RVK0202

Inleiding.

Deze klacht stelt diverse punten in een vrij kort rapport aan de kaak: onderzoeksvragen niet juist gesteld en niet vooraf besproken, onzuivere rapportage, wegmoffelen van de essentie in een schijnproblematiek, het verwijten dat er `strijd is tussen de ouders', een zitting die eerst wel en later niet uitgesteld wordt, en een te lange duur van de rapportage.

 

--- --- --- ---

KLACHTENCOMMISSIE III
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING DIRECTIE NOORD-WEST

BESLISSING VAN KLACHTENCOMMISSIE III INZAKE DE KLACHT VAN

De heer dr Xxxx, wonende te Yyyy, hierna te noemen klager

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Haarlem, verder te noemen Raad, en de Directie Noord-West.

De Raad werd vertegenwoordigd door adjunct-directeur mr. Zzzzz, hierna te noemen `verweerder'.
Klager werd ondersteund door dhr Rrrr, hierna te noemen `adviseur'.

VERLOOP VAN DE KLACHTPROCEDURE

Op 18 oktober 2001 heeft verweerder een schriftelijke beslissing gegeven naar aanleiding van de door klager op 23 juni 2001 per fax ingediende klacht tegen het raadsrapport dd. 14 mei 2001, het advies van de raadsmedewerker op de zitting van de rechtbank Haarlem d.d. 22 mei 2001 en naar aanleiding van de tijdens het klachtgesprek d.d. 19 september 2001 daaraan toegevoegde klacht.
Bij brief van 31 oktober 2001 heeft klager zijn klacht met bijlagen voorgelegd aan de klachtencommissie.

Naast vorengenoemde stukken beschikte de klachtencommissie over de volgende stukken:
-
raadsrapport d.d. 14 mei 2001;
-
klachtschrift van klager aan de Raad d.dl. 23 juni 2001.

Ter zitting heeft klager desgevraagd de beslissing van de rechtbank d.d. ii juni 2001 aan de klachtencommissie overgelegd.

De inhoud van bovengenoemde stukken dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.

DE KLACHT

De klacht die bij de klachtencommissie is ingediend heeft betrekking op het door de Raad uitgebracht rapport inzake omgang met zijn zoon Z1992.
De klacht is onder verdeeld in 11 klachtpunten.

DE ONTVANKELIJKHEID

De klachtencommissie overweegt dat de klacht binnen de daartoe gestelde termijn is ingediend en betrekking heeft op een aangelegenheid die bij de Raad in behandeling is en waarbij klager als belanghebbende is betrokken. Op grond daarvan acht de commissie klager ontvankelijk in zijn klachten.

DE BEHANDELING TER ZITTING

De mondelinge behandeling van de klacht heeft ter zitting plaats gevonden op ii december 2001. Bij de hoorzitting waren aanwezig klager vergezeld van de adviseur. Van de zijde van de Raad was verweerder, aanwezig, alsmede mevrouw Gggg, de nieuwe directie-secretaris.

Zakelijk weergegeven en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht is ter zitting het volgende naar voren gebracht.

Na opening van de klachtbehandeling vraagt de voorzitter naar de laatste beschikking van de Rechtbank, waarna klager deze beslissing aan de voorzitter overhandigt.
De voorzitter stelt voor de klachtonderdelen puntsgewijs aan de orde te stellen. Klager stemt hiermee in.

Klachtpunt 1: de omschrijving van de aanleiding en de op die aanleiding gebaseerde onderzoeksvragen zijn te vaag.
Klager: De Raad had de onderzoeksvragen meer moeten specificeren zoals in de overweging van de rechtbank ( beschikking dd. 5 september 2000) is overwogen.
De verweerder: Er is al een zaak aan voorafgegaan en er liggen rapporten van eerdere zaken. Deze zaak is een tussenstap in het hele proces. Voor de Rechtbank moet het rapport echter voldoende duidelijk zijn, aangezien de rechtbank de opdracht heeft gegeven.

Klachtpunt 2: In het hoofdstuk "Informatie verkregen uit het gesprek met vader" wordt de essentie van de informatie weggemoffeld in een schijnbare polemiek over de kosten.
Klager: de moeder heeft een schijnprocedure in het leven geroepen over de betaling van de kosten bij het ABJ. Zij chanteert en tracht de zaak te traineren, terwijl er geld genoeg is en geld geen probleem hoeft te vormen. Hij heeft inmiddels al twee en half jaar geen omgang met zijn zoontje.
De adviseur: De Raad is niet zakelijk te werk gegaan en aan moeder ruimte tot discussie gegeven en de financiële kwestie uitgesponnen. De eigen vragen van de Raad worden niet beantwoord.
De verweerder: ik heb er geen zicht op of moeder geld heeft. Het ABJ was ervoor om de omgangsregeling te begeleiden.
De Raad heeft zich beperkt tot mededelingen over het verloop van het traject bij het ABJ.

Klachtpunt 3: Enkele formuleringen zijn niet waardevrij.

Klachtpunt 4: In de sectie "Informatie verkregen uit het gesprek met moeder" wordt niet waardevrij gerapporteerd. Hierdoor wordt de indruk gewekt dat de Raad moeders stellingen onderschrijft.
De verweerder: De raadsonderzoeker heeft opgeschreven wat zij heeft geobserveerd. Ondanks een zakelijke rapportage moeten er ook voorbeelden worden gegeven. Een rapport kan niet geheel waardevrij zijn.
De adviseur: iedere keer wordt weer negatief over vader gerapporteerd.
Een van de commissieleden merkt op dat klager ook in het commentaar op het rapport had kunnen reageren.
Klager: hetgeen in het rapport staat vermeld heeft meer waarde voor de Rechtbank dan zijn reactie in een commentaar op het rapport.

Klachtpunt 5: In het hoofdstuk "Interpretatie onderzoekgegevens" worden niet essentiële aspecten betrokken waardoor de essentie wordt gecamoufleerd.
Op de vraag van de voorzitter wat de mening van het ABJ is antwoordt klager dat het ABJ niet met hem over de geldkwestie wil praten, echter wel met moeder. Hij handhaaft zijn standpunt dat het anders verwoord had moeten worden.

Klachtpunt 6: Vader wordt ten onrechte verantwoordelijk gesteld voor " bedreiging " en/of " strijd ".
Klager: hij strijdt voor zijn recht. Hij wil dat de beschikking van de rechtbank wordt nageleefd. Hij heeft strijd met de uitvoering van wetten en regels, niet met moeder. De maatschappij is verantwoordelijk, schept een cocon om de moeders.
De verweerder: Klager doet onverstandige dingen en dat roept strijd op. De Raad wil zich echter niet in deze strijd begeven.

Klachtpunt 7: Het feit dat geen advies aan de Rechtbank wordt gegeven, heeft geen causaal verband met het belang van Z1992.
Op de vraag van de voorzitter waarom de Raad de zaak niet heeft teruggegeven aan de rechtbank antwoordt verweerder dat zulks afhangt van de zaak; de rechter heeft in deze zaak heel lang geen beslissing genomen. De medewerkers van de Raad, Haarlem hebben geprobeerd om de druk van de ketel te halen, hetgeen voorstelbaar is, doch hetgeen niet heeft gewerkt. De Raad probeert een situatie te bewerkstelligen waardoor de strijd ophoudt. De Raad heeft de beleidsvrijheid om geen advies uit te brengen.

Klachtpunt 8: Vader krijgt ten onrechte te horen dat de zitting van 22 mei 2001 zou worden verdaagd.
Verweerder: het was verstandiger geweest als de Raadsonderzoeker eerst contact met hem had opgenomen. Bovendien heb ik de beslissing van Haarlem teniet gedaan.
Klager: hij zou wel een hartverlamming hebben kunnen krijgen van de schrik over uitstel.

Klachtpunt 9: De vertegenwoordiger van de Raad gaf tijdens de zitting mondeling een advies dat verder gaat dan het rapport.
Verweerder: in deze fase kunnen de Raad en de maatschappelijk werker niets nieuws verzinnen. Er is geen sprake van een oud/nieuw advies, maar een herhaling van de historie.
Klager: eerst zegt de Raad geen advies uit te brengen en ter zitting geeft de Raad toch een advies. Daartegen protesteert hij.

Klachtpunt 10: Het herhalen van dit oude Raadsadvies is bovendien contraproductief.
De adviseur: herhaling van adviezen leidt waarschijnlijk weer niet tot omgang. Dwandmaatregelen zouden wel effect kunnen hebben.

Klachtpunt 11: Het raadsonderzoek heeft te lang geduurd.
Klager: De Raad heeft veel te lang gewacht tot moeder contact opnam met de Raad naar aanleiding van de brief van het ABJ aan beide ouders.
Verweerder: hij geeft toe dat de zaak lang heeft geduurd, maar als de Raad de zin van klager had gevolgd had het nog langer geduurd voor het rapport uitkwam.

BEOORDELING VAN DE KLACHTEN

De klachtencommissie overweegt gelet op de ter beschikking staande stukken alsmede op de ter zitting naar voren gebrachte feiten en omstandigheden als volgt. Gezien de onderlinge samenhang van sommige klachten zal de klachtencommissie, waar zij dat gelet op de inhoud van de klachten aangewezen en duidelijk acht, meerdere klachten tezamen beoordelen.

Klachtpunt 1: De commissie splitst dit klachtpunt in:
a. de omschrijving van de aanleiding van het onderzoek
b. inhoud van de onderzoeksvragen
c. het vooraf bespreken van de onderzoeksvragen

ad la: Het feit dat er meer rapporten over de omgangsregeling in deze zaak zijn uitgebracht wil naar het oordeel van de commissie niet zeggen dat de Raad kan volstaan met een summiere omschrijving van de aanleiding van het onderzoek zonder daarbij te verwijzen naar voorafgaande rapporten. Ieder rapport op zich moet voor iedereen te begrijpen zijn. Het komt de commissie voor dat klager terecht hierover klaagt. Dit onderdeel van klachtpunt 1 is dan ook gegrond.

ad lb: Naar het oordeel van de commissie sluiten de onderzoeksvragen niet voldoende aan bij hetgeen de rechtbank in zijn beschikking d.d. 5 september 2000 heeft overwogen. De commissie is evenwel van mening dat een taalkundig verschil van interpretatie tussen "traject" en "bevindingen" mogelijk is, maar inhoudelijk niet zo veel van elkaar verschilt dat er sprake is van een discrepantie. Dit klachtpunt is ongegrond.

ad lc: Dit klachtonderdeel is door verweerder gegrond verklaard en derhalve niet ter beoordeling van de commissie.

Klachtpunt 2: De commissie komt tot het oordeel dat deze klacht ongegrond is. De behandeling bij het ABJ werd niet gestart alvorens de betaling van de kosten geregeld was. Zulks is een zaak van het ABJ. Uit het zittingsverslag d.d. 5 september 2000 blijkt dat moeder zich bereid had verklaard te betalen. Dat moeder vervolgens de financiële kwestie heeft aangegrepen om de voortgang van de zaak te boycotten is naar het oordeel van de commissie dan ook terecht in het rapport vermeld, zij het misschien iets teveel uitgesponnen.

Klachtpunten 3 en 4: Vooropgesteld zij dat klager middels zijn commentaar op het rapport de mogelijkheid heeft gehad gewenste correcties in het rapport voor te stellen. Wat voor belang de Rechtbank daaraan hecht is geen zaak van de Raad. Een ieder geeft zijn eigen interpretatie aan een tekst. Het is de commissie bij zorgvuldige lezing niet gebleken dat er in de informatie "uit het gesprek met vader" en "uit het gesprek met moeder" onevenwichtigheden voorkomen. Deze klachtpunten zijn derhalve ongegrond.

Klachtpunt 5: Dit klachtpunt is nauw verweven met klachtpunt 2 en is eveneens ongegrond. Volgens klager leiden vage onderzoeksvragen tot vage rapportage maar van afwijking van de gestelde vragen is de commissie niet gebleken.

Klachtpunt 6: Het is de commissie duidelijk dat de verhouding tussen klager en moeder ernstig is verstoord. De Raad heeft, zo anders dan klager meent, zich niet uitgelaten over de mate van verantwoordelijkheid van een van de ouders voor de verstoorde relatie. Dit klachtpunt is ongegrond.

Klachtpunt 7: Met de Raad is de commissie van mening dat het tot de beleidsvrijheid van de Raad behoort om zich te onthouden van een bepaald advies aan de Rechtbank. Dit klachtpunt is derhalve ongegrond. De Raad heeft wel gezegd dat de mogelijkheid had bestaan om de zaak eventueel terug te geven aan de Rechtbank.

Klachtpunt 8: Met de Raad is de commissie van oordeel dat de grond van deze klacht is komen te vervallen. De zitting is immers toch doorgegaan. In zoverre is het klachtpunt ongegrond. De commissie kan zich evenwel voorstellen dat de wijze waarop dit is gebeurd enigzins verwarringwekkend op klager is overgekomen. In zoverre is het klachtpunt gegrond.

Klachtpunten 9 en 10: Gelet op het wettelijk recht op omgang kan de Raad niet anders dan omgang aanbevelen. Het is dan ook, gelet op de historie van de onderhavige zaak, voorstelbaar dat de raadsonderzoeker in de toekomst alleen mogelijkheid ziet in begeleide omgang. Dat dit advies overeenkomt met een eerder uitgebracht advies en strijdig lijkt met het uitbrengen van geen advies nu doet daaraan niet af en is de raadsvertegenwoordiger niet te verwijten. Beide klachtpunten zijn ongegrond.

Klachtpunt 11: De brief van het ABJ is aan beide ouders, als opdrachtgevers gericht, zodat de Raad terecht heeft gewacht op de toestemming van moeder. In zoverre is dit klachtpunt ongegrond. Het wachten op de toestemming van moeder heeft echter te lang geduurd. De Raad had naar het oordeel van de commissie moeder terzake een ultimatum moeten stellen gelet op de vertragende invloed die moeder in het verleden in de zaak heeft uitgeoefend. In zoverre is dit klachtpunt gegrond.

BESLISSING De klachtencommissie verklaart:
klachtpunt 1 a: gegrond ; 1 b: ongegrond;
klachtpunt 2 ongegrond;
klachtpunten 3 en 4: ongegrond;
klachtpunt 5 ongegrond;
klachtpunt 6 ongegrond;
klachtpunt 7 ongegrond ;
klachtpunt 8 deels ongegrond, deels gegrond ;
klachtpunten 9 en 10: ongegrond;
klachtpunt 11: deels ongegrond, deels gegrond

 

Aldus beslist op ii december 2001 te Amsterdam door Klachtencommissie III bestaande uit:
mw. mr Aaaa, voorzitter;
mw. mr Bbbb, lid
mw. drs Cccc, lid
bijgestaan door mw. mr Dddd, secretaris

Voor eensluidend afschrift conform, handtekening, secretaris.
De klachtencommissie geeft door middel van een afschrift van deze beslissing kennis aan:
- klager
- de Raad, vestiging Haarlem
- de Directie Noord-West
- de Minister van Justitie.
De beslissing is verzonden op: ii februari 2002.