk, alsmede de correspondentie van VdMmm/Vvvvv
contact met De Kkkkk (een jeugdpsychiatrisch ziekenhuis) op te nemen en haar
te adviseren over een mogelijke (tussen)beslissing op het voornoemde verzoek.
Bovendien wordt de Raad verzocht onderzoek te doen met betrekking tot de omgangsregeling
tussen Z1982 en klager. De rechtbank bepaalt verder dat de behandeling met
betrekking tot het beëindigen van de bezoekregeling van Z1983 en Z1988 wordt
aangehouden en de functionerende omgangsregeling tussen Z1982 en klager tussentijds
wordt gehandhaafd.
Op ii april 1995 vindt voortzetting van de behandeling van het verzoekschrift
van klagers ex-echtgenote betreffende de omgangsregeling plaats.
Bij beschikking van de arrondissementsrechtbank te Assen van ii april 1995
wordt bepaald dat door de Raad Assen een onderzoek zal worden ingesteld naar
de omgangsregeling tussen klager en zijn zonen Z1982, Z1983 en Z1988 en daaromtrent
advies zal worden uitgebracht aan haar, van welk onderzoek deel kan uitmaken
het onderzoek van De Kkkkk met betrekking tot Z1983 en Z1988.
Bovendien wordt bepaald
dat gedurende het onderzoek de omgangsregeling tussen klager en Z1983 en Z1988
geen doorgang vindt en dat voor wat betreft Z1982 de thans functionerende
orngangsregeling gehandhaafd blijft, met dien verstande dat er overleg tussen
klager en Z1982 dient te zijn omtrent de vraag aan welk weekend de minderjarige
de voorkeur geeft.
Op ii juni 1995 wordt het conceptrapport verzonden aan klager en zijn ex-echtgenote.
In het conceptrapport dat tevens eindrapport is wordt de rechtbank geadviseerd
de omgangsregeling tussen Z1983, Z1988 en klager te beëindigen en ten aanzien
van Z1982 vast te leggen dat hij de vrijheid heeft zelf te bepalen wanneer
hij vader zal bezoeken.
Op ii juli 1995 wordt door de rechtbank Assen het verhoor inzake een vaststelling
van een bezoekregeling gesloten en de zaak verwezen - gelet op de gecompliceerdheid
van de zaak -naar de terechtzitting van de meervoudige kamer van ii september
1995.
3.4. Klager heeft - zakelijk weergegeven - ter zitting opgemerkt:
De Raad honoreert
niet het verzoek van de rechter tot een onderzoek. De rechter heeft genoemd
dat de rapportage van De Kkkkk kan worden gebruikt, maar de Raad heeft niets
anders gebruikt.
De Raad heeft zelfs niet naar één millimeter van mijn uitgebreide weekendverslagen
gekeken. De Raad is niet bezig met het behartigen van de belangen van de kinderen.
Bij een strijd horen gevechtshandelingen. Ik bedrijf ze niet, maar mijn ex-echtgenote.
Geen enkele deskundige heeft naar de zaak gekeken. Ik blijf vragen om een
onderzoek naar de omgangsregeling. Mijn partner en ik waren de kurk waarop
de kinderen dreven. Maar er is nooit een onderzoek gedaan naar de omgangsregeling.
Mijn ex-echtgenote is niet mijn tegenstander maar de Raad.
3.5. De directeur heeft - zakelijk weergegeven - ter zitting opgemerkt: Op
ii augustus is samen met klager de klacht gefonnuleerd. De Raad heeft voldaan
aan de opdracht van de rechtbank. Klager denkt daar anders over. De rechtbank
heeft echter niet gezegd dat het onderzoek niet goed was. Er bestaan een aantal
pat-situaties.
Het onderzoek dat de Raad inzake een omgangsregeling doet gaat uit van het
beginsel ''ja (een omgangsregeling) ,tenzij..'.
In de beslissing van ii augustus
1995 zit het beginsel ''ja, tenzij'. Op de visie 'in het belang van het kind'
is de visie ''ja, tenzij' gebaseerd. Het 'tenzij' berust op de strijd tussen
de ouders. In dit soort zaken is er geen sprake van gelijk.
3.6. De praktijkleider
heeft - zakelijk weergegeven - ter zitting opgemerkt: Vanaf de start van het
onderzoek scheiden de wegen van de Raad en klager zich al. Fonneel is het
aan de rechtbank om te oordelen over de onderzoeksopzet. Ten aanzien van Z1982
was aanvankelijk geen sprake dat de omgangsregeling anders moest worden.
De rechter geeft aan dat de contacten van klager met de twee jongste kinderen
moet worden stopgezet. Ik was van mening dat waar de partijen elkaar beschuldigen
van bepaalde dingen de Raad op dat moment niet moet vooruitlopen op de vraag
hoe het onderzoek eruit moet zien.
Pas in een later stadium zijn eerdere stukken van de Raad Roermond opgevraagd.
De Raad had er geen kennis van dat de omgangsregeling slecht liep of dat er
een aanwijzing was van gedragsstoornissen bij de kinderen.
De gewijzigde visie van de Raad is gebaseerd op hoe alles zich in de loop
der jaren ontwikkeld heeft.
Deze visie kwam pas later nadat de Raad de beschikking kreeg over stukken
van een andere vestiging.
Uit al de gevoerde procedures blijkt de strijd tussen de ouders. De Raad is
er voor de kinderen en we zien hoe het is voor de kinderen om steeds weer
met een strijd tussen de ouders geconfonteerd te worden.
3.7. Klagers partner,
mevrouw Ppppp heeft - zakelijk weergegeven - ter zitting opgemerkt.
Waarom nam de Raad
klakkeloos aan dat de stukken van de Raad Roermond waar zijn. Het ligt er
allemaal zo dik bovenop. Vier kinderen zijn voor het leven getekend, gewoon
kapot gemaakt.
De Raad is het onderzoek verkeerd begonnen.
4. BEOORDELING VAN
DE KLACHT
4.1. De klachtencommissie overweegt, gelet op de feiten en omstandigheden, welke haar schriftelijk en mondeling ter kennis zijn gebracht, het volgende:
4.2. In het Normenrapport
II wordt over het doel van een onderzoek inzake een omgangsregeling bij of
na (echt-) scheiding vermeld, dat "in die situaties waarin de rechter een
onderzoek vraagt, de raad zal nagaan, uitgaande van het recht op omgang tussen
de minderjarige en de ouder die niet tot voogd wordt of is benoemd, of er
zwaarwegende belangen zijn die dit recht in de weg staan".
Ter zitting heeft de Raad het algemene uitgangspunt ten aanzien van de omgangsregeling
bevestigd.
Dit uitgangspunt zoals het Normenrapport dit onder "de beleidsaanwijzing bij
de omgangsregeling na (echtscheiding op pagina 22 verwoordt luidt, dat de
"raad slechts tot het ontzeggen van het recht op omgang zal adviseren indien
het onderzoek leidt tot de conclusie dat één of meer van de vier in de wet
(artikel 1: 16 la lid 3 BW) geformuleerde gronden van toepassing is.
4.3. Bij een buitengewoon
gecompliceerde zaak als de onderhavige, zoals uit de voorgeschiedenis blijkt,
ligt het in de lijn der verwachtingen dat gelet op de opdracht van de rechter,
waarbij het onderzoek van De Kkkkk als mogelijk te gebruiken bron bij het
raadsonderzoek betrokken mocht worden, er een zorgvuldig onderzoek gedaan
wordt naar de omgangsregeling, zoals deze in het verleden heeft gefunctioneerd.
Een zorgvuldig onderzoek
vereist een kritische benadering van alle verkregen informatie. Daarbij hoort
ook dat kritisch wordt gekeken naar rapportages die door derden, al of niet
deskundig, worden verstrekt en dat gezocht moet worden naar andere van wezenlijk
belang zijnde informatiebronnen.
In casu was bijvoorbeeld een onderzoek op de school van de kinderen op z'n
plaats geweest met name nu uit de rapporten van Z1983 en Z1988 blijkt dat
hun prestaties zeker niet als slecht kunnen worden aangemerkt, noch op intellectueel
niveau, noch op sociaal/emotioneel niveau. Ook een onderzoek door de Raad
van de kinderen, Z1983 en Z1988, had in de rede gelegen, evenals een onderzoek
van de thuissituatie van beide ouders. Dit alles heeft de Raad echter nagelaten.
4.4. Hoewel de Raad concludeert, dat hij in zijn onderzoek geconfronteerd
werd met kinderen die kampen met een ernstige loyaliteitsproblematiek en dat
het gegeven van gespleten loyaliteit een zeer schadelijke invloed op de kinderen
heeft, is noch uit het raadsrapport noch uit wat ter zitting is medegedeeld
een indicatie te halen waaruit zou kunnen blijken dat de omgangsregeling slecht
liep of dat er sprake is van gedragsstoomissen bij de kinderen, die bovendien
nadelig zouden worden beïnvloed door een omgangs-regeling tuisen klager en
Z1983 en Z1988.
4.5. Het feit dat
de omgangsregeling sinds april 1995 is stopgezet brengt mee dat er ten aanzien
van de actuele uitvoering en de gevolgen van de omgangsregeling niets kon
worden geconstateerd. Bij een onderzoek naar een wijziging van de omgangsregeling
kon men zich niet beperken tot alleen een onderzoek van de kinderen. Daarbij
komt dat de Raad, zoals al opgemerkt, niet zelf de kinderen heeft onderzocht,
maar uitsluitend is afgegaan op het oordeel van De Kkkkk, zonder in het rapport
te motiveren waarom een omgangsregeling moet worden afgeraden. De noodzaak
van een stabiele omgeving met het oog op therapie kan, maar behoeft niet noodzakelijkerwijs
tot de conclusie te leiden dat de omgangsregeling moet worden gestopt, zolang
niet wordt aangegeven waarom moet worden aangenomen dat hervatting van de
omgangsregeling destabiliserend zal werken, hetgeen te meer klemt, omdat de
Raad geen enkele aanwijzing heeft gegeven die grond geeft aan de veronderstelling
dat de kinderen hun verblijf bij klager in het kader van de omgangsregeling
niet op prijs stelden. Nu niet wordt aangegeven dat de kinderen het niet goed
of prettig hebben gehad of zullen hebben, bestaat er een gerede kans dat hun
juist iets wordt onthouden wat door hen als goed zou kunnen worden ervaren
en juist een heilzame invloed zou kunnen hebben op de geconstateerde -en vrijwel
steeds bij echtscheidingen voorkomende - loyaliteitsproblemen.
In dat geval is het nog maar zeer de vraag of de omgangsregeling destabiliserend
zou werken, eerder zou het tegendeel het geval kunnen zijn. De Raad had al
deze aspecten van de zaak zelf deugdelijk dienen te onderzoeken, juist gelet
op het uitgangspunt dat moet blijken van zwaarwegende belangen die een omgangsregeling
in de weg staan. Ook de opdracht van de rechtbank Assen gaat uit van een dergelijk
zelfstandig onderzoek, waarbij bevindingen van De Kkkkk hooguit mede kunnen
worden gebruikt.
4.6. Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat het onderzoek van de Raad onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat zijn advies om de omgangsregeling tussen klager en zijn zoons Z1983 en Z1988 stop te zetten onvoldoende is gemotiveerd, zodat de klacht gegrond moet worden verklaard. 5. DE BESLISSING De klachtencomniissie verklaart de klacht gegrond.
Aldus gegeven op ii november 1995 te Groningen door de Klachtenconunissie 1, bestaande uit mr. Xxxxx, voorzitter, mw. mr. Xxxxxx dr. Xxxxxx, leden, bijgestaan door de secretaris mr. Xxxxx.
De klachtencommissie geeft door middel van afschrift kennis van deze beschikking aan klager de directeur van de Directie Noord de praktijkleider van de Raad Assen de Minister van Justitie.