RVK0111
Inleiding.
Vader had zich tot
de kantonrechter gewend met het verzoek te worden belast met het gezag over
zijn zoon, nadat was gebleken dat moeder het gezag en de zorg absoluut niet
aankon.
De rechter vroeg de Raad
om een onderzoek. Ruim een maand later vroeg moeder om een ondertoezichtstelling,
in welke zaak de rechter wederom aan de Raad advies vroeg.
De Raad combineerde beide verzoeken en produceerde een erg onduidelijk rapport,
waarin het taalgebruik sterk onder de maat was en waarin essentiële feiten
werden verdoezeld.
Het klachtschrift was zakelijk opgebouwd en voorzien van een duidelijk chronologisch
overzicht van alle belangrijke feiten, waardoor de gebreken van de raadsrapportage
duidelijk werden aangetoond.
De Klachtencommissie verklaarde belangrijke klachtonderdelen gegrond.
Klager heeft nochtans voor openstaande klachtpunten, en wegens de gebrekkige
afdoening door de Raad van de toegewezen klachten, de Nationale Ombudsman
ingeschakeld.
-------------------------
KLACHTENCOMMISSIE
III
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING DIRECTIE NOORD-WEST
BESLISSING VAN KLACHTENCOMMISSIE II INZAKE DE KLACHT VAN
de heer Bbbb, wonende te Aaaaa, verder te noemen klager
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Amsterdam en Directie Noord-West, verder te noemen Raad
HET VERLOOP VAN DE KLACHTPROCEDURE
Op ii augustus 2001 heeft de klachtencommissie een klacht ontvangen van klager tegen de beslissing van ii juli 2001 van de adjunct-directeur van de Directie Noord-West, de heer mr Zzzz, op zijn klacht van ii mei 2001, naar aanleiding waarvan op ii juni 2001 een gesprek ten kantore van de Raad heeft plaatsgevonden.
De klachtencommissie
beschikt over de volgende van belang zijnde stukken:
- het raadsrapport d.d. ii mei 2001, verzenddatum ii juni 2001;
- klacht aan de Raad d.d. ii mei 2001;
- verslag van het klachtgesprek op de Raad d.d. ii juni 2001;
- nieuwe versie d.d ii juni 2001 van bovengenoemde klacht met als bijlage
een chronologisch overzicht van feiten en gebeurtenissen;
- beslissing van de directie d.d. ii juli 2001;
- klacht aan de klachtencommissie d.d. ii augustus 2001;
- brief d.d. ii juli 2001 van de Staatsecretaris van Justitie aan de heer
Rrrrr van de Stichting Dwaze Vaders. Deze brief is na de zitting op verzoek
van de commissie toegezonden.
De inhoud van bovengenoemde stukken dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.
DE KLACHT
De klacht welke bij de klachtencommissie is ingediend bestaat uit zeven klachtpunten:
1. De ingediende klacht had schorsende werking moeten hebben ten aanzien van het uitbrengen van het rapport van de Raad aan de Rechtbank.
2. Er werd te weinig tijd geboden voor commentaar op het conceptrapport.
3. Het onderzoek van de Raad had zich moeten richten op de vraag of er een gegronde vrees zou bestaan dat belangen van Z1993 zouden worden geschaad indien vader zou worden belast met het gezag.
4. Het onderzoek is methodologisch verkeerd opgezet en uitgevoerd.
5. De Raad had niet twee verzoeken van verschillende rechters in één onderzoek mogen combineren.
6. Het rapport is in slecht Nederlands opgesteld en wordt daardoor onbegrijpelijk.
7. Het rapport had een veel duidelijker inzicht moeten bieden in de historische feiten en controleerbare gebeurtenissen.
DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE KLACHT
De klachtencommissie
overweegt dat de klacht binnen de gestelde termijn is ingediend en betrekking
heeft op een aangelegenheid die bij de Raad in behandeling is en waarbij klager
als belanghebbende is betrokken.
Op grond hiervan is de commissie van oordeel dat klager ontvankelijk is in
zijn klacht.
DE BEHANDELING TER ZITTING
De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaats gevonden ter zitting van 5 oktober 2001. Hierbij waren aanwezig klager vergezeld van de heer Rrrrr. Van de zijde van de Raad waren aanwezig de heer Kkkk, praktijkleider bij de Raad en de heer drs Bbbb, adjunct-directeur van de Directie Noord-West, die de heer mr Zzzz verving. De raadsonderzoeker liet weten dat zij verhinderd was te verschijnen.
Zakelijk weergegeven, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, is ter zitting het volgende naar voren gebracht.
Na opening van de klachtbehandeling somt de voorzitter de in het klachtdossier aanwezige stukken op en stelt voor de klachtonderdelen puntsgewijs te behandelen:
ad klachtpunt 1:
De adjunct directeur:
De praktijk is dat bij indiening van een klacht tijdens het onderzoek, het
onderzoek wordt opgeschort. In dit geval was het rapport reeds klaar en het
onderzoek afgerond. Op ii mei 2001 is het conceptrapport uitgekomen en op
ii+10 mei 2001 - de dag waarop de klacht werd ingediend- is het rapport verzonden
naar de Rechtbank. De klacht is doorgezonden naar de Rechtbank.
De voorzitter constateert dat klachtpunt 1 en 2 met elkaar verband houden.
ad klachtpunt 2:
De heer Rrrrr: wil
verwijzen naar de brief over dit onderwerp van de Staatssecretaris van justitie
d.d. ii juli 2001.
De commissie blijkt echter niet over deze brief te beschikken.
Klager zegt toe deze alsnog aan de klachtencommissie op te sturen.
De voorzitter vraagt
aan klager of hij heeft verzocht om verlenging van de termijn om commentaar
te leveren op het rapport.
Klager antwoordt ontkennend.
Vervolgens constateert de voorzitter dat de klachtpunten 3, 4 gedeeltelijk de toelichting op deze klacht (tot en met "ter hand nemen") en 5 ook onderling verband met elkaar houden en stelt voor deze tezamen te behandelen.
ad klachtpunten 3,
4 en 5:
De voorzitter vraagt
aan de Raad wanneer precies het onderzoek is gestart: in het raadsrapport
staat namelijk ii maart 2001 terwijl in het rapport melding wordt gemaakt
van gesprekken op ii-12 maart 2001.
De Praktijkleider de uitnodigingsbrief is op ii februari 2001 zowel aan vader
als aan moeder uitgegaan. De voorzitter constateert, dat deze laatste datum
dus als uitgangspunt moet worden genomen voor de start van het onderzoek en
stelt vast dat Z1993 toen bij moeder woonde.
Klager: er had een onderzoek moeten worden verricht naar de onmogelijkheid
van moeder om het gezag uit te oefenen. Zij had Z1993 immers bij vader ondergebracht.
Op ii februari 2001 heeft hij naar aanleiding van het weekendincident met
moeder - moeder wilde Z1993 niet terugbrengen naar vader- contact met de Raad
opgenomen.
Tevoren op ii december 2000 had hij reeds een verzoek om gezagswijziging ingediend
bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft om een gezagsonderzoek gelast. Het lijkt
hem vanzelfsprekend dat dan ook onderzoek wordt gedaan naar zijn pedagogische
kwaliteiten.
Op de vraag van de
voorzitter aan de Praktijkleider hoe lang de wachttijd is bij het verzoek
tot wijziging van gezag antwoordt deze dat de wachttijd in het algemeen 2
tot 3 maanden is. Voorts zegt hij dat het verzoek tot ondertoezichtstelling
(ots) alles heeft te maken met het verzoek tot gezagswijziging en dat dit
niet valt te scheiden. De Raad heeft de ernst van de zaak zeker onderkend
en heeft derhalve ook geadviseerd tot een ots, waarbij het belang van het
kind centraal staat.
De heer Rrrrr verwijst naar het Normenrapport 2000 hoofdstuk 8.1.4.1 waarin
wordt vermeld dat de kantonrechter de Raad kan verzoeken binnen twee weken
kenbaar te maken of er aan de kant van De Raad bezwaar bestaat tegen het verzoek
tot gezagswijziging.
De voorzitter merkt dienaangaande
op dat in het bedoelde artikel ook wordt vermeld dat de Rechtbank de Raad
om advies kan vragen. In deze zaak is voor het laatste gekozen, zodat de genoemde
termijn niet aan de orde is.
Klager: met het chronologisch overzicht van feiten en gebeurtenissen heeft
hij duidelijk willen laten zien dat de noodsituatie zich zal herhalen. Volgende
week ii oktober zal de kantonrechter uitspraak doen over het verzoek tot gezagswijziging.
ad klachtpunt 6:
Klager: de versie
van het eerste rapport kan bij veel mensen tot verkeerde interpretaties leiden.
De Praktijkleider: geef t toe dat de eerste versie van het rapport slecht
geredigeerd was. Op verzoek van de heer Zzzz is het raadsrapport op taalfouten
gecorrigeerd. Op ii juni 2001 heeft hij een nieuwe versie aan de Rechtbank
verstuurd met het verzoek het oude rapport door het nieuwe te vervangen. De
inhoud van het rapport en het advies zijn echter hetzelfde gebleven zoals
u kunt zien in het nu overhandigde exemplaar.
De heer Rrrrr: slecht taalgebruik veraadt slecht denken. Ik kan zo gauw geen
goed voorbeeld van inhoudelijke wijziging laten zien.
De voorzitter stelt
voor om klachtpunt 7 in combinatie met de laatste alinea van de toelichting
op klachtpunt 4 (klachtpunt 4 b) te behandelen.
Klager: het bevreemdt hem dat Z1987 (halfbroer) geen onderwerp van onderzoek
is geweest terwijl Z1987 het duidelijke voorbeeld is van hoe het niet moet
gaan. De situatie van Z1987 is zorgwekkend. Z1987 is sinds februari 2001 bij
een pleegmoeder, de vriendin van zijn biologische vader. Deze vader en vriendin
wonen niet samen. De verscheidene zelfmoordpogingen van moeder staan niet
in het rapport vermeld. Hij heeft tijdens het gesprek met de Raad melding
gemaakt van het voorgaande en gezegd dat moeder al 18 jaar onder psychiatrische
behandeling is. In het rapport wordt geen enkele zin gewijd aan zijn pedagogische
kwaliteiten. Hij heeft zelf een chronologisch overzicht van de feiten gemaakt,
waarin deze essentiële informatie wel staat.
De voorzitter vraagt aan de praktijkleider of de Raad op de hoogte was van
de zelfmoordpogingen van moeder en of er slechts één gesprek met vader en
moeder heeft plaats gehad. Tevens verwijst hij naar de tweede onderzoeksvraag
in het raadsrapport inhoudende de vraag wat gezegd kan worden over de pedagogische
kwaliteiten van beide ouders.
De praktijkleider : Er is eenmaal gesproken met vader en met moeder; ook is
er een poging gedaan tot een gezamenlijk gesprek, dat echter niet is gelukt.
De Raad wist dat de situatie van moeder labiel was. Om die reden en ook omdat
Z1993 nu bij moeder woont is het zwaartepunt van het onderzoek bij moeder
gelegd.
Een van de commissieleden vraagt of het chronologisch overzicht is meegestuurd
naar de kantonrechter.
De Praktijkleider: het bedoelde overzicht is niet door de Raad meegestuurd
naar de Rechtbank of de kantonrechter, doch hij neemt aan dat de advocaat
van klager dit overzicht naar de kantonrechter heeft gestuurd.
De adjunct directeur
erkent dat de andere kant- de kant van vader - meer had moeten worden belicht
in het rapport.
Op de vraag van de voorzitter hoe het nu met Z1993 gaat antwoordt klager dat
hij zich ernstige zorgen maakt over Z1993 en dat hij deze zorgen ook geuit
heeft bij de gezinsvoogd.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
De klachtencommissie
overweegt gelet op de ter beschikking staande stukken alsmede op de ter zitting
naar voren gebrachte feiten en omstandigheden als volgt:
Gezien de onderlinge samenhang van sommige klachtpunten zal de klachtencommissie,
waar zij dat gelet op de inhoud van de klachten aangewezen en duidelijker
acht, meerdere klachten tezamen beoordelen.
Klachtpunten 1 en
2: Het pure indienen van een nog niet inhoudelijke klacht in een fase waarin
het concept-rapport af is en de reactie van ouders daarop binnen is geeft
naar het oordeel van de commissie geen aanleiding tot het verlenen van schorsende
werking. Integendeel, nu op ii mei 2001 de definitieve rapportage voor verzending
gereed lag, heeft de Raad met recht en reden gekozen voor indiening van de
rapportage bij de rechtbank, met insluiting van een afschrift van de klacht,
gevolgd door een spoedige klachtbehandeling.
Ter zitting heeft klager desgevraagd medegedeeld niet te hebben verzocht om
verlenging van de termijn om commentaar op het rapport te leveren. Gelet op
het vorenstaande ziet de commissie geen aanleiding tot gegrondverklaring van
klachtpunten 1 en 2.
Klachtpunt 3: Ter zitting is duidelijk geworden dat het raadsonderzoek op ii februari 2001 van start is gegaan. Het startpunt van onmogelijkheid om het gezag uit te oefenen van de moeder was toen opgeheven. De commissie acht het uitgangspunt van de Raad derhalve niet onjuist. Of er een verwachting van onmogelijkheid tot uitoefening van het gezag door moeder bestond doet daaraan niet af. Dit klachtpunt is derhalve ongegrond.
Klachtpunt 4 a (t/m
11 "ter hand te nemen") en klachtpunt 5:
Het in klachtpunt a geciteerde artikel uit het Normenrapport 2000 is niet
aan de orde. In dit artikel staat dat de Rechtbank de Raad tevens om advies
kan vragen, hetgeen in casu is geschied. Er bestaat voorts naar het oordeel
van de commissie geen bezwaar om, als het om hetzelfde kind gaat, het onderzoek
van gezagswijziging en ots te combineren. Het ligt zelfs voor de hand om hiertoe
over te gaan, mits in onderzoek en rapportage de onderscheidene uitgangspunten
en toetsingscriteria helder worden verantwoord. Naar het oordeel van de commissie
heeft de Raad dan ook op dit punt niet onjuist gehandeld en is klachtpunt
4 in zoverre en klachtpunt 5 ongegrond.
Klachtpunt 6: Strikt genomen is dit klachtpunt niet onjuist gelet op de erkenning van de Raad. Ter zitting heeft klager de commissie er evenwel niet van kunnen overtuigen dat de aard van de wijzigingen zodanig is dat deze leidde tot een inhoudelijke verandering van het rapport. De commissie acht dit klachtpunt dan ook ongegrond.
Klachtpunten 4b en 7: Essentiële gegevens zoals kennelijk bij de Raad bekende meerdere suïcidepogingen van moeder alsook de door klager beschreven en aan de Raad ter kennis gebrachte situatie van Z1987 staan in het rapport niet vermeld. De Raad heeft ter zitting voorts zelf erkend dat de situatie van vader niet voldoende belicht wordt in het rapport. Daarenboven heeft de Raad in de onderzoeksvraag 2 in het rapport zelf de vraag geformuleerd hoe de pedagogische kwaliteiten van beide ouders zijn. Nu gebleken is dat dit onderzoek naar de pedagogische kwaliteiten van vader niet heeft plaats gevonden en beantwoording van de gestelde vraag geheel achterwege is gebleven in het rapport, is het advies naar het oordeel van de commissie in zoverre op onjuiste wijze tot stand gekomen. Klachtpunt 4b en klachtpunt 7 zijn derhalve gegrond.
BESLISSING
De klachtencommissie beoordeelt de klachten als volgt: klachtpunten 1, 2, 3, 4a, 5 en 6 : ongegrond
klachtpunten 4b en 7: gegrond
Aldus beslist op ii
oktober 2001 te Amsterdam door Klachtencommissie III bestaande uit:
mr Llllll voorzitter
mr Nnnnnn lid
mr Kkkkk lid
bijgestaan door mr Sssss, secretaris
w.g. voorzitter w.g. secretaris
Voor eensluidend afschrift conform
De klachtencommissie
geeft door middel van een afschrift van deze beslissing kennis aan:
- klager;
- Raad vestiging Amsterdam;
- Directie Noord-West;
- de Minister van Justitie.
De beslissing is verzonden op: ii november 2001