RB0304
Inleiding RB0304
Van een bevriende monitor kwam onderstaand vonnis om kort geding.
Een door vader gestarte poging om het met zijn moeder naar het buitenland
geëmigreerde kind naar Nederland terug te halen, vond genade in de ogen van
de Nederlandse rechter.
Het verzoek van vader bij de buitenlandse rechter tot terugplaatsing, acht
de Nederlandse rechter in beginsel toewijsbaar.
Het verzoek van moeder om toestemming voor het voorlopig verblijf van het
kind in het buitenland wordt afgewezen.
En tenslotte wordt het verzoek van moeder om de omgang te schorsen afgewezen,
en wordt moeder bevolen mee te werken aan de omgang, op straffe van een dwangsom.
Rechtbank Leeuwarden Sector civiel recht Korte Gedingen Uitspraak: ii april 2003
VONNIS
van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van:
[eiseres] wonende te
[adres]
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
procureur: mr. Ddddd
tegen
[gedaagde]wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie
procureur: mr. Kkkk
PROCESGANG
Eiseres in conventie,
verder te noemen [eiseres], heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden
in kort geding gevorderd:
I. gedaagde, hierna te noemen [gedaagde] (kort gezegd) te veroordelen tot
intrekking van de door de Centrale Autoriteit geëntameerde teruggeleidingsprocedure,
met als sanctie verbeurte van een dwangsom, alsmede
II. [eiseres] voorlopig toestemming te geven de verblijfplaats van de minderjarige
[kind] bij haar op [buitenland] te laten zijn en
III. de bij beschikking van de rechtbank te Leeuwarden d.d. ii april 2002
vastgestelde omgangsregeling tussen [gedaagde] en [kind] te schorsen.
Partijen hebben hun standpunten ter terechtzitting van ii april 2003 door
hun raadslieden doen toelichten; [gedaagde] met conclusie tot afwijzing van
de vordering van [eiseres].
In reconventie heeft [gedaagde] gevorderd dat de voorzieningenrechter bij
vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] -kort gezegd-
zal bevelen haar medewerking te verlenen aan een omgangsregeling tussen [gedaagde]
en [kind] van ii april 2003 tot en met ii mei 2003 met machtiging van [gedaagde]
tot tenuitvoerlegging met de sterke arm en met als sanctie verbeurte van een
dwangsom en tot veroordeling in de proceskosten van [eiseres].
[eiseres] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de reconventionele vordering.
Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd. De rechter doet heden
uitspraak op basis van het griffiedossier, waarvan de inhoud als hier ingelast
geldt.
RECHTSOVERWEGINGEN
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is, gelet op alle omstandigheden,
voldoende aannemelijk dat beide partijen een spoedeisend belang hebben bij
het door hen gevorderde.
Vaststaande feiten
In dit kort geding gelden
onder meer de navolgende feiten als vaststaand.
1. Bij beschikking van deze rechtbank van ii juli 2001 is de echtscheiding
tussen partijen uitgesproken en is bepaald het minderjarige kind van partijen,
[kind], voortaan zijn hoofdverblijf bij [eiseres] zal hebben. Het gezamenlijk
gezag is na echtscheiding van rechtswege in stand gebleven.
2. Bij beschikking van deze rechtbank van ii april 2002 is door de rechtbank
te Leeuwarden een omgangsregeling vastgesteld tussen [gedaagde] en [kind],
inhoudende dat [gedaagde] de minderjarige één weekend per veertien dagen van
vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij zich zal hebben, terwijl de omgang
tijdens vakanties en feestdagen in onderling overleg geregeld zal worden.
3. Na ii mei 2002 is er geen contact meer geweest tussen [gedaagde] en [kind].
4. Op ii augustus 2002 is [eiseres] gehuwd met de heer [echtgenoot] die op
[buitenland] woont en in [buitenland] werkt en zij is op ii augustus 2002
met [kind] naar [buitenland] geëmigreerd. Haar procureur heeft [gedaagde]
daarvan op ii augustus 2002 schriftelijk op de hoogte gesteld.
5. Op ii december 2002 heeft [gedaagde] de Centrale Autoriteit ingeschakeld
teneinde de teruggeleiding van [kind] naar Nederland te bewerkstelligen. Op
ii maart 2003 en op ii april 2003 is dit verzoek van de Centrale Autoriteit
op [buitenland] door de rechter behandeld; er is nog geen uitspraak gedaan.
6. [eiseres] heeft op ii maart 2003 een verzoek ingediend bij de rechtbank
Leeuwarden -bekend onder zaaknummer 9999- waarin zij onder meer verzoekt te
bepalen dat [gedaagde] geen recht meer zal hebben op omgang met de minderjarige
en dat de minderjarige zijn hoofdverblijf op [buitenland] zal hebben zo lang
[eiseres] daar woont. Deze zaak zal op ii mei 2003 worden behandeld.
7. [gedaagde] heeft [kind] nu al geruime tijd niet meer gezien en hij wenst
zijn zoon om te beginnen in de meivakantie te zien.
Rechtsmacht en bevoegdheid
ten aanzien van de verblijfplaats en de omgang
Op grond van artikel 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 heeft
de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van gezagskwesties na echtscheiding
als het kind in feite in Nederland duurzaam zijn gewone verblijfplaats heeft.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit gewone verblijf geen
wijziging gekomen, omdat enerzijds de tijd die is verstreken sedert de emigratie
van [kind] daartoe onvoldoende is en anderzijds omdat [gedaagde], als gezaghebbende
ouder, zich bij de overbrenging van het kind naar [buitenland] niet heeft
neergelegd.
Nu [eiseres] de minderjarige zonder toestemming van [gedaagde] vanuit Nederland
naar [buitenland] heeft overgebracht, geldt daarom de laatste gewone verblijfplaats
van het kind waarover geen geschil bestond, te weten Nederland. Het feit dat
[kind] door [eiseres] naar [buitenland] is overgebracht kan er niet toe leiden
dat aan de huidige verblijfplaats gevolgen moeten worden verbonden ten aanzien
van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De Nederlandse rechter in kort
geding is dan ook bevoegd een oordeel te geven ten aanzien van de vorderingen
over en weer die de minderjarige betreffen.
Het geschil
standpunt van [eiseres]
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] sinds ii mei 2002 niet
heeft geprotesteerd tegen de verhuizing naar [buitenland], zodat van ongeoorloofde
overbrenging geen sprake is. In haar visie maakt hij misbruik van recht, cq
handelt hij in strijd met de redelijkheid en billijkheid door daadwerkelijk
teruggeleiding van [kind] naar Nederland te verlangen terwijl het gezags-
en omgangsrecht niet door [eiseres] is geschonden.
Het door [gedaagde] beoogde resultaat dat er weer omgang komt tussen hem en
[kind] zal niet worden bereikt door de teruggeleiding: de omgang is tot dusver
verre van vlekkeloos verlopen, [gedaagde] heeft het kind gekwetst door hem
af te wijzen en door [gedaagde] is er bovendien als sinds ii mei 2002 geen
enkel contact meer met het kind gezocht. Het kind heeft daar onder geleden.
[eiseres] gaat daarom niet zonder meer akkoord met herstel van de contacten
tussen vader en zoon. Ter terechtzitting in kort geding heeft haar procureur
nog benadrukt dat er geen basis is voor overleg over omgang in de meivakantie
op [buitenland], omdat [eiseres] geen vertrouwen in [gedaagde] heeft.
[eiseres] acht teruggeleiding niet in het belang van [kind] omdat zijn toekomst
op [buitenland] ligt en hij is begonnen in klas pre-K, waar hij spelenderwijs
de engelse taal leert. Dit onderwijs is een goede manier om in de gemeenschap
op [buitenland] te worden opgenomen. Indien [eiseres] met het kind in Nederland
zou zitten betekent dit dat haar gezinsleven op [buitenland] wordt verstoord.
Er bestaat geen vluchtgevaar.
standpunt van [gedaagde]
De communicatie en informatieverstrekking tussen partijen was en is slecht.
Op ii mei 2002 werd bij [gedaagde] de suggestie gewekt dat [eiseres] op zeer
korte termijn met [kind] naar [buitenland] zou vertrekken en [eiseres] heeft
niet de moeite genomen deze indruk bij hem weg te nemen. In augustus 2002
kreeg [gedaagde] wel een brief dat [eiseres] en [kind] naar [buitenland] gegaan
waren, maar adresgegevens werden niet verstrekt. Op [buitenland] bleek [eiseres]
ingeschreven te staan op een vals adres. [gedaagde] ontkent dat hij heeft
berust in de verhuizing van [kind]: [eiseres] is stiekem vertrokken en heeft
haar nieuwe adres geheim gehouden.
Indien [gedaagde] zijn verzoek om teruggeleiding zou intrekken, loopt hij
een reële kans dat hij [kind] nooit meer zal zien: [eiseres] krijgt dan immers
haar paspoort terug van de rechter op [buitenland], waarna het voor haar niet
moeilijk zou zijn om met [kind] naar [buitenland] -waar haar man werkt- te
verhuizen, met welk land geen uitleveringsverdragen bestaan. Om deze reden
verzet hij zich er ook tegen dat de voorlopige verblijfplaats van [kind] op
[buitenland] zal worden bepaald.
[gedaagde] ontkent dat hij "afstand" van [kind] zou hebben gedaan en hij betreurt
het dat de feiten zo aan [kind] worden gepresenteerd. Hij houdt veel van zijn
zoon en vindt het voor een goede en evenwichtige ontwikkeling van [kind] van
belang dat hij op een ontspannen wijze contact kan blijven onderhouden met
zijn vader. De relatie tussen [gedaagde] en [kind] is altijd goed geweest;
[eiseres] heeft de omgang zelf gefrustreerd door de ontstane misverstanden
niet recht te zetten.
[gedaagde] wil de contacten met zijn zoon graag op korte termijn herstellen;
hij stelt voor om in de meivakantie naar [buitenland] te komen om het kind
te ontmoeten. Hij verzet zich tegen de door [eiseres] gevorderde schorsing
van de door de rechtbank Leeuwarden vastgestelde omgangsregeling.
De beoordeling
ten aanzien van het intrekken
van de teruggeleiding
Gehoord partijen kan niet op voorhand geconcludeerd worden dat [gedaagde]
met zijn verzoek bij de Centrale Autoriteit onrechtmatig jegens [eiseres]
handelt of dat hij misbruik van recht maakt.
Het verzoek van [gedaagde] tot teruggeleiding, waarop de rechter op [buitenland]
thans dient te beslissen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter
in beginsel toewijsbaar; op de beoordeling ervan door de rechter op [buitenland],
alsmede diens oordeel over de gevoerde of nog te voeren verweren, dient niet
te worden vooruitgelopen.
De vordering van [eiseres] om [gedaagde] te bevelen de teruggeleidingsprocedure
in te trekken zal daarom worden afgewezen.
ten aanzien van de voorlopige
verblijfplaats van [kind] op [buitenland]
De doelstelling van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten
van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987,
139), waarbij zowel Nederland als [buitenland] verdragsluitende staten zijn,
is dat de onmiddellijke terugkeer van minderjarigen naar het land van hun
gewone verblijfplaats wordt gewaarborgd, alsmede dat het omgangsrecht wordt
verzekerd. In de opzet van de verdragsregeling heeft de onmiddellijke terugkeer
van het kind de hoogste prioriteit gekregen. Deze kwestie is op [buitenland]
aanhangig en wacht op een rechterlijke beslissing.
[eiseres] heeft thans gevorderd dat de voorzieningenrechter haar voorlopig
toestemming geeft om de verblijfplaats van [kind] bij haar op [buitenland]
te laten zijn, totdat door de Nederlandse rechter in de bodemprocedure -onder
zaaknummer 99999- zal zijn beslist.
Nu de voorzieningenrechter de vordering van [eiseres] onder I. af zal wijzen,
zal ook de vordering onder II. worden afgewezen: of [kind] voorlopig al dan
niet op [buitenland] kan blijven hangt immers af van de uitkomst van de geëntameerde
teruggeleidingsprocedure op [buitenland].
Dat bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden op ii juli 2001 is bepaald
dat het hoofdverblijf van [kind] voortaan bij [eiseres] zal zijn, wil nog
niet zeggen dat zij het recht heeft om de minderjarige naar [buitenland] over
te brengen zonder toestemming van de andere gezaghebbende ouder, laat staan
zonder deze te raadplegen. Bij verschil van mening had het op de weg van [eiseres]
gelegen een procedure op grond van artikel I:253a BW aan te spannen.
ten aanzien van de omgang
[eiseres] heeft gevorderd de bij beschikking van de rechtbank te Leeuwarden
d.d. ii april 2002 opgelegde omgangsregeling tussen [gedaagde] [kind] te schorsen
tot in de bodemprocedure -onder zaaknummer 99999- zal zijn beslist.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding de omgangsregeling te schorsen,
zoals [eiseres] thans eist; de vastgestelde omgangsregeling zal in stand worden
gelaten. De oorzaak dat de omgang sinds ii mei 2002 niet meer is geëffectueerd
moet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de eerste plaats
bij [eiseres] gezocht worden.
Het ligt niet in de lijn der verwachting dat de omgang tussen [gedaagde] en
[kind] op [buitenland] gerealiseerd kan worden, maar evenmin dat [gedaagde]
de omgang onverkort ten uitvoer zal leggen. Mocht het zo zijn dat [kind] op
korte termijn weer naar Nederland komt, dan spelen de praktische problemen
-gelegen in de geografische afstand- niet meer, maar zal gekeken moeten worden
of de omstandigheden dermate gewijzigd zijn dat de vastgestelde omgang niet
meer (onverkort) in stand kan blijven.
In de vastgestelde omgangsregeling van ii april 2002 is onder meer bepaald
dat de omgang tijdens vakanties en feestdagen in onderling overleg geregeld
zal worden. Thans moet geconstateerd worden dat dit onderling overleg schromelijk
gefaald heeft. [eiseres] heeft zich in kort geding verzet tegen omgang tussen
[gedaagde] [kind] tijdens de meivakantie op [buitenland], maar dit verweer
zal als niet, althans onvoldoende gemotiveerd worden gepasseerd. Hoewel de
kort geding rechter in het algemeen terughoudend is met het opleggen van omgangsregelingen
is hij van oordeel dat [gedaagde] een gerechtvaardigd belang bij herstel van
de contacten heeft. Op grond van artikel I:253a BW zal daarom worden bepaald
dat [gedaagde] het recht heeft om [kind] in de meivakantie ten minste drie
dagen -al dan niet aaneengesloten- op [buitenland] bij zich te hebben.
Dwangmiddelen
De vordering om [gedaagde] te machtigen dit vonnis ten uitvoer te leggen met
behulp van de sterke arm van politie en justitie zal als niet op de wet gegrond
worden afgewezen.
De door [gedaagde] gevorderde
dwangsom zal worden toegewezen.
Proceskosten
De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden, nu partijen
met elkaar gehuwd zijn geweest.
BESLISSING
De rechter, rechtdoende
in kort geding :
in conventie:
1. wijst af de vorderingen van [eiseres];
in reconventie:
2. beveelt [eiseres] mee te werken aan een omgangsregeling op [buitenland]
tussen [gedaagde] en de minderjarige [kind], geboren op ii juli 1998 in de
gemeente Assen gedurende ten minste drie -al dan niet aaneengesloten- dagen
in de periode ii april 2003 tot en met ii mei 2003;
3. bepaalt dat [eiseres] bij elke door haar gepleegde overtreding van voormeld bevel telkens een dwangsom van EU 1.000,- (zegge: duizend euro) per dag verbeurt;
4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5. wijst af het meer of anders gevorderde;in conventie en in reconventie:
6. compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bbbb, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van ii april 2003.