RVK0207
Inleiding.
In een raadsonderzoek was een externbureau (PAR) ingeschakeld. Klager diende klachten in, eerst bij het bureau zelf, daarna bij het NIP. In beide gevallen was hij niet ontvankelijk voor de klachten over het niet naleven van van de richtlijnen van de Raad, Normen 2000. Die bepalen echter dat zo'n bureau niet om advies gevraagd mag worden. Klager eiste aldus dat het rapport ongeldig verklaard werd.
------ --------- ---------
KLACHTENCOMMISSIE
III
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING
DIRECTIE NOORD-WEST
BESLISSING VAN KLACHTENCOMMISSIE III IN DE KLACHT VAN
De heer dr Nnnn, wonende te Amsterdam, hierna te noemen klager
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Haarlem en de Directie Noord-West, verder te noemen de Raad
VERLOOP VAN DE KLACHTPROCEDURE
Op ii januari 2002 heeft de adjunct-directeur van Directie Noord-West een schriftelijke beslissing gegeven naar aanleiding van de door klager op ii december 2001, gedateerd ii december 2001, ingediende klacht. Door de heer Zzzz is de klacht ongegrond verklaard. Bij brief van ii februari 2002 heeft klager zijn klacht voorgelegd aan de klachtencommissie.
Naast vorengenoemde
stukken beschikte de klachtencommissie over de volgende stukken: - de bij
de klacht aan de klachtencommissie overgelegde bijlagen; - het door de klachtencommissie
bij FORA opgevraagde klachtreglement; - een brief van het Ministerie van Justitie
d.d. ii juni 2002, als antwoord op de door de klachtencommissie bij brief
van ii mei 2002 aan het Ministerie gevraagde informatie met betrekking tot
de toepassing van de Richtlijnen bij het inschakelen van externe deskundigen;
De inhoud van bovengenoemde stukken dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.
DE KLACHT
De klacht, die bij de klachtencommissie is ingekomen op 1 maart 2002, houdt in , dat de Raad, vestiging Haarlem, medio november 1999 het PAR te Amsterdam niet om een deskundigenonderzoek had mogen vragen, omdat die stichting niet beschikt over een klachtregeling, die met voldoende (rechts)waarborgen is omkleed.
DE ONTVANKELIJKHEID
De klachtencommissie overweegt dat de klacht binnen de daartoe gestelde termijn is ingediend en betrekking heeft op een aangelegenheid die bij de Raad in behandeling is en waarbij klager als belanghebbende is betrokken. Op grond daarvan acht de klachtencommissie klager in zoverre ontvankelijk in zijn klacht.
DE BEHANDELING TER ZITTING
De mondelinge behandeling
van de klacht heeft plaats gevonden op ii juni 2002. Bij deze hoorzitting
was klager aanwezig , vergezeld van de heer mr. Pppp en de heer Rrrr. Van
de zijde van de Raad was aanwezig de heer drs Bbbb ter vervanging van de heer
mr Zzzz alsmede mevrouw mr Tttt. Zakelijk weergegeven en alleen voor zover
van belang voor de beoordeling van de klacht is ter zitting het volgende naar
voren gebracht.
Na opening van de klachtbehandeling somt de voorzitter de in het klachtdossier
aanwezige stukken op en merkt op dat de klacht aan de heer Zuur d.d. ii december
2001 helder is gemotiveerd en niet geheel lijkt te worden beantwoord in de
beslissing van de directie. De heer Bbbb krijgt het woord en zegt dat hij
daags tevoreneen brief d.d. ii juni 2002 van het Ministerie van Justitie heeft
ontvangen, waarin als reactie op het rapport "S.O.S. Papa "de kwestie van
de Richtlijnen voor het inschakelen van externe deskundigen aan de orde wordt
gesteld dat deze Richtlijnen al eerder geëvalueerd zijn en in de toekomst
aangepast zullen worden. De heer Bbbb overhandigt een exemplaar van vorengenoemde
brief aan de klachtencommissie, klager en aan de Raad. Hij zegt dat de onderzoeksvragen
voor externe deskundigen worden opgesteld door een interne gedragsdeskundige
bij de Raad. Er wordt door de Raad bij het inschakelen van externe deskundigen
meer gekeken naar het inhoudelijke, dan naar het procedurele aspect. Als de
Raad echter van mening is dat het niet goed loopt , doet de Raad onderzoek
het en geeft daarna de nadere vragen terug aan de externe deskundigen. Hij
is van mening dat er een instantie moet komen die toezicht houdt en in de
leemte die er nu is voorziet. Hij wijst er nog op dat de Raad met FORA een
contract heeft en dat FORA aan de Richtlijnen moet voldoen en inderdaad voldoet.
Klager: aangezien de kwestie nog niet waterdicht is geregeld, is hij van mening
dat het PAR-rapport dient te worden ingetrokken. Door dit rapport is hem ook
in hoger beroep de omgang met zijn zoontje ontzegd. Hij heeft sinds drie jaar
geen contact met hem. Vervolgens biedt klager de klachtencommissie en de Raad
een pleitnota aan met punten ter overweging van de onderhavige kwestie.
De heer Rrrr leest uit deze pleitnota voor en wijst er op dat de eindverantwoordelijkheid
van een door een externe deskundige opgesteld rapport bij de Raad als opdrachtgever
ligt.
De heer Bbbb : hij zal de door de voorzitter gedane suggestie bespreken binnen
de Directie en met de Algemeen Directeur en kijken hoe de Raad hiermee moet
omgaan. Vervolgens wijst hij er nog op dat het PAR-rapport niet kan worden
ingetrokken, aangezien het "onder de rechter "is geweest en de rechterlijke
uitspraken onherroepelijk zijn geworden.
DE BEOORDELING
De klachtencommissie overweegt gelet op de ter beschikking staande stukken alsmede op de ter zitting naar voren gebrachte feiten en omstandigheden als volgt.
De commissie stelt
voorop, dat bovenbedoelde Richtlijnen voor het Oaten) verrichten van extern
onderzoek van maart 1996, hierna te noemen de Richtlijnen, als aanwijzing
voor de Raad onderdeel uitmaken van Normen 2000, Beleidsregels met betrekking
tot de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad dient dan
ook slechts onderzoeksopdrachten te verlenen aan externe deskundigen met wie
of met welker onderzoeksbureaus een werkwijze conform de Richtlijnen is overeengekomen.
Hieromtrent bestaat tussen partijen geen verschil van mening.
Bij brief van ii november 1999 heeft de Raad het PAR te Amsterdam verzocht
een extern onderzoek in te stellen aangaande onder meer de omgang van klager
met diens minderjarige Z1992. Het onderzoek is uitgevoerd door een psychologe,
medewerkster van het PAR, die ook een psychiater heeft ingeschakeld. Het rapport
is uitgebracht op ii april 2000. Nadien zijn nog correcties aangebracht.
Het onderzoek en de rapportage hebben klager indertijd gebracht tot het uiten
van een groot aantal klachten. Zo heeft klager op ii juni 2000 een uit 61
klachten bestaand klaagschrift ingediend bij de Marthastichting waaronder
het PAR destijds ressorteerde. Na ongegrondverklaring door de directie heeft
klager hieromtrent geklaagd bij de klachtencommissie van de rechtspersoon
waaronder het PAR te dien tijde viel, de Stichting Horizon. Deze commissie
heeft een oordeel gegeven over (vrijwel) uitsluitend de bejegeningsklachten.
De commissie heeft daarbij vooropgesteld, dat klager niet ontvangen kon worden
in diens klachten voorzover vallend buiten het terrein van bejegening door
medewerkers van het PAR. Voor de inhoudelijke klachten over het rapport is
klager verwezen naar de beroepsorganisatie van de deskundigen.
Op ii februari 2001 heeft klager een uit tal van onderdelen bestaand klaagschrift
ingediend bij het College van Toezicht van het Nederlands Instituut van Psychologen
(NIP), van welke organisatie de psychologisch deskundige van het PAR lid was.
Het College heeft overwogen, dat de klacht inhield dat de verwerend psychologe
niet alleen had gehandeld in strijd met de Beroepscode, maar ook in strijd
met de Richtlijnen van het Ministerie van Justitie voor het (laten) verrichten
van extern onderzoek. Het College heeft de klachten met betrekking tot handelen
in strijd met de Beroepscode ongegrond geoordeeld. De klachten welke zagen
op overtreding van de Richtlijnen heeft het College buiten beschouwing gelaten
als vallend buiten de te toetsen Beroepscode.
Het voorgaande heeft klager gebracht tot het indienen van de nu aan de orde zijnde klacht, op ii december 2001 ingekomen bij de Raad. Klager heeft hierbij, zakelijk weergegeven, geconcludeerd dat hij met de klachtpunten, die steunen op de richtlijnen, niet terecht kan bij de klachtencommissies van de externe deskundigen en blijkens een eerder ingediende klacht evenmin bij deze klachtencommissie van de Raad. Deze geconstateerde leemte heeft klager vervolgens tot de slotsom gebracht, dat de klachtregeling van het onderzoeksbureau niet voldoet aan de in de Richtlijnen geformuleerde eis, dat de regeling met voldoende (rechts)waarborgen is omkleed; dit met verzoek het bestreden rapport ongeldig te verklaren en het onderzoeksbureau niet meer in te schakelen. Het onderzoeksbureau PAR is inmiddels opgegaan in de Stichting Fora, zodat dit verzoek zich thans richt tegen dit bureau. De directie heeft de klacht ongegrond verklaard, naar de kern met de overweging dat de klachtenregeling van (thans) Fora voldoet aan alle criteria als volgens de Richtlijnen. Klager heeft zijn klacht tegen deze overweging gericht, stellende dat de directie in de genomen beslissing niet is ingegaan op de geconstateerde leemte, en legt dezelfde vragen nu aan deze klachtencommissie voor.
De secretaris van
de klachtencommissie heeft, na overleg met de voorzitter, bij brief van ii
mei 2002 een vraag omtrent de door klager geconstateerde leemte gesteld aan,
kortweg, de afdeling jeugd van het Ministerie van Justitie. Het antwoord op
dit schrijven, een brief van ii juni 2002, is in afschrift aan klager en aan
de Raad toegezonden. Naar het oordeel van de klachtencommissie gaat de beslissing
van de directie Noord-West inderdaad langs de kern van de kwestie heen. Die
constatering zal echter niet leiden tot gegrondverklaring van de klacht. De
door klager geconstateerde leemte brengt immers niet met zich dat de klachtenregeling
van het onderzoeksbureau in kwestie niet voldoet aan de huidige, in de Richtlijnen
omschreven, criteria. Ook voldoet het onderzoeksbureau aan de in de Richtlijnen
gestelde eis, dat via lidmaatschap van een beroepsorganisatie geklaagd moet
kunnen worden over schending van de beroepscode. Tenslotte heeft de Raad onweersproken
gesteld, dat met het PAR en inmiddels met Fora een contract is gesloten, onder
meer inhoudende dat de onderzoekers conform de Richtlijnen dienen te werken.
De door klager gewraakte leemte leidt niet tot de slotsom, dat de klachtenregeling
van Fora niet aan de huidige criteria voldoet zoals evenmin kan worden geconcludeerd
dat de klachtenregeling van een betrokken beroepsorganisatie niet aan de normen
voldoet.
De bovenstaande overwegingen kunnen slechts leiden tot de conclusie, dat thans
geen mogelijkheid bestaat om klachten over beweerde schending van de Richtlijnen
door enige externe deskundige rechtstreeks te doen toetsen in het kader van
een klachtvoorziening. Blijkens bovengenoemd schrijven van ii juni j.l. is
dit probleem inmiddels ook door het Ministerie van Justitie onderkend. Veronderstellenderwijs
aangenomen dat in het onderhavige onderzoek inderdaad op enig punt sprake
zou zijn van handelen in strijd met de richtlijnen, zal slechts indirecte
toetsing aan de orde kunnen zijn doordat de Raad als opdrachtgever op grond
van ontvangen signalen aan de externe deskundige nadere informatie kan verzoeken.
Het scheppen van een gelegenheid tot directe toetsing aan de Richtlijnen ligt
niet op de weg van de klachtencommissie. Klager zal derhalve ook thans niet
worden ontvangen in zijn klachten. Voor de op deze klachten gebaseerde verdergaande
verzoeken, wat daarvan ook zij, geldt hetzelfde.
Ten overvloede
overweegt de klachtencommissie het volgende. De hierboven beschreven situatie
op het aan de orde zijnde deel van de klachtregelingen is uiteraard weinig
bevredigend. De klachtencommissie begrijpt uit meergenoemde brief van ii juni
j.l. alsmede uit het eveneens bovengenoemd schrijven van de Staatssecretaris
van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer van ii juni j.l., dat op
termijn voorstellen kunnen worden verwacht tot oplossing van knelpunten bij
het doen instellen van deskundigenonderzoeken. Hierdoor is op termijn mogelijk
ook een oplossing te verwachten voor de door klager gesignaleerde leemte.
Teneinde te bevorderen, dat op korte termijn een oplossing voor de onderhavige
problematiek wordt gevonden, heeft de voorzitter van de klachtencommissie
bij gelegenheid van de behandeling van de klacht ter zitting de volgende suggestie
gedaan aan de Raad. De in de brief van het Ministerie van Justitie geopperde
mogelijkheid van een voorziening in de klachtenregeling van door de Raad in
te schakelen onderzoeksbureaus is thans weliswaar kennelijk niet aan de orde,
maar is wellicht op korte termijn actueel te maken door middel van een door
de Raad te entameren aanpassing van de klachtenregeling van onderzoeksbureaus.
De Raad heeft ter zitting toegezegd de mogelijkheid hiervan te onderzoeken,
om te beginnen door bespreking binnen de eigen directie en vervolgens met
het landelijk bureau van de Raad.
BESLISSING
De klachtcommissie verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht
Aldus beslist op ii
juni 2002 te Amsterdam door Klachtencommissie lll, die als volgt was samengesteld:
Mr Aaaa - voorzitter
Mw. Bbbb - lid Mw. drs Cccc - lid Bijgestaan door
mw. mr Dddd, secretaris
w.g. voorzitter w.g. secretaris
Voor eensluidend afschrift conform, secretaris
De klachtencommissie
geeft door middel van een afschrift van deze beslissing kennis aan:
- klager;
- Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Haarlem;
- Directie Noord-West;
- De Minister van Justitie.
De beslissing is verzonden op: ii juli 2002