RVK0201

 

Inleiding.
Door warrige communicatie tussen RvK, PRO (Omgangshuis) en Fora ging elk van deze instanties er als vanzelf vanuit dat er ontzeggingsgronden zouden zijn tegen omgang, of dat men die anders wel zou gaan zoeken, zo vreesde klager.
De klachtencommisie bevestigt dat de communicatie slecht was, maar wijt vertraging en ander ongemak aan de opstelling van moeder en aan de eigen bevoegdheden van de betrokken instanties.
Opmerkelijk is, dat de klachtencommissie zich niet bevoegd acht om te oordelen over een beleidsbeslissing van de RvK. Daardoor verkrijgt de RvK immers de vrijbrief om netelige kwesties a.h.w. met geweld, ofwel per beleidsbeslissing, af te doen.

 

-- -------------- ------------------- ------------------ ----

 

Ministerie van Justitie
Klachtencommissie IV
Raad voor de Kinderbescherming, Directie Zuid-West
Postadres Postbus 28. 3000 AA Rotterdam

 

BESLISSING
van Klachtencommissie IV inzake de klachten van de heer Pppp, wonende te Dddd verder te noemen klager
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming,vestiging Den Haag, Directie Zuid-West, verder te noemen de Raad.

 

VERLOOP VAN DE KLACHTPROCEDURE
Op ii september 2001 legt klager zijn klachten schriftelijk voor aan de Directie Zuid-West; de ontvangst van deze klachten is hem bij brief d.d. ii september 2001 bevestigd. Op ii oktober 2001 geeft mw drs Wwww, unitmanager, schriftelijk antwoord op de klachten, waarna klager bij schrijven d.d. ii oktober 2001 verzoekt om behandeling van zijn klachten door de Directie. Op ii oktober 2001 is klager schriftelijk uitgenodigd om zijn klachten op ii november 2001 met de directeur te komen bespreken.
Daar klager zich op het standpunt stelt dat zo de voorgeschreven beoordelingstermijn van acht weken na de ontvangstbevestiging wordt overschreden, dient hij de klachten op ii november 2001 schriftelijk rechtstreeks in bij de klachtencommissie.

DE BEHANDELING TER ZITTING
De zitting voor de mondelinge behandeling van de klachten heeft plaatsgevonden op ii december 2001. Hierbij was klager aanwezig, bijgestaan door de heer Kkkk als vertrouwenspersoon. De Raad was vertegenwoordigd door drs. Tttt, adjunct-directeur.

Zakelijk weergegeven en voor zover van belang voor de beoordeling van de klachten is ter zitting het volgende aan de orde gesteld.

Na opening van de klachtbehandeling geef de voorzitter aan dat allereerst beoordeeld zal dienen te worden of klager ontvankelijk is in zijn klachten.
Klager brengt hierop naar voren dat hij zich op de desbetreffende wettelijke regeling beroept, die voorschrijft dat de directeur binnen acht weken na de bevestiging van de ontvangst van de klachten een beslissing neemt. Doet de directeur dit niet, dan kunnen de klachten rechtstreeks bij de klachtencommissie worden ingediend.

De heer Tttt deelt mede dat binnen de Raad als totaal het volgende is besloten: bij de behandeling van door de directeur te beoordelen klachten wordt ermee begonnen dat de unitmanager op vestigingsniveau probeert tot een oplossing te komen. Gebleken is dat veel klachten in een dergelijke voorfase kunnen worden opgelost en een beoordeling door de directie niet meer nodig is. Lukt de poging van de unitmanager niet, dan kan de klacht alsnog worden beoordeeld door de directeur. Bij het Hoofdkantoor van de Raad is informeel afgesproken dat de termijn van acht weken waarbinnen beoordeeld moet worden pas ingaat nadat de klacht is doorgestuurd naar de directeur. Formeel is het juist dat deze werkwijze niet conform de voorschriften van de beklagregeling is.

De voorzitter vraagt of de Raad aan klager informatie verstrekt heeft over een zodanig voorgenomen traject van klachtbehandeling? De heer Tttt antwoordt dat dit niet bet geval is en dat in de brief d.d. ii november 2001 van de directeur ook betreurd wordt dat er dienaangaande met klager geen communicatie heeft plaatsgevonden.
Hierop schorst de voorzitter voor korte tijd de zitting voor intern beraad binnen de commissie.
Na afloop van de schorsing wordt aan klager en Raad medegedeeld dat de commissie klager ontvankelijk acht.

DE ONTVANKELIJKHEID
De klachtencommissie overweegt dat de klachten, nadat deze waren voorgelegd aan de Directie Zuid-West, niet binnen de daartoe gestelde termijn door een directielid zijn beoordeeld en na afloop van deze termijn rechtstreeks door klager bij de commissie zijn ingediend. Artikel 4 lid 2. van de beklagregeling biedt klager hiertoe de mogelijkheid omdat de klacht zich richt tegen een gedraging van de directeur van de raad, daaruit bestaande dat de schriftelijke klacht van klager niet op de juiste wijze en binnen de daartoe gestelde termijn door de directeur in behandeling is genomen.
De klachten hebben voorts betrekking op een aangelegenheid die bij de raad in behandeling is en klager is daarbij als belanghebbende betrokken. Op grond van bet vorenstaande is klager door de commissie ontvankelijk geoordeeld in zijn klachten, behoudens hetgeen onder BEOORDELING ten aanzien van Klacht 4 is weergegeven.

DE KLACHTEN
Vervolgens wordt overgegaan tot de behandeling van de klachten. De voorzitter geeft voorafgaand een opsomming van de stukken die de commissie ter beschikking staan; partijen geven te kennen eveneens over deze stukken te beschikken. Aansluitend wordt de inhoud van de te behandelen klachten weergegeven:

Klacht I
De Raad verzuimde het Project Rotterdams Omgangshuis (verder te noemen het PRO) te melden dat uit een eerder raadsonderzoek was gebleken dat er geen ontzeggingsgronden voor een omgang tussen klager en zijn dochter aanwezig zijn en dat de Raad heeft geadviseerd tot een voorlopige omgang.

Klacht 2
a) Duur van de onderzoeksaanvrage door de Raad aan FORA;
b) De Raad verzoekt FORA een omgangsregeling te begeleiden van 7 contacten met een frequentie van één maal in de drie weken.

Klacht 3
Zonder dat de rechtbank hierom heeft gevraagd besluit de Raad aan FORA te vragen een omgang te begeleiden en laat weer een onderzoek verrichten hoe die contacten verlopen en op die manier weer naar de vraag of er ontzeggingsgronden aanwezig zijn.

Klacht 4
De Raad had, nadat bet PRO de omgang weigerde te starten, de zaak terug moeten sturen naar de rechter.

Klacht 5
Door het handelen van de Raad heeft 31 weken na de terechtzitting nog steeds geen omgang plaatsgevonden.

Als aan klager gelegenheid wordt geboden de klachten rnondeling toe te lichten, antwoordt hij dat hij eerst de reactie van de heer Tttt wil vernemen en daarna waar nodig een toelichting zal geven.

Ad Klacht 1
De heer Tttt deelt mede dat er in deze zaak door de Raad geen belemmering was geconstateerd die een omgangsregeling in de weg stond.
Het PRO is in het arrondissement Rotterdam ontstaan om een veilige omgeving te bieden indien er omgang plaats moet vinden. Ook vanuit andere arrondissementenkan er van deze voorziening gebruik worden gemaakt. Uitgangspunt daarbij is dat cliënten zelf het initiatief moeten nemen om met het PRO tot afspraken te komen.
In de beslissing van ii mei 2001, naar aanleiding van klagers eerdere klachten, is al aangegeven dat mevrouw Vvvv namens de Raad aan het PRO op geen enkele wijze heeft gesteld c.q. gesuggereerd om de omgangsregeling niet te laten plaatsvinden. Wél heeft mevrouw Vvvv gesteld dat er een verzoek voor een aanvullend onderzoek bij bet ABJ was ingediend. Dit vormde voor bet PRO een reden om zich terug te trekken; bet PRO heeft een eigen bevoegdheid tot bet nemen van een dergelijke beslissing.

Ad Klachten 2 en 3
Het versturen door de Raad van de onderzoeksvragen aan FORA heeft door verschillende oorzaken vertraging opgelopen.
Enerzijds was er de vraag van moeder om toelichting te krijgen op een gegrondverklaarde eerdere klacht van klager, welke beslissing aan het raadsrapport was gehecht. Moeder wilde hier eerst duidelijkheid over voordat zij toestemming zou geven voor afgifte door de Raad van relevante stukken aan FORA. Hierdoor is pas op ii juni 2001 de door de moeder ondertekende schriftelijke verklaring door de Raad ontvangen.
Anderzijds had het PRO zich teruggetrokken voor de omgangsuitvoering, om welke reden daarna door de Raad aan FORA is verzocht cm therapeutische omgangsbegeleiding mogelijk te maken. De Raad wilde hiermee bewerkstelligen dat er, overeenkomstig de wens van klager, zo spoedig mogelijk omgang plaats zou vinden nu het PRO deze mogelijkheid niet bood.

Ad Klacht 4
De Raad was ervan overtuigd dat er omgang op gang moest komen. Naar het oordeel van de Raad was het niet in bet belang van klager en de minderjarige om de zaak naar de rechtbank terug te verwijzen.

Ad Klacht 5
Het spijt ook de Raad dat er door alles wat er gebeurd is nog steeds geen omgang is geweest.

Hierna krijgt klager het woord.

Hij brengt m.b.t. Klacht 1 naar voren dat hij op grond van de terechtzitting op ii februari 2001 begrepen had dat de eerste afspraak met bet PRO vanuit de Raad geregeld zou worden. Pas later bleek dat dit door de ouders zelf geregeld moest worden. Er is echter wel contact geweest tussen PRO en de Raad, waarna het PRO besloten heeft zich terug te trekken.
De klacht behelst dat de Raad aan bet PRO onvoldoende informatie heeft gegeven en ook niet heeft duidelijk gemaakt dat er geen ontzeggingsgronden voor de omgangsregeling aanwezig waren.

M.b.t. de Klachten 2 en 3 wordt door hem gesteld dat door de opstelling van de Raad erg veel tijd verloren is gegaan. Klager had kanttekeningen bij de onderzoeksvragen aan FORA: naar zijn mening leiden die vragen er toe dat opnieuw onderzocht zou worden of er wellicht ontzeggingsgronden aanwezig waren. Terwijl het voorgaande raadsonderzoek had aangetoond dat daar geen sprake van was.
Verder was de ruimte bij FORA waar de omgang met zijn dochter plaats moest vinden bijzonder onaantrekkelijk en kindonvriendelijk. Bovendien was de ruimte voorzien van allerlei camera's en video-apparatuur. Het onderzoek zou heel lang gaan duren. Alles bij elkaar genomen heeft klager op ii september 2001 de Raad verzocht per omgaande het dossier te sluiten en de Rechtbank met spoed te verzoeken de zitting te heropenen opdat de rechter zelf een besluit kan nemen.

Klager deelt mede dat de Klachten 4 en 5 voor zich spreken. Daar heeft hij niets aan toe te voegen.
Er rest hem nog één vraag: zou het mogelijk zijn dat de beslissing van de klachtencommissie vóór ii februari 2002 (datum nieuwe terechtzitting) in zijn bezit is? Deze vraag wordt door de voorzitter in overleg met de secretaris positief beantwoord. Hierop wordt de klachtbehandeling afgesloten.

DE BEOORDELING
Op grond van de ter beschikking staande stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht overweegt de commissie het volgende.

Klacht 1
Hoewel de inhoud van het contact tussen het PRO en de Raad niet bekend is en daarmee ook niet duidelijk is geworden of de Raad met zoveel woorden aan bet PRO heeft medegedeeld dat uit het raadsonderzoek niet is gebleken dat er belemmeringen waren voor een omgangsregeling, treft de Raad ten deze naar het oordeel van de commissie geen verwijt. Het PRO heef op grond van interne beleidsregels besloten eerst de uitslag van het FORA onderzoek af te wachten alvorens met de omgang verder te gaan. Dit was een zelfstandige beslissing van het PRO, waar de Raad geen invloed op uit kan oefenen.
Op grond van bet bovenstaande oordeelt de commissie deze klacht ongegrond.

Klacht 2.a
Vertraging van de onderzoeksaanvrage aan FORA is grotendeels hen gevolg geweest van de opstelling van de moeder. Dit kan de Raad niet worden verweten. Ook deze klacht wordt door de commissie ongegrond geoordeeld.

Klachten 2.b en 3
Er is een nauwe samenhang tussen deze twee klachten, die door de commissie gekenmerkt worden door een gemis aan communicatie vanuit de Raad jegens klager. Door gebrek aan uitleg van de kant van de Raad zijn er veel onduidelijkheden ontstaan. Een voorbeeld hiervan is dat in de ontvangstbevestiging d.d. ii september 2001 door de heer Tttt niet aangegeven wordt dat de klachten eerst schriftelijk worden behandeld en dat daardoor de beoordelingstermijn zal worden verlengd.
Een ander voorbeeld is dat door de Raad niet aan klager is verklaard dat de vraagstelling aan FORA een combinatie was geworden van het -inmiddels afgewezen - verzoek aan het PRO (op gang brengen van de omgangsregeling) en de onderzoeksopdracht aan FORA (bezien of omgang in bet belang van het kind is).
De commissie acht het voorstelbaar dat door het verstrekken van onvoldoende informatie door de Raad bij klager de indruk heeft kunnen ontstaan dat er door FORA opnieuw naar ontzeggingsgronden zou worden gezocht.
De commissie oordeelt deze klachten gegrond.

Klacht 4
De klachtencommissie beschouwt het door de Raad niet terugsturen van de zaak naar de rechtbank als een beleidsbeslissing waarover de klachtencommissie niet bevoegd is te oordelen. Dit leidt er toe dat klager niet ontvankelijk is in deze klacht.

Klacht 5
De lange duur van de onderzoeksaanvrage aan FORA en het verdere verloop is een gevolg geweest van de omstandigheden waarmee de Raad werd geconfronteerd. Van het niet op gang komen van de omgang treft de Raad naar het oordeel van de commissie geen verwijt zodat dit leidt tot ongegrondheid van deze klacht.

BESLISSING
De Klachten 1, 2a en 5 zijn ongegrond,
de Klachten 2b en 3 zijn gegrond en
klacht 4 is niet ontvankelijk.

Aldus beslist op ii december 2001 te Dordrecht door Klacht was samengesteld:
mr Mmmm - voorzitter
mr Ssss - lid
mr. Mmmm- lid
bijgestaan door mr Bbbb, secretaris.

W.g. voorzitter


Voor eensluidend afschrift conform,

De klachtencommissie geeft door middel van een afschrift kennis van deze beslissing aan:

Klager
De Raad voor de Kinderbescberming,
Directie Zuid-West De Minister van Justitie

De beslissing is verzonden op ii-01-2002