Rechtspraak:
inleiding

Stichting Ouders Zonder Omgang

 

 

 

 

 

 

Principe

Omgangszaken

 

 

 

Principe

De rechtsprekende macht is de derde poot van de trias politica, het model waarnaar elke moderne staat is ingericht.

In een rechtszaak staan twee partijen tegenover elkaar. Zij wisselen hun argumenten volgens een voorgeschreven procedure in schriftelijke en mondelinge stukken. De taak van de rechter is om te beslissen van welke zijde de beste argumenten zijn ingebracht. Met het zoeken en formuleren van argumenten houdt de rechter zich niet bezig. Dat is niet zijn taak, die daarom 'lijdelijk' wordt genoemd.

Er zijn twee hoofdgebieden van rechtspraak: het strafrecht en het civiele recht. Het strafrecht wordt toegepast wanneer een rechtspersoon een strafbaar feit begaat. Wat strafbaar is staat in het Wetboek van Strafrecht, het Openbaar Ministerie (politie, officier van justitie) zorgt voor opsporing en berechting van daders van strafbare feiten. De uitspraak van de rechter in zo'n zaak heet "vonnis".
Wanneer twee civiele partijen een meningsverschil hebben over de betekenis van de (civiele) wet, kan de civiele rechter te hulp worden geroepen.
Een civiele procedure begint ermee dat een partij een verzoekschrift indient bij de rechter (met kopie aan de wederpartij) tot het toewijzen van een of andere vordering.
De wederpartij dient daarop een verweerschrift in, waarna eventueel repliek en dupliek volgen, en de zaak komt voor de rechter die partijen nader aan de tand voelt en ten slotte een beschikking afgeeft.
In een dergelijke verzoekschriftprocedure wordt de terechtzitting, afhankelijk van de drukte op de Rechtbank, meestal enkele maanden later vastgesteld.
Een partij die een spoedeisend belang heeft kan een zitting in kort geding aanvragen. Die vindt meestal op een termijn van hooguit enkele weken plaats.

Waar de wet het recht op omgang formuleert, is het de taak van de rechter om een omgangsregeling vast te leggen. Precies zoals het woord zegt, legt de rechter de regels vast volgens welke in het specifieke geval uitvoering aan het recht op omgang zal worden gegeven.
In Nederland wordt de omgang ook wel buiten de rechter om, via tussenkomst van advocaten in een convenant vastgelegd. Wanneer het er op aan komt de omgang door middel van een sanctie af te dwingen, biedt zo'n convenant echter onvoldoende basis. Omdat omgang een recht is, moet er ook altijd een regeling worden vastgelegd. Tenzij er redenen zijn om het recht op omgang te ontzeggen.
Over de toepasselijkheid van zulke redenen beslist uitsluitend de rechter. Een beperking daarbij is de lijdelijkheid van de rechter. Die houdt in, dat de rechter zich niet bemoeit met het verzinnen of zoeken van argumenten, Dat is een taak voor partijen.
Een gevolg van die lijdelijkheid is overigens, dat aan een onderzoek dat op verzoek van de rechter wordt uitgevoerd, feitelijk dezelfde eis van lijdelijkheid moet worden gesteld. Dus wel onderzoeken, maar niet zoeken.

De taak van de rechter is dus tweeledig:
1. het recht op omgang gemotiveerd ontzeggen, of
2. het recht op omgang in een regeling vastleggen.

Behalve op de wet, baseert de rechter zich ook op jurisprudentie. Dat is het geheel van eerdere rechterlijke uitspraken op hetzelfde gebied waarvan dus een sturende werking uitgaat.
Als een rechter in Assen altijd omgang zou ontzeggen en een rechter in Middelburg juist wel steeds een regeling zou treffen, zouden zorgouders door verhuizing naar een zeker arrondissement zelf de uitslag van hun zaak kunnen bepalen. Dat zou een ongewenste inbreuk zijn op het principe van de rechtsgelijkheid.
Gelijk recht in gelijke zaken is het uitgangspunt. Een gevolg hiervan is, dat als de rechter eenmaal een beschikking heeft afgegeven, niet zomaar om een andere (nieuwe) uitspraak van de rechter kan worden gevraagd. De rechter behandelt een nieuw verzoek tussen de zelfde partijen pas, als er sprake is van een wijziging van omstandigheden die noopt tot een nieuwe rechterlijke beslissing.

Van een rechterlijke beschikking kan éénmaal beroep worden aangetekend bij een hogere rechtbank. Van de hogere uitspraak is geen beroep mogelijk.
Wel kan van die beschikking cassatie (vernietiging) worden gevraagd bij de Hoge Raad. De Hoge Raad houdt zich niet bezig met het geschil tussen partijen, maar uitsluitend met de vraag of de spelregels van het recht op de juiste wijze zijn toegepast.
Als de Hoge Raad besluit tot cassatie van een vonnis of beschikking, wordt de zaak terugverwezen naar de rechter voor een nieuwe uitspraak of een betere motivatie van de oude uitspraak.

terug naar de top

 

 

Omgangszaken

Het vastleggen van een omgangsregeling is een taak voor de arrondissementsrechter, en in sommige situaties voor de kantonrechter.
Een daartoe strekkend verzoekschrift moet worden ingediend door een advocaat. De advocaat brengt zijn werk in rekening, plus de griffiekosten die hij aan de rechtbank moest betalen. Met een verklaring omtrent inkomen en vermogen, door de cliënt aan te vragen bij de gemeente, kan de advocaat rechtsbijstand voor zijn cliënt aanvragen - een bijdrage in de kosten. Deze bijstand is afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt.

In omgangszaken wordt veelal nog in het oude stramien (volgens de wet van voor 1990) gedacht. Ook in kringen van advocatuur en rechtspraak is anno 2003 nog lang niet de opvatting uitgebannen dat omgang een gunst is, die de omgangsouder ten deel kan vallen als hij zich daarvoor maar kwalificeert.

Het recht in omgangszaken is in de meeste gevallen een ordinaire gooi- en smijtpartij, waarin de zorgouder zich maar al te graag bedient van valse aantijgingen - om bewijs wordt niet gevraagd - en van gespeelde angst voor de omgangsouder.
Omdat rechters maar al te vaak bedienen van drogredenen als "het zekere voor het onzekere kiezend", of "kiezend voor het minste van twee kwaden", ontstaat er een rechtscultuur waarin de strijd, door het uiten van ongegronde beschuldigingen en het voorwenden van zogenaamde bezorgdheid, wordt uitgelokt en aangemoedigd.

Wie als litigant, als rechtspartij dus, in zo'n omgangsstrijd belandt, moet zelf goed op de hoogte zijn van de regels en de wetten.

Omdat de rechtsstrijd dikwijls onfatsoenlijk verloopt - stukken worden opzettelijk extreem laat ingediend, de wederpartij wordt niet of te laat geïnformeerd, de meest absurde en verwerpelijke argumenten worden onverhoeds ingebracht - is het nodig dat de litigant ook zelf de agenda bewaakt en zelfs, buiten de gerechtelijke procedure om, onfatsoenlijk optreden door de advocaat van de wederpartij bij de Deken aan de kaak stelt.

De Nederlandse Orde van Advocaten heeft een beroepscode opgesteld, waaraan alle advocaten zich hebben te houden. Wie twijfels heeft kan die beroepscode raadplegen om vast te stellen of er voor hem een klacht in zit. Zie de website van de Nederlandse Orde van Advocaten. De klacht moet worden ingediend bij de Deken in het arrondissement.
Net als in zaken bij het Medisch Tuchtcollege moet een klager zich prepareren op een confrontatie waarbij de beroepsgroep in de eerste plaats zichzelf beschermt.
Derhalve moeten opstelling en formulering van de klacht aan hoge eisen voldoen.

terug naar de top