RVK01121

Inleiding.

Volgens deze beslissing van de Klachtencommisie RvK kan de voorgeschreven vertaling van het verzoek van de Rechter naar eigen onderzoeksvragen door de raadsmedewerkers, komen te vervallen wanneer deze laatste een onderzoek uitbesteden.
Althans: dat is de grond waarop de klacht hierover blijkbaar werd afgewezen (hoewel de motivatie niet erg helder is). Klachten over de zwakke onderbouwing van conclusies die de onderzoekers trokken, en het niet stroken met de wet van de onderzoeksopzet, werden afgewezen.
Evenzo de klacht over een overbodig advies met betrekking tot de wettelijke informatieplicht. De klager in deze zaak werd (vals) beschuldigd van incest en stuit, onder andere als gevolg daarvan, niet alleen op problemen met de omgang, maar ook met de informatieplicht.
Het informatie-advies blijkt dus wel degelijk overbodig (en onwerkzaam).
Klager heeft zijn klachten inmiddels aan de Nationale Ombudsman voorgelegd.

-------------------------

Klachtencommissie I

De raad voor de kinderbescherming, Directie Noord

BESLISSING VAN DE KLACHTENCOMMISSIE I in de ingediende klachten van

de heer Kkkkk, wonende te Uuuu,

verder te noemen klager
tegen

de raad voor de kinderbescherming, vestiging Groningen, verder te noemen de raad.

1. HET VERLOOP

Pas op ii oktober 2001, door een vertraging bij PTT Post heeft de klachtencommissie van klager een klaagschrift dd. ii september 2001 ontvangen waarbij een klacht wordt ingediend tegen de beslissing van de adjunct-directeur van de raad voor de kinderbescherming, Directie Noord, de heer drs. Hhhhh van ii september 2001 op zijn op ii juni 2001 en ii augustus 2001 ingediende klachten.

De klachtencommissie beschikt over de volgende van belang zijnde stukken:

- brief dd. ii juni 2001 van klager aan de Directie Noord;

- brief dd. ii augustus 2001 van klager en zijn vader aan de ressortdirecteur van de Directie Noord en klachtschrift van klager;
- beslissing van de adjunct-directeur van ii september 2001;
- klaagschrift van klager dd. ii september 2001 aan de klachtencommissie, met als bijlage: appélschrift op de beslissing dd. ii september 2001;
- raadsrapport uitgebracht op ii oktober 200 1;
- brief dd. iioktober 2001 van klager aan de klachtencommissie met als bijlagen: concept psychologisch onderzoek dd. ii maart 200 1; brief dd. ii maart 2001 van klager aan GGz; psychologisch onderzoek GGz Groningen dd. ii april 2001; bricf dd. ii november 2001 van klager aan de klachtencommissie met als bij lagen een beknopte chronologie en aanvullende gegevens.

Ter zitting is nog overgelegd een beschikking van de rechtbank Groningen dd. ii februari 2000.

De inhoud van bovengenoemde stukken dient als hier ingevoegd te worden beschouwd. Ingevolge Burgelijk Wetboek (Boek 1; artikel 239, lid 5)

2. DE KLACHT

Klager heeft de volgende vijf klachtonderdelen ingediend:
1. De vertaalslag van het verzoek van de rechtbank naar onderzoeksvragen voor de raadsonderzoekers is achterwege gebleven.
2. De gegevens en interpretaties die tot de conclusie hebben geleid ontbreken en daarom is de conclusie onrechtmatig.
3. De raad is, wat betreft de interpretatie van het verzoek van de rechtbank, er ten onrechte van uitgegaan dat onderzocht diende te worden of partijen zich wel voor omgang konden kwalificeren.
4. Het door de raad adviseren tot het opleggen door de rechtbank van een informatieplichtjegens vader is onthullend overbodig omdat deze informatieplicht immers al in de wet is geregeld.
5. De raadsmedewerkers hebben in strijd met de voorschriften gerapporteerd aan de rechtbank terwijl een klacht aanhangig was.

De adjunct-directeur heeft in zijn beslissing van ii september 2001 de klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5 ongegrond verklaard en beslist dat klachtonderdeel 4 niet-ontvankelijk is.

3. DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE KLACHT

De klachtencommissie overweegt, dat de klacht binnen de gestelde termijn is ingediend en betrekking heeft op een bij de raad voor de kinderbescherming, vestiging Groningen in behandeling zijnde aangelegenheid waarbij klager als belanghebbende is betrokken.

Op grond hiervan is de commissie van oordeel, dat klager voor wat deze formele voorwaarden betreft in haar klacht ontvankelijk is.

4. BEHANDELING TER ZITTING

De klachtencommissie heeft op ii november 2001 klager, vergezeld door zijn vader de heer V. Kkkkk en belangenbehartiger de heer Rrrrr, alsmede de adjunct-directeur drs. Hhhhh en de juridisch medewerker van de Directie Noord, mevrouw mr. Zzzzz gehoord.

 

Zakelijk weergegeven en alleen voor zover in deze zaak van belang is ter zitting door de heer Rrrrr het volgende naar voren gebracht:

"Volgens Normen 2000 en Normen II moet in het raadsrapport worden vermeld wat de aanleiding voor het onderzoek was en welke onderzoeksvragen op basis daarvan werden vastgelegd. Deze vertaalslag heeft de Raad niet gemaakt. Het rapport moet voldoen aan Normen 2000. De Raad heeft de vertaling van het verzoek van de rechtbank achterwege gelaten en dat heeft de richtingloosheid van het rapport veroorzaakt.
Het advies is als 'enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een beslissing' te zien en komt daarom voor een klacht in aamnerking.

Het probleem is dat de Raad een deel van zijn verantwoordelijkheid heeft gedelegeerd aan het C.G.G.. Het C.G.G. is op een ander spoor gezet dan de rechtbank wenste. De vragen die de Raad aan het C.G.G. stelde waren alle gericht op ontzeggingsgronden die niet in de wet staan. De rechtbank heeft gezegd dat een deel van de vragen kon worden uitbesteed.

De vraag 'Hoe beleven de kinderen hun relatie met vader?" staat niet in de wet. Het is een onfatsoenlijke vraag. Anti-omgangsgericht. Dat is vragen om problemen.

De derde klacht borduurt voort op de verkeerde richting van het onderzoek.

In de wet staat dat 'er een informatieplicht is. Het advies tot het opleggen door de rechtbank van een informatieplicht is al in de wet geregeld. Zo'n advies is dan ook onthullend overbodig. Ik ken alleen artikel 377b boek I BW. Dat is wat ik in de wet kan vinden over het recht op informatie. Door dit soort adviezen van de raad over informatie wordt onduidelijkheid gecreëerd

Er is een uitspraak van de Nationale Ombudsman dat wanneer tijdens een raadsonderzoek een klacht wordt ingediend, de raad eerst de klacht moet afhandelen voordat hij gaat adviseren. Door klager is een klacht ingediend op het moment dat het conceptrapport er lag.
De crux is dat de raad het rapport niet had mogen opsturen. De raad had het rapport moeten vasthouden conform een eerdere beslissing van de Nationale Ombudsman.

De beide heren Kkkkk hebben de stellige opvatting met deze klacht het algemeen belang te dienen en willen hiermee niet hun gram halen."

 

De adjunct-directeur heeft - zakelijk weergegeven en alleen voor zover in deze zaak van belang - ter zitting opgemerkt:

"Zoals ik in mijn beslissing al heb aangegeven behoort het kijken naar de inhoud van de onderzoeksvragen niet tot de klachtprocedure omdat het niet gaat om een gedraging. Het gaat bij de betreffende onderzoeksvragen om een soort tussenbesluit in de afwerking van de procedure en behoort daarom niet tot de klachtprocedure. De raad heeft van klager geen afwijzing met betrekking tot de vragen van het C.G.G. gekregen.
De raadsonderzoeker neemt niet alleen een beslissing maar dat gebeurt in overleg met één of twee anderen en daar wordt de cliënt ook bij betrokken.

De beschlking van de rechtbank van ii februari 2000 laat weinig ruimte aan de raad. Uit het onderzoek van het C.G.G. kan de raad informatie halen met betrekking tot een omgangsregeling maar zo'n onderzoek leidt niet direct tot een contra-indicatie.

lk ben het met de heer Rrrrr eens dat de informatieplicht in de wet staat. Maar ook al staat het in de wet dan is het voor de ontvangende ouder vaak heel lastig om informatie te krijgen.

Het stuiten van een rechtbankprocedure door een klacht is mij niet bekend. Aan de rechter is het om te bepalen om een procedure aan te houden. De raad houdt zich aan de regel dat als er een klacht is ingediend zo snel mogelijk de rechtbank hiervan op de hoogte te stellen.

De Nationale Ombudsman adviseert de minister. Het is aan de minister om beleidsaanwijzingen te geven en niet de Nationale Ombudsman.

 

De juridisch medewerker van de raad heeft - zakelijk weergegeven en alleen voor zover in deze zaak van belang - ter zitting opgemerkt:

"De rechter kan ten aanzien van de informatieplicht ook iets bepalen. Het adviseren tot het opleggen van een informatieplicht is niet helemaal overbodig. Gelet op allerlei omstandigheden kan het misschien verstandig zijn aan te geven de informatieplicht zo in te kleden."

5. BEOORDELING VAN DE KLACHT

5.1. De klachtencommissie overweegt, gelet op de feiten en omstandigheden, welke haar schriftelijk en mondeling ter kemis zijn gebracht het volgende:

5.2. De rechtbank heeft in haar beslissing van 17 februari 2000 de raad verzocht op zo kort mogelijke termijn een psycho-diagnostisch onderzoek van de kinderen door het C.G.G. te doen uitvoeren. Daarbij heeft zij overwogen dat indien tijdens dat onderzoek mocht blijken dat er geen contra-indicaties bestaan ten aanzien van de omgangsregeling, de rechtbank dan van oordeel is dat de omgangsregeling tussen de man en de kinderen zo snel mogelijk dient te worden hervat door middel van proefcontacten, eventueel onder begeleiding van het C.C.G..
De commissie is van mening dat de vragen die de raad aan het C.G.G. heeft gegeven een duidelijke invulling zijn van hetgeen de rechtbank in zijn beschikking van 17 februari 2000 de raad heeft verzocht te doen onderzoeken. Aan de hand van de beantwoording van de onderzoeksvragen door het C.G.G. is de rechtbank in de gelegenheid gesteld om te beoordelen of één van de ontzeggingsgronden van artikel 377a lid 3 boek I BW aanwezig is.
Derhalve acht de commissie klachtonderdeel I ongegrond.

5.2. Naast hetgeen klager in klachtonderdeel 2 stelt heeft de raad in de visie van klager anti-omgangsregelingvragen geformuleerd. Ten aanzien van klachtonderdeel 2 is de commissie van mening dat klager ten onrechte stelt dat de gegevens en interpretaties die tot de conclusie, dat een omgangsregeling tussen de kinderen en klager moet worden afgewezen en dat moeder een informatie- en consultatieregeling wordt opgelegd, hebben geleid ontbreken. De onderzoeksvragen die het C.G.G. namens de raad heeft onderzocht kunnen niet als anti-omgangsregelingvragen worden gekwalificeerd met name daar de rechtbank het raadsrapport zal lezen met artikel 377a boek I BW in het achterhoofd.
De commissie acht derhalve klachtonderdeel 2 ongegrond.

5.3. Wat betreft klachtonderdeel 3 verwijst de commissie naar hetgeen zij ten aanzien van klachtonderdeel 2 heeft overwogen. Daamaast is de commissie van mening dat de raad het verzoek van de rechtbank aan hem, zoals bij 5.1. is weergegeven, niet anders heeft uitgelegd dan de rechtbank heeft bedoeld.
Derhalve acht de commissie klacht onderdeel 3 ongegrond.

5.4. Door geen van de partijen wordt bestreden dat in de wet een informatieplicht is vastgelegd. Echter klager stelt in klachtonderdeel 4 het onthullend overbodig te vinden dat de raad de rechtbank adviseert jegens hem zo'n reeds in de wet geregelde informatieplicht op te leggen.
De commissie is het met de opvatting van de raad eens dat ook al is de informatieplicht van de ouder die met het gezag is belast, in artikel 377b boek I BW geregeld, het niet overbodig is omtrent deze plicht te adviseren omdat dan gelijktijdig kan worden aangegeven hoe de informatieplicht wordt ingevuld. Bovendien merkt de commissie op dat de informatieplicht tot de moeder is gericht en niet als zijnde ten nadele van klager moet worden opgevat maar juist in zijn belang.
Derhalve acht de commissie klachtonderdeel ongegrond.

5.5. Ten aanzien van klachtonderdeel 5, over het in strijd met de voorschriften rapporteren aan de rechtbank terwijl een klacht is ingediend, wijst klager op het rapport van de Nationale Ombudsman, nr. 98/561. Klager stelt dat de Nationale Ombudsman in voomoemd rapport oordeelde dat wanneer tijdens een onderzoek van de raad voor de kinderbescherming een klacht wordt ingediend, de raad zich van rapporteren aan de rechtbank dient te onthouden, zolang de klacht niet volledig is afgehandeld.
De Nationale Ombudsman heeft in zijn beoordeling ten aanzien van de klacht over het uitbrengen van het advies onder punt 4 opgemerkt: 'In aamnerking genomen dat de klacht die verzoeker had ingediend nadrukkelijk verband hield met het advies dat zou worden uitgebracht aan de rechtbank, en gelet op de korte tijdspanne tussen de datum van verzending van het advies aan de rechtbank (17 december 1996) en de datum waarop het gesprek met verzoeker over zijn klacht zou plaatsvinden (19 december 1996) valt niet in te zien waarom de raad niet enkele dagen heeft kunnen wachten met de verzending van het rapport, totdat het gesprek met verzoeker over zijn klacht had plaatsgevonden. In dit verband is mede van belang dat het verzoek van de rechtbank dateert van 25 januari 1996, terwijl het onderzoek was ingesteld begin juli 1996. In zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk."
De commissie merkt op dat de beslissing van de Nationale Ombudsman slaat op een situatie waarin het raadsrapport twee dagen voor het klachtgesprek wordt verstuurd naar de rechtbank. In die specifieke situatie acht de Nationale Ombudsman dat onbehoorlijk omdat in voorkomende gevallen de raad wel één of twee dagen kan wachten met het opsturen van het raadsrapport. In de onderhavige zaak ligt het anders.
Nadat klager op ii juni 2001 het conceptrapport heeft ontvangen heeft hij op ii juni 2001 en ii augustus 2001 een klacht ingediend. Omdat de raad in eerste instantie klager slechts één dag te tijd gaf om inhoudelijk op het conceptrapport te reageren is klager na zijn klachtbrief van ii juni 2001 uitgenodigd voor een gesprek bij de raad op ii augustus 2001. Vanwege een bedrijfsongeval heeft klager dit gesprek afgezegd. De raad heeft op verzoek van de adjunct-directeur conform artikel 2 lid 4 van het Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbeschenning de rechter onverwijld in kennis gesteld van het indienen van de klacht. Op ii september 2001 heeft de directeur een beslissing genomen op klagers klacht. Het definitieve raadsrapport is uitgebracht op ii oktober 2001.
De commissie is van mening dat de raad conform de regelgeving heeft gehandeld door de rechter te inforrneren over de door klager ingediende klacht. Hij heeft daarbij niet onbehoorlijk gehandeld. De klager heeft voldoende gelegenheid gehad om zijn bezwaren toe te lichten. Het definitieve rapport is eerst verstuurd nadat de directeur een beslissing genomen had op de klacht. Als de raad zou moeten wachten met het rapport opsturen naar de rechtbank tot nadat de klachtenprocedure is afgesloten, zou onvoldoende rekening gehouden worden met het belang van andere betrokkenen bij de rechtbankprocedure.
De commissie acht derhalve klachtonderdeel 5 ongegrond.


6. DE BESLISSING

De klachtencommissie verklaart: de klachtonderdelen 1 tot en met 5 ongegrond.

Aldus gegeven op ii november 2001 te Assen door de klachtencommissie 1, bestaande uit mr. Ppppp, voorzitter, drs. Ddddd en mr. Kkkk, leden, bijgestaan door de secretaris mr. Kkkkk. w.g. voorzitter w.g. secretaris ft conform,

De klachtencommissie geeft door middel van afschrift kennis van deze beschikking aan :
klager
de adjunct-directeur
de Minister van Justitie.

Afschriften van deze beslissing zijn verzonden op: ii-12-2001.