RVK01122
Inleiding.
Onderstaande beslissing
van de Klachtencommisie RvK bevat een gebrekkige weergave van de gewisselde
argumenten, doordat klacht- en verweerschrift, en de beslissing in eerste
aanleg niet worden geciteerd. Juist omdat deze zaak werd ontsierd door een
venijnige incest-hetze, was het cruciaal dat de raadsmedewerkers consciëntieus
en zuiver te werk zouden gaan. Het eindrapport voldeed niet aan deze vereiste.
Het klachtschrift was tegen de door de raadsmedewerkers gehanteerde methodologie
gericht, alsook tegen het ontbreken, in het rapport, van de onderzoeksvragen
zoals die door de rapporteurs hadden moeten zijn geformuleerd - tegen het
ontbreken van de verplichte vertaling van het verzoek van de rechter dus.
Door dat gemis was niet objectief na te gaan, en dus aan discussie onderhevig,
of het beleid van de Rechter wel werd gerespecteerd en gevolgd.
In casu oordeelde de Klachtencommissie dat het achterwege laten van de onderzoeksvragen
geen schending van de (oude) regels in Normen II opeverde.
De motivatie bij deze beslissing en de manier waarop de kritiek op de gehanteerde
methodologie werd weerlegd, zijn voor klager onbevredigend. Hij heeft zich
derhalve tot Nationale Ombudsman gewend.
-------------------------
Ministerie van Justitie
Klachtencommissie IV
Raad voor de Kinderbescherming, Directie Zuid-West
Postadres postbus 28, 3000 AA Rotterdam
BESLISSING van Klachtencommissie IV inzake de klacht van de heer Kkkkk, wonende te Gggg, verder te noemen klager , tegen de Raad voor de Kinderbescherming, Directie Zuid-West, vestiging Den Haag, verder te noemen de Raad.
VERLOOP VAN DE KLACHTPROCEDURE
Bij schrijven d.d. ii augustus 2001 heeft klager bij de klachtencommissie
beroep aangetekend tegen de beslissing die de directeur Eeeee op ii juli 2001
heeft genomen naar aanleiding van klagers klachtschrift, dat door de directeur
op ii juni 2001 was ontvangen. Eerder was de klacht schriftelijk beantwoord
door de unitmanager mevrouw Uuuuu, maar klager achtte dit geen correcte respons
op zijn klacht.
In zijn beslissing is de klacht door de directeur verdeeld in vijf klachtonderdelen, waarvan er één gegrond, drie ongegrond en één niet ontvankelijk is geoordeeld.
De stukken die de
klachtencommissie ter beschikking staan zijn de volgende:
- klachtschrift aan de directeur, bij schrijven d.d. ii mei 2001 toegezonden;
- schriftelijke reactie op de klacht door de unitmanager mevrouw Uuuuu d.d.
ii mei 2001, door klager van annotaties voorzien;
- schriftelijke beslissing op de klacht door de directeur de heer Eeeee d.d.
ii juli 2001, door klager van annotaties voorzien; - raadsrapport, uitgebracht
ii november 2000;
- beschikking Rb Den Haag, d.d. ii mei 2000; - beschikking Rb Den Haag d.d.
ii juli 2000;
- chronologische opsomming door klager van feitelijke gebeurtenissen.
DE ONTVANKELIJKHEID
De klachtencommissie overweegt dat de klacht binnen de daartoe gestelde termijn
bij de commissie is ingediend en betrekking heeft op een aangelegenheid die
bij de raad in behandeling is (geweest) en waarbij klager als belanghebbende
is betrokken. Op grond hiervan is klager ontvankelijk in zijn klacht, met
uitzondering van het in de beoordeling gestelde.
DE BEHANDELING TER
ZITTING
De zitting voor de mondelinge behandeling was aanvankelijk vastgesteld op
ii september 2001, maar kon wegens verhindering van klager op die datum geen
doorgang vinden en is om die reden uitgesteld tot ii oktober 2001. Ter zitting
aanwezig waren: klager, bijgestaan door de heer Rrrr (adviseur); de Raad was
vertegenwoordigd door de heer Eeeee (directeur) en mevrouw Ddddd (juridisch
medewerker).
Zakelijk weergegeven en voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht is het volgende aan de orde gesteld.
De voorzitter brengt
naar voren dat het klachtonderdeel dat door de directeur gegrond is geoordeeld
thans buiten beschouwing zal blijven. Er blijven derhalve vier onderdelen
ter behandeling over:
1. De datering van elk voorval ontbreekt in het rapport, waardoor interpreteren
niet mogelijk is.
2. De door de raad geformuleerde vraagstelling is niet opgenomen in het rapport,
waardoor Normen 2000 is geschonden.
3. De Raad heeft ten onrechte geen rekening gehouden met het PAS-syndroom
c.q. het PAS syndroom niet opgenomen in het rapport, terwijl informatie hierover
door klager aan de raadsonderzoeker was verstrekt.
4. De methodologie die de Raad hanteert is in strijd met de wet. Aan betrokkenen
wordt gelegenheid gegeven de klachtonderdelen mondeling toe te lichten.
Ad klachtonderdeel 1.
De heer Rrrr brengt als opmerking vooraf naar voren dat in de door klager opgestelde chronologische opsomming van feitelijke gebeurtenissen niet is opgenomen dat de moeder in 1997 een zelfmoordpoging heeft gedaan. Door de gehanteerde wijze van rapporteren heeft de Raad zich in dit onderzoek schuldig gemaakt aan selectiviteit van bevindingen.
Klager licht toe dat hij een juiste datering van de in het raadsrapport weergegeven feiten van groot belang acht omdat dit de gebeurtenissen in tijdsverloop op een rij zet en oorzaak en gevolg inzichtelijk maakt. Door dit achterwege te laten is de Raad nalatig geweest in het naleven van hetgeen hierover in Normen II is gesteld.
De heer Eeeee stelt dat een datering van de in het onderzoek aangehaalde gebeurtenissen niet onmisbaar is voor de leesbaarheid van het rapport. Normen II schrijft voor dat aangegeven dient te worden uit welke in de rapportage vermelde gegevens de conclusies worden getrokken en welke overwegingen hieraan ten grondslag hebben gelegen; een datering is niet vereist.
Ad klachtonderdeel
2.
Klager: Normen II geeft een
minimumeis ten aanzien van de vraagstelling. Zonder vermelding van de vraagstelling
is echter niet voldaan aan het uitgangspunt "Als de Raad een onderzoek instelt
dienen ouder(s) en kind(eren) vanaf het begin te weten wat het doel van het
onderzoek is en wat zij, gezien de taken en de bevoegdheden van de Raad, kunnen
verwachten." (Algemene Beleidsaanwijzingen).
De heer Rrrr vult aan dat er eigenlijk er niet zo veel verschil is tussen Normen II en Normen 2000: zonder vermelding van de vraagstelling wordt een onderzoek richtingloos.
De heer Eeeee erkent dat, hoewel niet vereist volgens Normen II, het met het oog op de duidelijkheid in deze zaak beter zou zijn geweest als de vraagstelling in het rapport was opgenomen.
Ad klachtonderdeel
3.
Klager: ontegenzeggelijk is dat de lange duur van het onderzoek zeer negatieve
gevolgen heeft bewerkstelligd. In het rapport is op geen enkele manier terug
te vinden dat er rekening is gehouden met het PAS-syndroom en dat dit in de
conclusie is meegewogen. Dit terwijl er thans jurisprudentie bestaat waarin
het syndroom wel degelijk een rol speelt.
De heer Rrrr: het feit dat dit niet in het rapport is opgenomen maakt de onderzoekswijze van de Raad klachtwaardig. Het PAS-syndroom is inmiddels internationaal aangenomen, wordt bijvoorbeeld in Amerika veelvuldig gehanteerd en ook hier door het Europese Hof erkend.
De heer van Egmond: het is de Raad niet toegestaan gebruik te maken van aanduidingen en begrippen uit de psychiatrie. Het PAS-syndroom als zodanig vindt nog geen wereldwijde erkenning. Beleidsmatig is het echter wel meegewogen binnen het kader van dit onderzoek.
Ad klachtonderdeel 4.
Klager: bij dit klachtonderdeel is het mij te doen om de interpretatie van het verzoek van de rechtbank. Ik ga er van uit dat de inhoud van de beschikking waarin dit verzoek gesteld is, omgangsgericht is. Het recht op omgang staat immers wettelijk vast- De Raad heeft het verzoek echter anders geïnterpreteerd namelijk door als uitgangspunt te nemen de vraag of omgang mogelijk is. Dit komt op mij onjuist over.
De heer Rrrr: de Raad wordt door de rechtbank op het spoor van de omgang gezet en dit dient te worden gerespecteerd.
De heer Eeeee: klager is in dit klachtonderdeel door mij niet ontvankelijk verklaard omdat het hier een interpretatie van een beschikking van de rechtbank betreft.
Aan klager wordt door de voorzitter gevraagd of naar zijn mening de klachtonderdelen voldoende zijn toegelicht en of hij ter afsluiting nog een opmerking wil maken. Klager acht de klachtonderdelen voldoende besproken en wil nog naar voren brengen dat alles wat er gebeurd is hem emotioneel zeer heeft geraakt. Nadat de voorzitter gezegd heeft dat de klachtencommissie begrip heeft voor de situatie waarin klager verkeert, wordt de klachtbehandeling afgesloten.
DE BEOORDELING VAN DE KLACHT
Op grond van de ter beschikking staande stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht overweegt de commissie dat zij zich in haar beoordeling van de klachtonderdelen 1., 2. en 3. -met overneming van de motivering- kan verenigen met de beslissing van de directeur dienaangaande, inhoudende dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn.
Met betrekking tot klachtonderdeel 2. heeft de directeur weliswaar erkend dat het beter zou zijn geweest als de vraagstelling was opgenomen in het rapport, maar daar dit niet dwingend is voorgeschreven in Normen II kan dit niet leiden tot gegrondheid van dit klachtonderdeel.
In klachtonderdeel 4. kan klager door de klachtencommissie niet worden ontvangen daar het niet aan de commissie is opgedragen om te oordelen over een interpretatie van een rechterlijke beschikking door de Raad.
BESLISSING
De klachtonderdelen 1., 2. en 3. zijn ongegrond; in klachtonderdeel 4. is klager niet ontvankelijk.
Aldus beslist op ii
oktober 2001 te Den Haag door Klachtencommissie IV, die als volgt was samengesteld:
Mr Wwwww - voorzitter
Mr Vvvv - lid
Drs Sssss - lid
bijgestaan door mr Bbbbb, secretaris.
De klachtencommissie
geeft door middel van een afschrift kennis van deze beslissing aan:
Klager
De Raad voor de Kinderbescherming, Directie Zuid-West
De Minister van Justitie
De beslissing is verzonden
op ii 12-2001