RVK0301

 

Inleiding.

Een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming mondde uit in een sterk terughoudend advies door de schroom van de raadsonderzoeker om tegen de wens van moeder in te gaan.
Vader diende een klacht in bij de Raad.
Nadat de klacht gedeeltelijk in eerste instantie was gegrond verklaard, komt de Klachtencommissie tot een klein lijkende, maar belangrijke uitbreiding van de gegrond verklaring. De commissie stelt namelijk dat de Raad verplicht is een verandering in de onderzoeksvragen te raporteren, wanneer hij van mening is dat de omstandigheden een "bredere opzet" van het onderzoek vereisen. Dat betekent dat een niet verantwoord (maar wel aan te tonen) verschil tussen onderzoeksvragen en onderzoeksopdracht van de rechter uit den boze is.
Een tweede les is (opnieuw) dat ontsporingen van het raadsonderzoek altijd aan de rechter moeten worden gerapporteerd.
Mogelijk dat mede daarom de rechter in dit geval het advies van de Raad ruimschoots overschreed.

-- -------------- ------------------- ------------------ ----

Klachtencommissie I
Raad voor de Kinderbescherming, Directie Noord *
Postadres postbus 1534 8901 BV Leeuwarden

BESLISSING VAN DE KLACHTENCOMMISSIE I

in de klacht van de heer Sss, wonende te Kkkk verder te noemen klager

tegen

de raad voor de kinderbescherming, vestiging Leeuwarden, verder te noemen de raad.

 

1. HET VERLOOP

Op ii november 2002 heeft de commissie een klachtbrief dd. ii november 2002 van klager ontvangen waarbij een klacht wordt ingediend tegen gedragingen van raadsmedewerkers van de raad voor de kinderbescherming van de vestiging Leeuwarden jegens klager. Mede doordat uit het klaagschrift, door klager aangeduid als appèlschrift, niet duidelijk bleek of de klacht ontvankelijk was heeft de commissie pas op ii januari 2003 ter zitting klagers klacht kunnen behandelen

De klachtencommissie beschikt over de volgende van belang zijnde stukken:
- beschikking van de rechtbank Groningen van ii december 2000 en ii april 2001;
- raadsrapport dd. ii mei 2002;
- brief dd. ii mei 2002 met klaagschrift van klager aan de directeur, vestiging Leeuwarden;
- besluitenjournaaI van ii juni 2002;
- contactenjournaal van ii juni 2002;
- brief dd. ii juli 2002 van klager aan de teamleider;
- beslissing dd. ii oktober 2002;
- klachtbrief dd. ii november 2002 met als bijlagen:
- appèlschrift;
- afschrift beschikking rechtbank Groningen dd. ii juli 2002.

De inhoud van bovengenoemde stukken dient als hier ingevoegd te worden beschouwd

 

2. DE KLACHT

De klacht bevat volgens de commissie, overeenkomstig de samenvatting van de directeur, de navolgende klachtonderdelen:
1. Het onderzoek (en het rapport) is niet opgezet conform het wettelijk uitgangspunt inzake het recht op omgang. Als gevolg hiervan zijn onjuiste en ook overbodige onderzoeksvragen geformuleerd.
2. De werkwijze van de raadsonderzoeker is onjuist geweest, omdat door de vraagstelling en de uitvoering van het onderzoek de ex-echtgenote van klager is aangemoedigd in haar verzet een fatsoenlijke omgangsregeling tot stand te brengen.
3. Het rapport voldoet niet aan het verzoek van de rechtbank.
4. In het rapport staan feitelijke onjuistheden.
5. De raadsmedewerkers hebben blijk gegeven van disrespect door het stempel "Concept" zo te hanteren dat het rapport daardoor op verscheidene plaatsen onleesbaar is geworden

Daarnaast stelt klager in zijn klacht dat
1. De taalkundige klacht ander 2.2.2. niet is behandeld.
2. De strijd met de wet volgens onderdelen 2.3... niet is beoordeeld.
3. Het gehekelde "zoeken" in 2.4.1. niet is weerlegd of beoordeeld.
4. Klachtpunt 2.6.3 niet is weerlegd of behandeld.
5. De door de raadsmedewerker aan moeder gegeven garantie niet is besproken.
6. Geen enkel gegeven voorbeeld werd behandeld.
7. Het gegeven dat moeder nou juist geen principiële bezwaren had, 2.8.3. werd genegeerd.
8. De klachten onder 2.11 niet correct zijn afgehandeld.

De directeur heeft in zijn beslissing van ii oktober 2002 de klachtonderdelen 1 en 2 deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard en klachtonderdeel 3 niet ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van klachtonderdeel 4 heeft hij beslist dat dit klachtonderdeel deels gegrond en deels ongegrond is en dat klachtonderdeel 5 gegrond is.

 

3. DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE KLACHT
De klachtencommissie overweegt dat de klacht binnen de gestelde termijn is ingediend en betrekking heeft op een bij de raad voor de kinderbescherming, vestiging Leeuwarden in behandeling zijnde aangelegenheid waarbij klager als belanghebbende is betrokken.
Op grond hiervan is de commissie van oordeel dat klager voor wat deze formele voorwaarden betreft in haar klacht ontvankelijk is.

 

4. BEHANDELING TER ZITTING
De klachtencommissie heeft op ii januari 2003 klager, bijgestaan door zijn vertrouwenspersoon de heer Rrr, alsmede de juridisch medewerker van de Directie Noord, mevrouw mr. Zzzz en de raadsonderzoeker, de heer Ssss en de teamleider van de vestiging Leeuwarden, mevrouw Llll, gehoord.

De juridisch medewerker heeft, zakelijk weergegeven en alleen voor zover in deze zaak van belang, ter zitting opgemerkt:

"De raad blijft ten aanzien van klachtonderdeel 1 erbij dat door klager vooral op de inhoud van het rapport is ingegaan. De hoofdlijn is of het rapport de toets van Normen 2000 kan doorstaan. Het wettelijk uitgangspunt met betrekking tot het omgangsrecht is wel degelijk door de raad gevolgd. Het wettelijk kader is omgang met beide kinderen. Of er contra-indicaties met betrekking tot de omgangsregeling zijn stond niet ter discussie.

Ik wil ook verwijzen naar het rapport waarin de beschikking van de rechtbank als uitgangspunt wordt genoemd en ook uitgangspunt is geweest. In de beschikking van de rechtbank staat geen kritiek op de Inhoud van het rapport. De rechtbank legt een ruimere omgangsregeling op dan de raad heeft voorgesteld. Dan is er nog een klacht in klachtonderdeel l dat wordt geponeerd als nieuw onderdeel d. Dit is een nieuw klachtonderdeel waarop eerst door de directeur beslist moet worden.

In klachtonderdeel 2 wordt veel inhoudelijke kritiek aan de hand van het rapport geuit. Klager stelt de inhoud van het rapport ter discussie maar dat stond destijds ter beoordeling van de rechter. Aan de orde is de werkwijze van de raad maar de voorbeelden die klager geeft betreffen de inhoud. Het is altijd moeilijk aan te geven waarde grens ligt tussen bejegening en inhoud.
Het uitoefenen van ongeoorloofde druk heeft weliswaar betrekking op de bejegening maar daar was in casu geen sprake. Daarom is dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.

De raad vindt, wat betreft klachtonderdeel 3, dat het rapport voldoet aan het verzoek van de rechtbank. De vraag is of het rapport in dit opzicht voldoet kan niet inhoudelijk worden getoetst door de directeur. Of het onderzoek inhoudelijk voldoet aan het verzoek van de rechtbank is ter beoordeling van de rechtbank. De formulering van het rapport voldoet aan Normen 2000. Klager kan op bepaalde terminologie kritiek hebben, maar het gaat om de grote lijnen. De raad heeft daaraan voldaan. En als de rechtbank dat niet vindt dan geeft de rechtbank dat wel aan. De duur van het onderzoek is niet geheel conform Normen 2000 maar dat punt is niet in eerste instantie ais klachtonderdeel voorgebracht. Dit een klachtonderdeel zal dan ook eerst aan de directeur moeten worden voorgelegd.

Klachtonderdeel 4 is gedeeltelijk gegrond verklaard en behoeft dus niet meer getoetst te worden door de commissie. Wat overblijft betreft de klacht met betrekking tot het voortgezet onderzoek. Door de raad wordt een andere term gebezigd. De term 'Voortgezet onderzoek" wordt door de raad anders uitgelegd maar dat is geen feitelijk onjuistheid.

Klachtonderdeel 5 is gegrond verklaard omdat het conceptrapport niet in het dossier zat.

Aan het eind van het appèlschrift worden door klager nog een aantal punten genoemd. Klager is in zijn klachtbrief heel gedetailleerd geweest en daarom is zijn klacht in hoofdlijnen samengevat. Deze hoofdlijnen doen recht aan de klachten van klager.

De raad kan tot bepaalde conclusies komen die afwijken van hetgeen de rechtbank vraagt. De rechtbank heeft niet aangegeven dat de raad zijn huiswerk niet goed heeft gemaakt. Nu de rechtbank anders dan de rand een standaardregeling heeft opgelegd is daarom het rapport van de raad niet gediskwalificeerd. De beslissing van de rechtbank is ruimer dan het advies van de raad.

De taalkundige klacht onder 2.2.2. is wel door de directeur behandeld. De overige volgens klager niet weerlegde of beoordeelde klachtpunten hebben betrekking op de inhoud van het rapport en het daarover gegeven oordeel. Zo worden onder 2.11 zinsneden uit het rapport aangehaald die nadrukkelijk vallen onder de Inhoud van het rapport.

De raad is zich wel degelijk bewust van het wettelijk kader van het onderzoek, maar de raad doet onderzoek vanuk zijn eigen verantwoordelijkheid en betrekt om die reden het belang van de kinderen bij zijn onderzoek.
Het is niet aan de klachtencommissie om de kwaliteit van het rapport te beoordelen. Ik zie niet dat de raad buiten zijn boekje is gegaan."

 

De heer Rrrr heeft zakelijk weergegeven en alleen voor zover in deze zaak van belang - ter zitting opgemerkt:
"Het appèlschrifl geeft uitvoerig de inhoud van de klacht weer.
De raad is een onderzoek begonnen aan de hand van vooraf vastgestelde wagen.
Ik heb eerder meegemaakt dat de klachtencommissie een vergelijkbare klacht over de opzet van een rapport wel inhoudelijk behandelde.
De rechter stelt de onderzoeksvragen, De raadsonderzoeker heeft deze onderzoeksvragen geherformuleerd in strijd met wettelijk kader.
De wettelijke regel is dat omgang moet. In 1990 zijn voor het eerst ontzeggingsgronden opgenomen. Klager is door de directeur niet gelijk met de heer Ssss gehoord.
Aan de rechter komt het primaat toe om ontzeggingsgronden van toepassing te verklaren Als uitvloeisel van de leidende rol van de rechter mag de raad niet zelf op zoek gaan naar contra indicaties voor een omgangsregeling.

De rechter moet erop kunnen vertrouwen dat het onderzoek overeenkomstig de spelregels wordt uitgevoerd. Door de klacht over het onderzoek niet ontvankelijk te verklaren, heeft de rechter geen middel om zijn vertrouwen, dat aan zijn verzoek op correcte wijze wordt voldaan, te waarborgen. Het rapport Is de enige geautoriseerde vastlegging van het onderzoek.
Klager heeft niets anders dan het rapport.

Daarnaast vroeg de rechter een definitieve regeling en niet een voorlopige omgangsregeling zoals de raad heeft geadviseerd.

Ik meen dat de raad ver buiten in boekje is gegaan. Ouders en kind hebben recht op omgang tenzij 1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind of 2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet In staat moet worden geacht tot omgang, of 3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, hij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of 4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De ontzeggingsgronden onderstrepen de harde gronden van het omgangsrecht. De vierde ontzeggingsgrond is uit nood geboren. Het is een parapluconstructie.
De Hoge Raad heeft gezegd dat er hoge eisen worden gesteld aan zo'n ontzeggingsgond.
De raad zegt dat hij wel mag uitmaken wat het belang van het kind is. Hij voert het onderzoek uit voor de rechter. Kinderbescherming moet niet vermengd worden met omgangsrecht. De raad is op een ander terrein gekomen.

Door de houding van de raad is moeder uitgenodigd om meer strijd te voeren tegen klager. Wat betreft het achttal niet behandelde punten speelt een principieel punt. De klacht is niet behandeld!

De taalkundige klacht heeft daarnaast iets te maken met de wijze van werken. De opmerking dat er nog veel strijd is tussen de ouders is nog zo'n panacee. Was het beleid van de rechter in casu gerespecteerd dan hadden de ouders tot overeenstemming kunnen worden gebracht, hetgeen de voorkeur heeft. Want zoals een hartelijke vrede is te verkiezen boven een gewapende, zo is een gewapende vrede te verkiezen boven oorlog."

 

De raadsonderzoeker heeft - zakelijk weergegeven en alleen voor zover in deze zaak van belang - ter zitting opgemerkt:

"Het raadsonderzoek is altijd in beweging. Het is een proces en anders dan 10 jaar geleden. Moeder beschuldigde vader en familie van incest. De raad neemt iedereen serieus. De beschuldigingen van moeder zijn serieus genomen. In dat kader is gekeken of de omgangsregeling in het belang van de kinderen is."

 

De teamleider heeft - zakelijk weergegeven en alleen voor zover in deze zaak van belang - ter zitting opgemerkt:

"De raad probeert bij zijn onderzoek een standaardmodel te hanteren. Bij de start van een onderzoek wordt een aantal voorlopige onderzoeksvragen opgesteld. Dan is er een voorlopig vragenronde en daarna de definitieve vragenronde. Vervolgens worden de definitieve onderzoeksvragen vastgesteld. De raad is van mening dat hij bij een onderzoek "breder kan gaan". Het belang van de kinderen is de legitimatie van al het handelen van de raad, De aanleiding van het onderzoek kan anders zijn dan de onderzoeksvragen. De raad probeert daarbij niet de kaders van de wet te omzeilen".

 

Klager heeft - zakelijk weergegeven en alleen voor zover bij deze zaak van belang ter zitting opgemerkt:

"De opmerking van de heer Ssss kan ik heel duidelijk afdoen als smoesjes. De politie heeft dat ook geconcludeerd. Het verhaal over incest doet de heer Sssss nu af als legitimering van de onderzoeksvragen."

 

5 BEOORDELING VAN DE KLACHT

5.1. De klachtencommissie verweegt, gelet op de feiten en omstandigheden, welke haat schriftelijk en mondeling ter kennis zijn gebracht, het volgende:

5.2 Klager stelt in klachtonderdeel 1 dat het onderzoek (en het rapport) niet opgezet is conform het wettelijk uitgangspunt inzake het recht op omgang. Als gevolg hiervan zijn volgens hem onjuiste en ook overbodige onderzoeksvragen geformuleerd. Hij Iicht dat toe door te wijzen op artikel l:377a BW waarin het recht op omgang tussen de niet met het gezag belaste ouder en het kind wordt geformuleerd. Daarnaast wijst klager op de in het raadsrapport geformuleerde onderzoeksvragen die naar zijn mening strijdig zijn met de wet of anderszins ten onrechte zijn gesteld.
Voor zover, zoals de directeur terecht heeft opgemerkt, klager in dit klachtonderdeel stelt dat de raadsonderzoeker (inhoudelijk) de verkeerde vragen heeft geformuleerd omdat hij is uitgegaan van het onjuiste wettelijke kader acht de commissie dit klachtonderdeel niet ontvankelijk omdat dit klachtonderdeel kritiek op de inhoud en kwaliteit van het rapport betreft.
Echter, waar dit klachtonderdeel de wijze waarop het advies van de raad tot stand is gekomen betreft, oordeelt de commissie als volgt. Bij gezag- en omgangszaken is de vraag van de rechter aan de raad om onderzoek te doen en advies uit te brengen leidend. Die onderzoeksvraag van de rechter mag de raad binnen het hem gegeven kader zelf vertalen. Niet gebleken is dat de raad in casu daarbij buiten het wettelijk kader is getreden. Uit oogpunt van zijn taak dient de raad daarbij het belang van het kind betrekken. Gegeven die eigen verantwoordelijkheid van de raad is het mogelijk dat tijdens het onderzoek zich een beschermingsvaag voordoet op basis waarvan de onderzoeksvragen moeten worden aangepast. Gebleken is dat dit in casu is toegepast doch zonder daarvan in het rapport melding te doen. Door niet expliciet in het raadsrapport van deze gewijzigde vraagstelling blijk te geven, heeft de raad naar klager toe de schijn gewekt te zijn afgeweken van de vraag van de rechter inzake het recht op omgang.
In die zin acht de commissie de klacht gegrond. Ondanks deze als procedurefout aan te merken gedraging is er evenwel geen sprake geweest van een onjuiste bejegening dan wel heeft deze gedraging geen consequenties voor de bejegening gehad. Een klacht over de bejegening van klager op dit onderdeel acht de commissie dan ook ongegrond. De kwaliteit van het onderzoek en het rapport staan ter beoordeling van rechter en niet van de commissie

5.3. Klachtonderdeel 2 is gericht tegen de werkwijze van de raadsonderzoeker die volgens klager door de vraagstelling en de uitvoering van het onderzoek de ex-echtgenote van klager heeft aangemoedigd in haar verzet een fatsoenlijke omgangsregeling tot stand te brengen. De commissie acht deze klacht ongegrond. Het past binnen de systematiek van het onderzoek dat beide partijen worden gehoord en dat hun mening in het rapport wordt weergegeven. Dat uit deze methodiek en verslaglegging blijkt dat partijen niet op één lijn staan brengt nog niet mee dat de raadsonderzoeker partijen heeft aangezet tot hun tegengesteld standpunt, dan wel op onjuiste wijze zijn werk heeft uitgevoerd,.

5.4. Met verwijzing naar hetgeen de commissie onder 5.2 heeft overwogen acht de commissie klachtonderdeel 3 eveneens ongegrond. Niet valt in te zien waarom de raad met zijn advies niet zou hebben voldaan aan het verzoek van de rechtbank.

5.5 De klachtonderdelen 4 en 5, over respectievelijk feitelijke onjuistheden in het rapport en het plaatselijk onleesbaar zijn van het rapport als gevolg van het stempel "Concept", zijn reeds gegrond verklaard en worden derhalve thans niet meer beoordeeld.

5.6. De punten 1 tot en met 8, die klager in zijn appèlschrift als zijnde niet behandeld, niet beoordeeld, niet weerlegd, genegeerd of niet correct opgesomd aan de commissie heeft voorgelegd, zijn door de directeur weliswaar niet expliciet in zijn beslissing weergegeven maar - blijkens diens mondelinge toelichting ter zitting -wel impliciet meegenomen in de beslissing over die klachtonderdelen waarin over de inhoud van het rapport wordt geklaagd. Nu deze punten deels met de inhoud van het rapport te maken hebben, valt een beoordeling hiervan buiten de competentie van de commissie. Voor het overige zijn deze punten al meegenomen in voorgaande overwegingen met betrekking tot de verschillende klachtonderdelen

 

6. DE BESLISSING

De klachtencommissie verklaart:
- klachtonderdeel 1 deels gegrond, deels ongegrond en deels niet ontvankeIijk;
- de klachtonderdelen 2 en 3 ongegrond;
De klachtonderdelen 4 en 5 blijven buiten de beoordeling van de commissie (reeds gegrond verklaard)

Aldus gegeven op ii januari 2003 te Groningen door de klachtencommissie I, bestaande uit mevrouw mr. Oooo, voorzitter, mevrouw mr. dr. Uuuu en de heer dr. Wwww, leden, bijgestaan door de secretaris. de heer mr. Kkkk.

w.g, voorzitter w.g. secretaris

Voor eensluidend afschrift conform, secretaris

De klachtencommissie geeft door middel van afschrift kennis van deze beschikking aan: klager de directeur van de Directie Noord de betrokken raadsmedewerkers de Minister van Justitie.

Afschriften van deze beslissing zijn verzonden op ii-02-03