RVK0303
Inleiding
Een vader wendt zich in zijn zaak tot de politiek, en vindt daar enig gehoor.
Gaandeweg concentreert hij zich op het indienen van klachten tegen de raadsmedewerkers
die onderzoek deden en van enkele "nagekomen" klachten. Zijn klachten worden
grotendeels niet ontvankelijk verklaard omdat de termijn is overschreden,
en deels niet ontvankelijk verklaard waar klager zich op het terrein der "deskundigen"
waagde.
De les: wacht niet tot de ergste gevoelens van weerzin zijn overwonnen, maar
neem zo spoedig mogelijk het klachtwapen ter hand. Voor het te laat is.
------------------------------ ------------------------- --------------------------
KLACHTENCOMMISSIE
III
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING
DIRECTIE NOORD-WEST
BESLISSING VAN KLACHTENCOMMISSIE III INZAKE DE KLACHT VAN
De heer Ssss, wonende te Llll, verder te noemen klager
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Haarlem, en Directie Noord-West,
verder te noemen de Raad.
HET VERLOOP VAN DE KLACHTENPROCEDURE
Bij brief van ii september 2002 heeft de klager een zestal klachten ingediend bij de directeur van de Raad. Op ii september 2002 heeft over deze klachten een gesprek plaatsgevonden op het directiebureau van de Raad. Hierna heeft de adjunct-directeur mr. Zzzz, hierna te noemen: Zzzz, een schriftelijke beslissing op de 6 klachten gegeven.
Bij klachtschrift
van ii november 2002 heeft de klager zich vervolgens met 5 klachten gewend
tot de klachtencommissie. Dit klachtschrift is bij de commissie op ii november
2002 ingekomen. Het klachtschrift was vergezeld van 14 bijlagen. Bij brief
van ii december 2002 met 2 bijlagen heeft klager aanvullende informatie aan
de klachtencommissie gezonden: Daarna heeft klager bij brief d.d. ii februari
2003 nog 8 klachten aan de klachtencommissie voorgelegd. Deze brief was vergezeld
van een groot aantal bijlagen. In de brief worden 49 bijlagen opgesomd. Daarnaast
trof de klachtencommissie nog een tweetal krantenartikelen aan.
DE BEHANDELING TER ZITTING
De klachtencommissie heeft de klachten ter zitting van ii maart 2003 behandeld. Een aanvankelijk in januari 2003 geplande zitting is op verzoek van klager uitgesteld omdat zijn vertrouwenspersoon niet aanwezig kon zijn. Ter zitting van ii maart 2003 zijn verschenen klager in persoon en Zzzz . Pas zeer kort voor aanvang van de behandeling bleek dat de vertrouwenspersoon van klager (opnieuw) verhinderd was en wel door ziekte. Met instemming van partijen heeft de klachtencommissie desalniettemin de klachtzaak behandeld. De klager heeft ter zitting nog een notitie van zijn hand overhandigd en een brief met bijlage van een Kamerlid van ii maart 2003.
Zakelijk weergegeven en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht is ter zitting het volgende naar voren gebracht.
De voorzitter opent de klachtbehandeling met een opsomming van de in het dossier aanwezige stukken. Zij stelt daarna allereerst een formeel punt aan de orde: de Raad heeft ten aanzien van de in het aanvullende klachtschrift d.d. ii februari 2003 genoemde klachtpunten geen beslissing kunnen nemen. De vraag aan Zzzz is dan ook of deze laatstgenoemde klachtpunten ter zitting mede behandeld kunnen worden: Zzzz zegt hier geen bezwaar tegen te hebben. Zijn reactie op de klachten zal hieronder bij de ontvankelijkheid aan de orde komen.
Partijen krijgen
vervolgens het woord om desgewenst hun standpunt nader toe te lichten. Zij
beantwoorden ook vragen van de klachtencommissie. Hetgeen zij aanvoeren zal
hierna bij de beoordeling verder aan de orde komen. Klager merkt onder meer
op dat er uiteindelijk met name de volgende redenen zijn waarom hij het klachtschrift,
c.q. aanvullend klachtschrift heeft ingediend, te weten dat er nooit een omgangsregeling
tot stand is gekomen, terwijl daartoe een bindend oordeel van de rechter lag
en dat er nieuwe informatie is op grond van politieke overwegingen. Tevens
is zijn grief, dat er geen onderzoek plaats vindt, terwijl zulks in de beslissingen
van de Rechtbank d.d. ii januari 1999 en april 1999 is opgedragen. Voorts
zegt klager ten aanzien van het onderwerp informanten dat de afspraken om
informatie te verschaffen met de huisarts en de scholen niet in praktijk worden
gebracht.
Nadat de voorzitter geconstateerd heeft dat er verder geen vragen of opmerkingen
hij partijen en de klachtencommissie zijn sluit zij de klachtbehandeling.
BEOORDELING
VAN DE KLACHTEN
De klachtencommissie komt op grond van de overgelegde stukken en de ter zitting
naar voren gebrachte informatie tot het volgende oordeel.
DE ONTVANKELIJKHEID
De klachtencommissie overweegt dat het klachtschrift van ii november 2002 binnen 6 weken na ontvangst van de beslissing van Zzzz bij de commissie is ingediend en in zoverre tijdig is geweest. Klager heeft ter zitting meegedeeld dat hij in dit klachtschrift geen andere klachten heeft opgenomen dan die welke hij in zijn brief van ii september 2002 aan de directeur had genoemd. Klager heeft zijn 8 aanvullende klachten niet eerst aan de directeur voorgelegd, zoals is voorgeschreven in het Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming. Ter zitting heeft Zzzz echter verklaard dat de Raad er geen bezwaar tegen heeft dat ook deze 8 klachten door de klachtencommissie worden beoordeeld. Hij heeft opgemerkt dat de Raad ten aanzien van deze 8 klachten stelt dat klager daarin niet dient te worden ontvangen. Zzzz heeft -zakelijk samengevat- betoogd dat de termijnen voor het indienen van klachten ruimschoots verstreken zijn. Hij heeft toegevoegd dat dit niet anders wordt indien na het verstrijken van de klachttermijn nieuwe (politieke) inzichten zijn ontstaan die nu mogelijk tot een andere toets leiden dan de toets die ten tijde van de klachttermijn gold.
Klager heeft in vier van zijn 5 aanvankelijke klachten geklaagd over handelingen van de Raad (of het achterwege blijven daarvan) in de jaren 1998 tot 2000. De eerste klacht betreft -zoals de klager tijdens de behandeling heeft beaamd- het niet-uitvoeren door de Raad van liet onderzoek dat de rechtbank op ii januari 1999 respectievelijk in april 1999 aan de Raad had opgedragen. De tweede klacht richt zich tegen het feit dat de Raad, toen de moeder van de kinderen weigerde aan het door de rechtbank opgedragen onderzoek mee te werken, geen kinderbeschermingsmaatregel heeft verzocht.
De derde klacht
heeft betrekking op onderzoeksvragen die de Raad in 1999 heeft geformuleerd
en aan hei ABJ heeft voorgelegd. De vierde klacht richt zich tegen het niet-volharden
van de Raad bij zijn advies van ii februari 1998 omtrent een omgangsregeling.
De klachtencommissie overweegt dat zij met de Raad van oordeel is dat de termijn
om over dit gestelde handelen respectievelijk nalaten van de Raad te kunnen
klagen op ii september 2002 was verstreken. Die termijn bedraagt een jaar
na (kennis krijgen van) de aangevallen gedraging. De klachtencommissie is
van oordeel dat het in deze klachten genoemde handelen/nalaten van de Raad
al bij klager bekend moet zijn geweest op of omstreeks ii mei 2000. Op die
dag wees de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling
van klager af zonder nog in te gaan op haar eerdere opdracht tot onderzoek.
De klachtencommissie wijst verder op haar beslissing van ii maart 2002. Uit
de bespreking van klachtpunten 1 en 5 blijkt dat klager in ieder geval ten
tijde van het verzenden van zijn toenmalige klachtbrieven van ii juli en ii
augustus 2001 van een en ander op de hoogte was.
De klachtbrief van ii september 2002 is dus langer dan een jaar nadien opgesteld.
Klager heeft in zijn brief van ii februari 2003 onder 7 geklaagd over het
advies over de gezagsvoorziening. Tijdens de behandeling heeft klager op vragen
van de klachtencommissie geantwoord dat hij hier doelt op het advies van 1998.
Hiervoor geldt ook dat de klachttermijn is verstreken.
De klacht onder 8 omtrent het niet-horen van de kinderen is door klager eerder
in 2001 voorgelegd aan de klachtencommissie als klachtpunt 4. De klacht onder
10 stelt evenals klacht 2 aan de orde dat de Raad niet heeft verzocht om een
beschermingsmaatregel en wel ontheffing. De essentie van deze klacht(en) is
dezelfde als de eerder door klager in 2001 ingediende klachtpunten 1 en 5.
De klacht onder 11 richt zich, naar de commissie begrijpt, tegen dezelfde
veronderstelling van de raad die eerder in 2001 onderwerp was van klachtpunt
7. De klacht onder 13 valt samen met de klacht onder 11 van 2001. De klachtencommissie
heeft over al deze in 2001 al aangevoerde klachtpunten geoordeeld op ii maart
2002. Klager stelt dat hij de mogelijkheid heeft dezelfde klachten desondanks
opnieuw te laten beoordelen omdat volgens hem sprake is van nieuwe feiten
en omstandigheden. Hij beroept zich daarbij op de memorie van toelichting
bij artikel 9: 8 lid 1 onder a van de Algemene Wet Bestuursrecht, die deze
uitzondering noemt. Klager beroept zich daarbij op algemene beschouwingen
in de politiek en in kranten- of tijdschriftartikelen, echter niet op feiten
en omstandigheden in zijn eigen zaak. De klachtencommissie laat in het midden
of hier dan wel gesproken kan worden van nieuwe feiten en omstandigheden.
Vast staat dat klager ten aanzien van al deze gedragingen van de Raad tenminste
reeds in augustus 2001 op de hoogte was. Dat betekent dat in september 2002
de klachttermijn van een jaar in ieder geval verstreken was. (De commissie
verwijst naar datzelfde wetsartikel onder b.)
In alle hierboven besproken klachten acht de klachtencommissie klager derhalve
niet-ontvankelijk vanwege het verstrijken van de klachttermijn.
De klacht onder 12 acht de klachtencommissie om een andere reden niet ontvankelijk.
Deze klacht betreft de volgens klager onterechte veronderstelling dat artsen
vanzelf een melding kindermishandeling zouden doen.
Uit al de stukken die klager aan de klachtencommissie heeft overgelegd is
de commissie niet gebleken dat deze veronderstelling door de Raad is geuit,
zoals hij dat wel heeft gedaan ten aanzien van de scholen. Klager heeft in
de notitie die hij op de zitting heeft overhandigd wel verwezen naar een rapport
van ii juli 2001 waarin staat "De raad zal alle informanten schriftelijk
benaderen met het verzoek eventuele zorgen omtrent de ontwikkeling van (alle
drie) de kinderen aan ons te melden en hen daarbij wijzen op de verantwoordelijkheid
die ze in deze hebben". Daar leest de commissie ook niet deze veronderstelling.
Nu de klacht niet is gericht tegen een daadwerkelijke gedraging van de Raad
kan klager daarin niet worden ontvangen.
Klager is
wel ontvankelijk ten aanzien van de klacht 5, 6 en 9.
INHOUDELIJKE BEHANDELING VAN DE OVERIGE KLACHTEN
Resten nog drie klachten te bespreken, namelijk de klachten onder 5, 6 en
9.
Ten aanzien van klacht 5 overweegt de commissie als volgt. Deze klacht richt
zich tegen een uitlating van Zzzz tijdens de zitting van ii maart 2002. "De
Raad doet niet aan waarheidsvinding. Daar zijn andere organisaties voor. "
Deze uitspraak zou niet valide zijn omdat de politie niet aan waarheidsvinding
doet en omdat uit Normen II en Normen 2000 niet blijkt dat de Raad niet aan
waarheidsvinding doet. Uit de klacht en de brief van de raad van ii oktober
2002 begrijpt de commissie dat het hier vooral gaat om de waarheidsvinding
ten aanzien van incestbeschuldigingen.
De commissie is van oordeel dat het niet op de weg van de Raad ligt om bewijs
te verzamelen voor het wel of niet gepleegd zijn van incest. De Raad is immers
geen opsporingsinstantie, zoals bijvoorbeeld de politie. Van de Raad mag wel
verwacht worden dat hij rekening houdt met de mogelijkheid enerzijds dat er
sprake is van incest anderzijds dat er sprake is van ongegronde incestbeschuldigingen.
Hij zal in het onderzoek derhalve niet voorbij kunnen gaan aan het bestaan
al dan niet terecht- van de beschuldigingen. De klacht is derhalve ongegrond.
Onder klachtpunt 6 voert klager aan dat de Raad onvoldoende heeft gemotiveerd
waarom hij afwijkt van het oordeel van de commissie voor zover deze de klachten
gegrond heeft verklaard. De commissie begrijpt dat dit slaat op de brief van
ii mei 2002 van Zzzz mbt. klachtpunt 10. Daar heeft Zzzz aangegeven dat hij
het niet geheel eens is met de klachtencommissie mbt. de brief van de heer
Wwww van ii november 2001. Zzzz heeft ter zitting opgemerkt dat de Raad niet
verplicht is om gevolgen te verbinden aan het oordeel van de klachtencommissie.
De commissie overweegt dat artikel 6 onder 5 van het besluit klachtbehandeling
raad voor de kinderbescherming inderdaad de mogelijkheid open laat dat de
raad geen gevolgen verbindt binnen zijn Organisatie aan liet oordeel van deze
commissie. Wel mag verwacht worden naar het oordeel van de commissie dat de
raad dit motiveert. De motivering in de brief van ii mei 2002 houdt in dat
de Raad van oordeel is dat de brief van de heer Wwww zeker niet een te smalle
basis vormde. De Raad voert daarbij aan dat de heer Wwww een professionele
hulpverlener is van wie de Raad kan en mag verwachten dat hij een goed inzicht
heeft in de problematiek aangaande D1995. De commissie stelt voorop op dat
het niet aan haar is om anders dan marginaal te beoordelen of deze motivering
van Zzzz wel hout snijdt. Zzzz heeft gemotiveerd en zijn motivering is niet
kennelijk onbegrijpelijk. De klacht is derhalve ongegrond.
Klager heeft toegelicht dat hij zijn klacht onder 9 heeft gebaseerd op het
door hem overgelegde proces-verbaal van vooronderzoek van ii december 2002
van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam. De commissie leest dat daarin
staat vermeld op pagina 4 dat verweerder Wwww heeft opgemerkt:
Tot slot merk ik nog het volgende op. Bij een ots blijft het kind in principe
in het eigen gezin. De ontwikkeling van D1995 wordt zeer bepaald door de vraag
hoe het met haar moeder gaat. Mijn inschatting was dat D1995 bij haar moeder
zou blijven. Het belang van D1995 stond voorop. Indien de Raad haar onderzoek
zou hebben voort gezet, zou dit schadelijk kunnen zijn geweest voor D1995.
Een ontheffing was mijns insziens dan ook het beste. Dit zeg ik vanuit mijn
visie op hetgeen er speelde. Daar sta ik nog steeds achter. Ik weet uit contacten
met de grootmoeder dat het nu vrij goed met D1995 gaat (...)
Dat de heer Wwww hier heeft willen zeggen dat het beste is dat moeder van
de ouderlijke macht wordt ontheven, kan de commissie hieruit niet zonder meer
opmaken. Zeker niet waar op pagina 3 van datzelfde proces-verbaal slaat vermeld
dat de heer Wwww heeft opgemerkt:
"In mijn verklaring op ii november 2000 in het kader van het raadsonderzoek
-zie uw doorgenummerde pagina 81- staat vermeld '(..) dat een maatregel van
de Raad op dit moment hun behandeling zal verstoren ".
Daar mee bedoelde ik een OTS en/of ontheffing. Aan beide gevallen heb ik gedacht.
Gesteld dat de heer Wwww wel heeft willen zeggen dat een ontheffing van moeder
het beste was, dan is de commissie bovendien van oordeel dat de Raad niet
kan worden verweten dat hij van deze mening niet wist. De commissie is van
oordeel dat van de heer Wwww als deskundige verwacht mocht worden dat hij
de Raad eigener beweging op de hoogte stelt van die mening. Deze klacht is
derhalve ongegrond.
De heer Ssss heeft nog de vraag gesteld wat het doel van deze commissie is.
De commissie ziet als haar doel dat haar behandeling en beoordeling van klachten
leiden tot een kwaliteitsverbetering van het werk en een verhoging van de
waardering bij cliënten voor het werk van de Raad. De commissie kan echter
niet met haar oordeel de omgangsregeling of contacten met zijn drie kinderen
tot stand brengen die klager zo bitter mist.
BESLISSING
Klachten 1 tot en met 4, 7 en 8, 10 tot en met 13 : niet ontvankelijk
Klachten 5, 6 en 9 : ongegrond
Aldus beslist
op ii maart 2003 te Amsterdam door Klachtencommissie III, die bestond uit
Mw. mr Sssst - voorzitter
Mw. M. Dddd - lid
Mw. Mr Ffff - lid
Bijgestaan door mw. mr. Aaaa, secretaris van klachtencommissie III.
w. g. voorzitter w.g. secretaris
Voor eensluidend afschrift conform, secretaris
De klachtencommissie
geeft door middel van een afschrift van deze beslissing kennis aan:
- klager
- de Raad, vestiging Haarlem
- de Directie Noord-West
- de minister van Justitie
De beslissing is verzonden op: ii-4-03