RVK0105
Inleiding.
In deze zaak werd
op een raadsrapport een groot aantal klachten ingediend over de werkwijze
van de raadsmedewerkers.
Onder andere ten aanzien van de selectieve wijze van rapporteren, het negeren
van het beslissingsmodel dat de wet ter zake van omgang geeft en het voorbijgaan
aan het beleid van de Rechtbank zoals dat in de beschikking was verwoord.
De Raad en het ingeschakelde externe bureau, voerden een "zoekend" onderzoek
uit en wezen elkaar aan als verantwoordelijke voor de conclusies en de rapportage.
De omgang tussen klager en Z1992 was sinds de aanvang van het (zeer lange)
onderzoek tot stilstand gekomen, maar dat werd niet vermeld in het rapport.
De rechtbank verzocht de Raad, tevergeefs, om een (proef)regeling te organiseren
en te begeleiden ten einde de omgang vlot te trekken.
De Klachtencommissie besliste dat de Raad inderdaad selectief te werk was
gegaan en erkende dat het beslissingsmodel inderdaad ten onrechte was genegeerd.
Over de verantwoordelijkheid van de hoofdaannemer, de Raad, voor het werk
van de onderaannemer, het ingeschakelde bureau, onthield de Klachtencommissie
zich van een duidelijke stellingname. Dit tot duidelijke opluchting van de
raadsvertegenwoordiging. (Zie daarover echter een latere uitspraak
van de Nationale Ombudsman).
-------------------------
KLACHTENCOMMISSIE III
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING
DIRECTIE NOORD-WEST
BESLISSING VAN KLACHTENCOMMISSIE III IN DE KLACHT VAN:
De heer Xxxx, wonende te Yyyy, hierna te noemen klager,
ondersteund door zijn advocaat mr. Pppp en adviseur dhr. Rrrr,
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Haarlem , vertegenwoordigd door
Raadsonderzoeker mw. Uuuu en Praktijkleider mw. Vvvv. en de Directie Noord-West,
vertegenwoordigd door de adjunct-directeur, mr. Zzzz, hierna te noemen: verweerder.
VERLOOP VAN DE KLACHTPROCEDURE
Op 11-12-2000 heeft
verweerder een schriftelijke beslissing gegeven naar aanleiding van de door
klager op 28-9-2000 ingediende klachten. Door de verweerder zijn de klachten
deels gegrond, deels ongegrond verklaard.
Bij brief van 19-1-2001 heeft klager zijn klachten met bijlagen voorgelegd
aan de klachtencommissie.
Naast vorengenoemde
stukken beschikte de klachtencommissie over de volgende stukken:
- verklaring directrice van kleuterschool te Llll d.d. ii-7-1999;
- eindverslag creatieve therapie van Z1992 d.d. ii juli 1999;
- vragenlijst d.d. ii-9-1999 van de raadsonderzoeker aan Basisschool Bbbb;
- reactie op vorengenoemde vragenlijst d.d. ii-10 -1999;
- raadsrapport d.d. ii-11-1999 plus commentaar hierop van klager en moeder;
- klacht d.d. ii-4-2000 tegen de aan klager gerichte brief d.d. ii-3-2000
van de praktijkleider bij de Raad;
- beslissing d.d. ii-5-2000 van de unitmanager van de Raad, vestiging Haarlem
op bovenvermelde klacht d.d. ii-4-2000;
- raadsrapport d.d. ii-8-2000;
- verslag van het klachtgesprek d.d. ii-11-2000;
- pleitnotitie d.d. ii-4-2001 van de heer mr Pppp, bevattende commentaar op
het klachtschrift d.d. ii-9-2000.
De inhoud van bovengenoemde stukken dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.
DE KLACHT
De klacht die bij de klachtencommissie is ingediend heeft betrekking op het door de Raad ingestelde onderzoek naar de mogelijkheden van een omgangsregeling tussen klager en zijn zoon Z1992. De klacht is onderverdeeld in 7 rubrieken (A t/m G).
DE ONTVANKELIJKHEID
De klachtencommissie
overweegt dat de klacht binnen de daartoe gestelde termijn is ingediend en
betrekking heeft op een aangelegenheid die bij de Raad in behandeling is en
waarbij klager als belanghebbende is betrokken.
Op grond daarvan acht de klachtencommissie klager ontvankelijk in zijn klachten.
DE BEHANDELING TER ZITTING
De mondelinge behandeling
van de klacht was aanvankelijk gepland op ii april 2001. Door externe omstandigheden
echter was de volledige samenstelling van de klachtencommissie noch de aanwezigheid
van alle betrokken partijen op die dag gegarandeerd zodat de hoorzitting is
uitgesteld tot ii april 2001.
Bij deze hoorzitting waren aanwezig klager vergezeld van de heer mr Pppp,
advocaat, en de heer Rrrr, adviseur.
Van de zijde van de Raad waren de verweerder, de Praktijkleider en de Raadsonderzoeker
aanwezig.
Zakelijk weergegeven en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van
de klacht is ter zitting het volgende naar voren gebracht.
Na opening van de klachtbehandeling en opsomming van de in het klachtdossier
aanwezige stukken stelt de voorzitter voor de klachtonderdelen puntsgewijs
te behandelen.
A. Het onderzoek is niet zo uitgevoerd als de rechter verzocht heeft.
Klager: de rechtbank
heeft bij beschikking van ii-1-1999 een omgangsregeling vastgesteld. Er was
dus een omgangsregeling. Bij beschikking van ii-6-1999 verzoekt de rechtbank
de Raad te adviseren met betrekking tot de mogelijkheden van de omgangsregeling
en de mogelijk bemiddelende rol van de Raad bij de omgangsregeling. De Raad
heeft gekeken naar ontzeggingsgronden voor de omgangsregeling terwijl men
de opdracht had na te gaan hoe er aan de omgangsregeling gestalte gegeven
kon worden en niet óf er een omgangsregeling moest komen. De band tussen hem
en zijn zoon is helemaal kapot. Vanaf het moment dat hij bij de Raad terecht
kwam is de omgangsregeling gestopt; hij ziet een oorzakelijk verband tussen
de inmenging van de Raad en het stoppen van de omgangsregeling. Op ii juli
1999 heeft de eerste omgang plaatsgevonden, op ii juli 1999 heeft Raadsonderzoeker
een gesprek met moeder gehad en vanaf ii juli 1999 was er geen omgang meer.
Praktijkleider: De Raad start
met de onderzoeksvragen en kan deze altijd bijstellen. Tijdens de gezamenlijke
gesprekken zijn nieuwe feiten naar voren gekomen: moeder wilde niet meewerken
en er waren zorgsignalen over Z1992.
Verweerder: het verzoek van
rechtbank is interpretabel. Bij de aanvang van het onderzoek was de formulering
van de onderzoeksvragen niet juist, doch later wel toen er zorgsignalen over
Z1992 kwamen.
Raadsonderzoeker: stelt dat
meer onderzoeken starten met een positieve dan wel negatieve vraagstelling,
die onafhankelijk is van een positieve of negatieve uitkomst.
B. Vooringenomenheid
tegen vader en partij kiezen voor moeder. Dit klachtonderdeel valt samen met
C.
C-I. Zestien klachten
over het handelen van de Raad over de periode juli-november 1999 en het rapport
van november 1999.
1 tot en met 3: 1. Raadsmedewerkers ondersteunden moeder haar eigen toezegging
aan de rechtbank niet na te komen.
2. Raadsmedewerkers zijn van hun ondergeschiktheid aan de rechtbank niet doordrongen.
3. Het incident over het al dan niet volgen van de uitspraak van de rechtbank
is niet in het rapport opgenomen.
Klager: Gedragstherapeut1
en Raadsonderzoeker hebben daags na de zitting van het kort geding een gesprek
met beide ouders gevoerd, waarbij moeder de indruk wekte mee te zullen werken
aan omgang tussen vader en Z1992. Tijdens dit gesprek heeft Gedragstherapeut1
gezegd dat het wellicht voor Z1992 beter zou zijn om geen omgangsregeling
te hebben.
Raadsonderzoeker: kan zich
dit niet meer herinneren. Zij weet dat de beschikking van de rechtbank nagekomen
moet worden en heeft dit ook aan moeder medegedeeld.
De advocaat: de Raad bepaalt zijn eigen koers en houdt daarbij nauwelijks
rekening met de opdracht van de rechtbank.
4. De Raad heeft in het rapport van november 1999 nagelaten de rechtbank te
adviseren dat direct weer omgang moet plaatsvinden en wel in de eigen omgeving
van klager. De voorzitter wijst er op dat het rapport van november 1999 geen
conclusie en advies bevat.
Praktijkleider: Daar tijdens de gezamenlijke gesprekken bleek dat er geen
bemiddeling mogelijk was en er voorts zorgsignalen over Z1992 waren, achtte
de Raad het van primair belang om voor het tot stand komen van een omgangsregeling
eerst een onderzoek bij het PAR aan te vragen.
De advocaat: de zorgsignalen over Z1992 zijn door de Raad aangegrepen om
de omgang te blokkeren, terwijl de omgang daarentegen juist wel doorgang had
moeten vinden om de spanning van Z1992 te verminderen. Terugkoppeling naar
de rechtbank was een betere procedure geweest: de Raad had de opdracht beter
terug kunnen geven aan de rechtbank.
Praktijkleider: de Raad had de opdracht aan de rechtbank terug kunnen geven.
Echter is toch besloten direct naar het PAR te gaan, aangezien beide ouders
ook accoord waren met een PARonderzoek.
Klager: tijdens een gezamenlijk gesprek op de Raad op 5 november 1999 zijn
de onderzoeksvragen voor het PAR onder zijn neus geduwd. Hij kon nauwelijks
anders dan hiermee instemmen.
C-II. Klachten over
het rapport van 23-11-1999.
5. De formulering over het
kort geding is verhullend.
Raadsonderzoeker: de gewraakte formulering is letterlijk overgenomen uit de
beschikking van de rechtbank d.d.3-9-1999.
6. de Raad ondersteunt aperte
onzin van moeder en doet weinig aan vaders verdediging daartegen; het verhaal
van moeder over vermeende epilepsie van vader wordt door Raad klakkeloos overgenomen.
De Adviseur: de motivering ontbreekt voor het opnemen van opmerkingen in het
rapport zonder deze eerst te controleren.
Op de vraag van de voorzitter aan de verweerder of er navraag is gedaan naar
de vermeende epilepsie zegt deze dat de Raad daar nog niet aan toe was gekomen:
eerst moest de wenselijkheid van een omgangsregeling onderzocht worden en
daarna pas de eventuele belemmeringen voor een omgangsregeling.
7. Het rapport vertoont systeem-theoretisch weinig diepgang.
De verweerder: het is een
keuze voor de Raad om een samenvatting en een weloverwogen selectie te maken
van hetgeen er wel en niet in het rapport moet worden opgenomen.
Praktijkleider: klager heeft de gelegenheid gehad om commentaar te geven op
het rapport.
Klager: hetgeen in het rapport staat vermeld heeft meer invloed dan hetgeen
in het commentaar op het rapport door de ouders wordt vermeld.
C-III. Inbreng van vader die niet in het rapport van november 1999 is vermeld.
8 tot en met 13: de Raad heeft van moeder positieve kanten vermeld en positieve
inbreng die vader heeft aangedragen onvermeld gelaten.
Klager: ik had de Raad bijvoorbeeld door middel van foto's en videobanden
kunnen laten zien dat ik een goede verhouding had met mijn zoon.
Praktijkleider: klager wil alleen de positieve kanten laten zien. Foto's en
videobanden zijn vrijwel altijd opname van de leuke momenten en kunnen geen
"bewijs" vormen voor een succesvolle omgangsregeling.
De Adviseur: klager mag toch wel de positieve kanten laten zien?
De advocaat: de Raad stelt een onderzoek in naar ontzeggingsgronden en richt
zich op negatieve punten.
Verweerder: in het algemeen is de Raad niet geneigd tot acceptatie van geluidsbanden
en videotapes. De Raad vertrouwt meer op eigen observatie.
Op de vraag van de commissie waarom Z1992 zelf zo weinig in het onderzoek
is betrokken antwoordt Praktijkleider dat de Raad het uitgebreid onderzoeken
van Z1992 aan het PAR heeft overgelaten. De Raad wilde Z1992 niet onnodig
belasten.
C-IV. Klachten over de gang naar het PAR.
14. De Raad stuurt aperte
onzin en schaamteloze laster door naar het PAR.
Klager: Het commentaar van de moeder over zijn familieleden - een litanie
van onwaarheden - is in zijn geheel meegestuurd naar het PAR. Dit vindt hij
getuigen van geen fatsoen.
Verweerder: de huidige werkwijze van de Raad is om de reacties van de ouders
integraal mee te zenden aan de rechtbank.
Raadsonderzoeker: Als de Raad een selectie zou maken zou daarover wellicht
ook weer geklaagd worden.
De advocaat: hij wil er nogmaals op wijzen dat het PARonderzoek niet anders
had moeten plaats vinden, doch dat het onderzoek helemaal niet had moeten
plaats vinden.
15. in november 1999, toen
het PAR werd ingeschakeld, is niet gevraagd om spelsessies
Klager: spelsessies zijn door moeder geweigerd en de Raad is moeder daarin
gevolgd. Praktijkleider: moeder had bij de Raad speelsessies radicaal geweigerd.
De Raad wilde dit dus niet nogmaals aan moeder vragen.
Raadsonderzoeker: de bemiddelingspogingen leidden niet tot proefcontacten
maar uiteindelijk wel tot een PARonderzoek.
16. Onderzoeksvraag 6 aan
PAR is onfatsoenlijk.
Klager: deze onderzoeksvraag is negatief gesteld en niet in het belang van
Z1992.
De advocaat: vraagt zich af of Z1992 niet beschermd moet worden tegen moeder,
die zijn belangen schaadt door de omgang te blokkeren. De Raad zou eigenlijk
een beschermingsonderzoek hebben moeten starten.
Verweerder: dit betreft een verschil van interpretatie.
D. Klachten over de
periode april - augustus 2000 en het rapport d.d. 1-8-2000.
D-I: klachten over
het handelen van de Raad.
1. De Raad verdoet tijd met
onheuse beweringen.
Verweerder: de insteek van de Raad is geweest om eerst te kijken hoe bemiddeld
kon worden.
2 Een raadsmedewerker tracht klager een kansloos pad op te sturen. Raadsonderzoeker:
de door klager aangehaalde formulering over het aanvragen van de voogdij door
Gedragstherapeut2 klopt.
4. De Raad schendt vaders recht
op briefgeheim.
Raadsonderzoeker: in overleg met de juridische afdeling van de Raad inzake
de Wet Openbaarheid van bestuur is gekozen voor meezending van vaders brieven.
Klager: de bedoelde brieven hadden een persoonlijke strekking.
D-II: Klachten over
het rapport van 1-8-2000
5. Op pagina 1. is niet vermeld
welke raadsmedewerkers contact hadden met de ouders.
Praktijkleider: Raadsonderzoeker
was er steeds bij en Gedragstherapeut2 en Praktijkleider af en toe. De namen
van beide laatste dames zijn niet vermeld op de voorpagina van het 6 laatste
rapport. Dit is inderdaad niet juist.
6 tot en met 17 hebben allen
betrekking op het PAR.
Klager: de Raad heeft besloten
om de conclusie van het PAR over te nemen.
De verweerder: de conclusie van het PAR wordt meestal- na marginale toetsing-door
de Raad overgenomen.
De adviseur: wie is uiteindelijk verantwoordelijk voor de conclusie: de "hoofdaannemer":
de Raad? Waar moet over de inhoud van het PARrapport geklaagd worden: bij
de Raad of bij het PAR? Dit is een interessante discussievraag.
De verweerder: een eventueel antwoord van de commissie op deze vraag kan van
grote invloed zijn op het beleid van de Raad.
D-III: Klachten over wat het niet haalde in het rapport van 18-2000.
18. De jarenlange observaties
van de omgang door een gediplomeerd opvoedkundige worden niet meegewogen in
de conclusies.
De verweerder: de Raad maakt
veelal alleen gebruik van onafhankelijke, objectieve informanten. Deze mevrouw
wordt niet beschouwd als een geheel onafhankelijke, objectieve informante.
19. Ondanks dat de Raad tot
volledig andere inzichten over klager komt dan kinder- en jeugdpsychiater
mr. Psychiater worden zijn argumenten niet genoemd.
Klager: de Raad heeft het commentaar van een integere deskundige als de heer
Psychiater niet in het rapport opgenomen, terwijl de Raad diens oordeel als
een "second opinion" had kunnen gebruiken. De heer Psychiater heeft in 1992
beide ouders in therapie gehad. In 1999 heeft de heer Psychiater tijdens een
telefoongesprek geadviseerd tot een omgangsregeling. De heer Psychiater is
bereid een bemiddelende rol bij de omgangsregeling te spelen.
Praktijkleider: de heer Psychiater is door klager als informant aangedragen
en door Gedragstherapeut2 gehoord. Omdat deze therapie al weer een tijd geleden
heeft plaatsgevonden is de informatie van de heer Psychiater niet actueel
relevant geacht.
20. Er wordt aan de school
niet naar nieuwe ervaringsfeiten gevraagd en het aanbod tot meer informatie
wordt zelfs geweigerd.
Raadsonderzoeker: in september/oktober 1999 heeft zij contact gehad met de
school. De vragenlijst is afkomstig van het PAR en valt niet onder de verantwoordelijkheid
van de Raad, maar van het PAR.
Klager legt aan de ter zitting aanwezigen een brief d.d. ii-3-2001 over van
de voormalig directeur van de school.
Raadsonderzoeker: ik ken deze brief niet en heb geen contact met deze heer
gehad.
21 en 22 hebben betrekking
op de vermeende epilepsie van klager en het gebruik van videobanden. Is reeds
aan de orde geweest.
23. Onderzoek heeft te lang
geduurd.
Verweerder: zulks is mede
veroorzaakt omdat het onderzoek bij het PAR 5 maanden heeft geduurd.
E.Klachten over de
conclusies van de Raad naar aanleiding van het onderzoek.
1. De Raad misinterpreteert en verergert de conclusies van het PAR.
Klager: Het PAR formuleert dat contact tussen klager en Z1992 "op zich niet
als beschadigend" kan worden aangemerkt, terwijl de Raad formuleert dat het
contact "niet onmiddellijk als een risico voor de ontwikkeling van Z1992 hoeft
te worden gezien". De conclusie van het PAR wordt door de Raad 180% omgedraaid.
Praktijkleider: de Raad is van mening dat contact met vader voor Z1992 bij
chronisch voortduren schadelijk zou kunnen zijn.
2 en 3. Hebben betrekking- op het advies van de Raad en de motivering van
het advies van de Raad.
De voorzitter vraagt aan klager hoe de situatie met betrekking tot de omgang
nu is. Klager: Er is momenteel geen omgang. De rechtbank heeft de oude
omgangsregeling niet ingetrokken en een dwangbuisregeling getroffen: omgang
gedurende een half jaar, 1 maal per maand voor maximaal twee uur. Op 22 mei
a.s. is er een vervolgzitting over het ABJtraject.
Praktijkleider: Gelet op de onmogelijke situatie van beide ouders blijft de
omgang gedurende het ABJ-onderzoek voorlopig beperkt tot 1 maal per maand
gedurende twee uur, afhankelijk van de mogelijkheden van het ABJ.
4. De Raad negeert dat het
ABJ een wachtlist heeft van drie en een halve maand. Verweerder: er is een
tekort aan begeleiders bij het ABJ.
F Het verzoek van
de rechtbank d.d.29-2-2000 om omgang te realiseren is ten onrechte niet ten
uitvoer gebracht.
Praktijkleider: voorwaarde van de rechtbank was: proefcontacten organiseren
tijdens het PAR-onderzoek, opdat deze zouden kunnen meegenomen worden in het
Raadsadvies. Het PAR-onderzoek was echter al afgerond.
Klager: het PAR-onderzoek was nog niet afgerond. Er was dus wel mogelijkheid
voor de Raad tot het organiseren van proefcontacten. Het verzoek van de rechtbank
is van 29-2-2000; op 3-3-2000 was het adviesgesprek met het PAR en was het
conceptrapport van het PAR klaar. Op 6-3-2000 was er een afsluitend gesprek
op de Raad en begin april 2000 was het PARonderzoek uiteindelijk afgerond
G. Klachten: er wordt
niet vermeld dat de omgang tussen klager en zoon verhinderd is precies sinds
de Raad zich er mee bemoeide.
Klager: alleen G1 is gegrond verklaard, de andere twee onderdelen zijn ongegrond
verklaard.
Verweerder: alle drie de onderdelen zijn als gegrondverklaard bedoeld. Het
verloop van de omgangsregeling had vermeld moeten worden met daarin alle drie
de elementen.
DE BEOORDELING
De klachtencommissie overweegt gelet op de ter beschikking staande stukken
alsmede op de ter zitting naar voren gebrachte feiten en omstandigheden als
volgt. Gezien de onderlinge samenhang van sommige klachten zal de klachtencommissie,
waar zij dat gelet op de inhoud van de klachten aangewezen en duidelijk acht,
meerdere klachten tezamen beoordelen.
Klacht A: Deze klacht heeft betrekking op de vraag of de Raad het verzoek
van de rechtbank d.d. ii-6-1999 al dan niet juist heeft geinterpreteerd en
uitgevoerd. Hoewel het verzoek van de rechtbank wellicht voor meerdere uitleg
vatbaar is, komt het de commissie voor dat de Raad, die immers wist dat er
bij beschikking van ii-1-1999 reeds een omgangsregeling was vastgesteld en
dat deze omgangsregeling niet was ingetrokken, het onderzoek niet op de juiste
wijze is gestart. Ook heeft de adjunct-directeur ter zitting erkend dat de
bij de aanvang van het onderzoek gestelde onderzoeksvragen niet juist zijn
geformuleerd. Over de vraag of de formulering in de loop van het onderzoek
wel juist zou zijn geweest in verband met zorgsignalen over Z1992 wil de commissie
geen oordeel uitspreken, omdat het de commissie voorkomt dat de door de Raad
bij aanvang opgestelde vragen van doorslaggevend belang zijn geweest voor
het verloop van het onderzoek. Gelet op het vorenstaande acht de commissie
deze klacht gegrond.
Klacht B: de commissie zal deze klacht beoordelen tezamen met klacht C aangezien
er een duidelijke samenhang is tussen deze klachten.
Klacht C-I
1. naar het oordeel van de commissie is ter zitting het al dan niet ondersteunen
door de raadsmedewerkers van de weigerachtige houding van moeder niet voldoende
duidelijk geworden noch aangetoond. Dit klachtpunt is ongegrond.
2. de maatschappelijk werkers hadden duidelijker kunnen zijn ten aanzien van
moeder c.q. hebben moeder niet alert gewezen op haar verplichting op grond
van de uitspraak van de rechtbank ofschoon de term ondergeschiktheid van de
raadsmedewerkers aan de rechtbank niet door de commissie wordt overgenomen
verwijst de commissie naar het antwoord op klacht A en acht de strekking van
de klacht gegrond.
3. de commissie acht het incident niet aan te merken als een incident dat
in het raadsrapport vermeld had moeten worden. Dit klachtpunt is ongegrond.
4. de Raad heeft ter zitting erkend dat hij - gelet op de inmiddels gerezen
zorgsignalen over Z1992 - een eventuele teruggave van de opdracht aan de rechtbank
heeft overwogen, doch uit het oogpunt van tijdsduur heeft besloten zelf een
extern onderzoek te laten verrichten door het PAR. Naar het oordeel van de
commissie mocht de Raad zich hierin gesteund voelen, aangezien beide ouders
aanvankelijk zich hiermee accoord hadden verklaard. Dit klachtpunt is ongegrond.
Klacht C-II
5. de gewraakte formulering is als letterlijke tekst van de beschikking van
de rechtbank d.d. 3-9-1999. door de Raad overgenomen Dit klachtpunt acht de
commissie ongegrond.
6. de Raad is het onderzoek gestart met onderzoek naar eventuele ontzeggingsgronden
voor de omgangsregeling. Het ware naar het oordeel van de commissie in die
lijn consequent geweest om klager op zijn minst te vragen een medische verklaring
aan de Raad te overleggen. Nu dit niet is geschied is de commissie van oordeel
dat de Raad op dit punt in gebreke is gebleven. De commissie acht dit klachtpunt
gegrond.
7. de commissie is met de Raad van oordeel dat klager de gelegenheid heeft
gehad om zijn bezwaren over de systeem-theoretische opzet van het rapport
in zijn commentaar aan de orde te stellen. Dit klachtpunt is ongegrond.
8 tot en met 13. deze klachtpunten hebben allen betrekking op de vooringenomenheid
van de Raad tegen vader en partij kiezen voor moeder zoals ook in klacht B.
is vermeld.
De commissie kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er weinig positieve
aspecten over klager en daarentegen meerdere positieve aspecten over moeder
in het rapport worden vermeld. De verhouding tussen zowel positieve als negatieve
kanten van klager en moeder komt niet erg evenwichtig op de commissie over.
Gelet op het vorenstaande komt de commissie tot een gegrondverklaring van
deze klachtpunten.
14. ter zitting is geconstateerd dat conform het huidig beleid van de Raad
commentaar op het raadsrapport integraal wordt meegezonden. Gelet op het ontbreken
van duidelijke richtlijnen en de beleidsvrijheid van de Raad terzake acht
de commissie dit klachtpunt ongegrond.
Evenwel dient te worden opgemerkt dat in tegenstelling tot hetgeen in het
oude Normenrapport II hierover is vermeld in het nieuwe normenrapport " Normen
2000", dat per 1 april 2001 in werking is getreden, in hoofdstuk 5.4 deze
kwestie aan de orde wordt gesteld. In dit hoofdstuk worden op grond van de
Wet Openbaarheid Bestuur diverse rechtvaardigingsgronden vermeld op grond
waarvan de Raad persoonsgegevens aan een derde kan verstrekken, waarbij echter
als voorwaarde wordt genoemd dat: "het verstrekken van bijzondere persoonsgegevens
aan een derde alleen geschiedt met uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene."
In zoverre is deze kwestie momenteel duidelijker geregeld.
15. de Raad heeft bij het onderzoek het PAR als externe deskundige ingeschakeld.
Het stond derhalve ter beoordeling van het PAR om al dan niet zelf tot het
organiseren van spelsessies te besluiten. Dit klachtpunt is ongegrond.
16. hoewel is gesteld dat de onderzoeksvraag 6 aan het PAR een negatief effect
op Z1992 zou hebben, is dit onvoldoende aangetoond c.q. aantoonbaar.
Klacht D.
1. de vraag of een omgangsregeling
in casu al dan niet eerst gestart kan worden na een poging van de Raad tot
verbetering van de relatie tussen de ouders, is hier ietwat uit zijn verband
gerukt. Immers het welslagen van een omgangsregeling is zeer zeker alleen
mogelijk indien beide ouders daartoe bereid zijn. Een omgangsregeling is in
eerste instantie de verantwoordelijkheid van beide ouders; het is de Raad
niet te verwijten indien en voorzover een van de ouders onwelwillend is.
Dit klachtpunt is ongegrond.
2. ter zitting heeft de Raad erkend de geciteerde uitspraak over het "aanvragen
van voogdij door klager" op de terechtzitting van 4-5-2000 te hebben gedaan.
Naar het oordeel van de commissie is een dergelijke opmerking niet aan de
orde en niet gepast. Dit klachtpunt is gegrond.
3. dit klachtpunt is door de adjunct-directeur gegrond verklaard.
4. voor de beoordeling van dit klachtpunt zie overweging onder C.14. schending
van privacy.
5. de Raad heeft ter zitting erkend dat vermelding van de maatschappelijk
werkers op pagina 1 van het raadsrapport d.d. 1-8-2000 ten onrechte achterwege
is gebleven.
Dit klachtpunt is gegrond.
6 tot en met 17. al deze punten hebben betrekking op de vraagstelling door
de Raad aan het PAR en de inhoud van het PARrapport. De vraag dient te worden
beantwoord wie er uiteindelijk voor het PARrapport verantwoordelijk is: de
Raad als opdrachtgever of het PAR zelf? De commissie heeft geconstateerd dat
de Raad conform de richtlijnen van externe deskundigen heeft gehandeld. Deze
externe deskundige heeft een eigen verantwoordelijkheid met een eigen klachtprocedure.
De commissie kan hierover geen oordeel uitspreken en dient klager in deze
klachtpunten niet ontvankelijk te verklaren.
Nu de commissie niet de beschikking had over het gehele PARrapport, moet de
vraag over de juistheid van de samenvatting van het PARrapport in het raadsrapport
achterwege blijven.
18. dit klachtpunt acht de commissie ongegrond: De brief is gedateerd 11-7-1999,
derhalve niet recent. Voorts is de informant naar het oordeel van de commissie
niet geheel onafhankelijk. De commissie deelt het standpunt van de Raad.
Het klachtpunt is ongegrond.
19. het staat de Raad vrij te oordelen óf en hoe informatie gebruikt kan worden
bij de opstelling van het rapport. Dat de Raad in casu de door klager zeer
relevant geachte informatie niet heeft vermeld, kan naar het oordeel van de
commissie niet tot gegrondverklaring van dit klachtpunt leiden.
20. het aanbod tot meer informatie is aan het PAR gedaan en staat derhalve
niet ter beoordeling van de commissie. In dit klachtpunt is klager niet ontvankelijk.
21. is onder klachtpunt CII-6 behandeld. Onder verwijzing hiernaar dient dit
klachtpunt eveneens gegrond te worden verklaard.
22. is onder klachtpunten
CIII- 8 tot en met 13 behandeld en dient onder verwijzing hiernaar eveneens
gegrond te worden verklaard.
23. op 29 juni 1999 is de Raad met het onderzoek van start gegaan en het laatste
raadsrapport is van 1 augustus 2000. De duur van het onderzoek is derhalve
ruim een jaar. In aanmerking genomen dat van deze periode omstreeks vijf maanden
in beslag zijn genomen door extern onderzoek bij het PAR, kan de commissie
zich desondanks niet aan de indruk onttrekken dat ook de Raad de lange tijdsduur
is aan te rekenen en dat dit klachtpunt gegrond dient te worden verklaard.
Klacht E.
1. aangezien de commissie niet de beschikking heeft over het PARrapport is
zij aangewezen op de formulering terzake in het raadsrapport. De commissie
acht het een kwestie van interpretatie. Met overname van de motivering die
de adjunct-directeur in zijn beslissing dienaangaande geeft, oordeelt de commissie
dit klachtpunt ongegrond.
2 en 3. het gaat hier om de inhoud en de motivering van het advies van de
Raad aan de rechtbank. Ten aanzien hiervan is de commissie niet bevoegd een
oordeel uit te spreken. Klager is in deze klachtpunten niet ontvankelijk.
4. ook dit klachtpunt heeft betrekking op de inhoud van het advies van de
Raad aan de rechtbank. Eveneens dient de commissie zich hier van een oordeel
te onthouden.
Klager dient in dit klachtpunt niet ontvankelijk te worden verklaard.
Klacht F. De commissie
acht dit klachtpunt gegrond. Discutabel is namelijk op welke datum het PARrapport
precies als voltooid kan worden geacht.
De commissie kan zich niet indenken dat - in aanmerking genomen dat deze proefcontacten
een stap in de goede richting zouden kunnen zijn geweest - er absoluut geen
mogelijkheid voor de Raad is geweest om in overleg met het PAR deze proefcontacten
te realiseren.
Klacht G. ter zitting is duidelijk geworden dat alle drie onderdelen door
de adjunct-directeur als gegrond verklaard zijn bedoeld. De commissie zal
derhalve hierover geen oordeel uitspreken.
BESLISSING:
Gegrond: klachten
A, C2 , C6 , C8 tot en met 13 , D2 , D5 , D21, D22, D23 en F
Ongegrond: klachten C1, C3 , C4 , C5 , C7 , C14 , C15 , C16 , D1, D4, D18,
D19 en E1.
Buiten beoordeling: D3 en G
Niet ontvankelijk: D6 tot en met 17, D20, E2, E3 en E4.
Aldus beslist op ii
april 2001 door Klachtencommissie III, die als volgt was samengesteld:
mr Aaaa, voorzitter
mr Bbbb, lid
drs Cccc, lid
Bijgestaan door mr Dddd, secretaris W.g.voorzitter w.g. secretaris
voor eensluidend afschrift
conform, ONDERTEKENING , secretaris.
De klachtencommissie geeft door middel van een afschrift kennis van deze beslissing
aan:
- klager;
- Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Haarlem;
- Directie Noord-West
- De Minister van Justitie.
De beslissing is verzonden op: ii mei 2001