RB02091



Inleiding RB02091
In deze zaak week het recht op omgang voor een door de Raad vastgesteld probleem aan de zijde van de moeder. Zij claimde hevige angsten, voor of in verband met vader. De Raad rapporteerde daarvoor geen objectieve gronden te kunnen vinden, maar adviseerde desondanks tegen omgang. Sinds 2001/2002 verwijst de Raad kritiek en/of klachten graag naar de toezicht houdende rechter. De man bracht zijn commentaar op het raadsonderzoek derhalve in de procedure naar voren. Volgens de beschikking kan de Rechtbank echter geen oordeel kan vellen over de algemene kritiek van de man op de werkwijze van de Raad, terwijl zijn meer specifieke kritiek van de hand wordt gewezen met het argument dat de Raad toch ook heeft gerapporteeerd dat er in de persoon van de man geen bezwaren zijn tegen omgang. De Rechtbank besluit de omgang niet vast te leggen.

 

RECHTBANK LEEUWARDEN
sector civiel recht
afdeling familierecht

Uitspraak:
ii november 2002
Rekestnummer: 99/99
Zaaknummer: 99999
OMGANG


BESCHIKKING
van de rechtbank te Leeuwarden, enkelvoudige familiekamer, in de zaak van:

De Man, wonende te Jjjj,
procureur mr. Tttt, advocaat mr. Wwww te Groningen,

tegen

De Vrouw,
wonende te Gggg, procureur mr. Jjjjj.


PROCESGANG

Bij beschikking van ii april 2002 - waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast geldt - heeft de rechtbank de stukken in handen gesteld van de raad voor de kinderbescherming (hierna de rand) met het verzoek met spoed een onderzoek in te stellen naar de wenselijkheid van de vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en D2000 en wijziging van de hoofdverblijfplaats van D2000.
Bij de stukken bevindt zich de rapportage van de raad van ii september 2002 en de brief van de raad van jj september 2002 met daarbij gevoegd de reactie van de vrouw op de inhoud van de rapportage.
Het verzoek is behandeld op de terechtzitting met gesloten deuren van ii oktober 2002.

 

RECHTSOVERWEGINGEN

Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld en op de inhoud van het dossier, overweegt de rechtbank het volgende.

Met betrekking tot de primair door de man verzochte wijziging van de hoofdverblijfplaats van D2000 heeft de raad in genoemd rapport aangegeven dat deze niet in het belang van D2000 is. De raad verwijst dienaangaande onder meer naar de verschillende levensstijlen van de man en de vrouw en naar de gehechtheid van D2000 aan de vrouw. Het doorbreken van die gehechtheid zou voor D2000 een traumatische ervaring opleveren die in haar verdere leven gevolgen zou hebben voor haar gevoel van veiligheid en vertrouwen.
De raad heeft verder meegedeeld niet in staat te zijn de rechtbank ten aanzien van de door de man verzochte omgangsregeling te adviseren. Wel heeft de raad aangegeven dat er aan de zijde van vader en kind geen ontzeggingsgronden spelen: D2000 is een gezonde en fleurige peuter en de man heeft geen daden op zijn geweten waardoor hij geen onderhoud met zijn kind zou kunnen hebben.
De vrouw kan volgens de raad de man niet verdragen: zij wordt ziek en misselijk van hem, verkrampt en blokkeert volkomen in haar doen en laten. De raad is van mening dat blootstelling van de vrouw aan een regelmatige omgangsregeling zou kunnen betekenen dat moeder gaat disfunctioneren en dat daardoor het welzijn van D2000 in gevaar komt. De raad beschrijft de angst van de vrouw als echt.

Ter zitting is namens de man kritiek geuit op de onderzoeksmethoden van de raad in het algemeen en het onderhavige onderzoek in bijzonder, waarbij ondermeer is verwezen naar een recent artikel van prof. P. Hoefnagels. Zakelijk weergegeven is de man van mening dat de raad de onderzoeksvragen verkeerd formuleert en onjuiste observaties doet betreffende hem, de vrouw en D2000. Hij plaatst vraagtekens bij de conclusie van de raad dat de angst van de vrouw voor de man echt is.
De man benadrukt dat het rechtop omgang tussen niet-verzorgende ouder en kind de norm behoort te zijn en hij doet het verzoek aan de rechtbank, indien geen omgangsregeling mocht worden vastgesteld, een dergelijke beslissing uitdrukkelijk te motiveren.

De vrouw erkent het wettelijk recht op omgang. Zij wijst er evenwel op dat de spanningen en de blokkade ten aanzien van omgang bij haar een schadelijk effect op D2000 hebben. Om die reden moet volgens de vrouw geen omgang plaatsvinden tussen D2000 en de man. De vrouw benadrukt dat haar angst serieus moet worden genomen. Wel neemt zij de suggestie van de raadsonderzoeker over om door middel van therapie haar angst voor de man te bestrijden.

Als reactie op de kritiek van de man geeft de raadsvertegenwoordiger ter zitting aan dat de onderzoeksvragen tot doel hadden omwille van D2000 inzicht te verkrijgen in de beleving van de beide ouders, maar vooral in die van de vrouw.

De rechtbank beoordeelt de standpunten over en weer als volgt.
Met de raad is de rechtbank van oordeel dat er geen omstandigheden zijn die er op duiden dat een wijziging de hoofdverblijfplaats in het belang van D2000 is.
Omtrent de algemene kritiek van de man op de werkwijze van de raad kan de rechtbank geen oordeel vellen. Waar zijn kritiek is toegespitst op de onderhavige rapportage wijst de rechtbank er op dat, welke eigenschappen de raad ook aan de man (en de vrouw) toebedeelt, de raad tegelijkertijd stelt dat er in de persoon van de man geen bezwaren zijn gelegen tegen omgang met D2000.
De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat hetgeen de raad rapporteert omtrent de aard van de angst van de vrouw, namelijk dat deze reëel is en serieus genomen moet worden, niet juist zou zijn.
Om die reden is de rechtbank van oordeel dat vaststelling van een omgangsregeling op dit moment in strijd is met zwaarwegende belangen van D2000. Er moet van worden uitgegaan dat de angst van de vrouw dusdanig hevig is dat het forceren van omgang schade voor D2000 zal opleveren, doordat de vrouw daardoor niet meer goed in staat zal zijn als moeder en verzorgende ouder te functioneren. Verder komt uit de rapportage naar voren dat partijen beide niets zien in gebruikmaking van een omgangshuis, zodat deze optie - voor zover op dit moment aan de orde - afvalt. Het hiervoor gesteIde houdt geenszins in dat er naar liet oordeel van de rechtbank in de toekomst nimmer omgang tussen D2000 en de man zou moeten plaatsvinden. Het recht op omgang tussen de niet-verzorgende ouder en het kind is het uitgangspunt en afwijzing van omgang vormt de uitzondering op die regel. De rechtbank spreekt daarom de hoop uit dat de vrouw de therapie die zij is begonnen zal voortzetten en dat dit er uiteindelijk toe zal leiden dat haar angst voor de man afneemt, althans voor de vrouw hanteerbaar wordt, waardoor de weg naar (de start van) een omgangsregeling geëffend kan worden. De rechtbank acht het evenwel niet waarschijnlijk dat dit binnen het tijdsbestek van een jaar het geval zal zijn.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het primaire en subsidiaire verzoek van de man afwijzen.

 

BESLISSING

De rechtbank.

wijst af het door de man verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. Bbbb, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag ii november 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.

Van de einduitspraak in deze beschikking kan binnen 3 maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. Indien u in deze procedure bent verschenen start deze termijn op de dag van de uitspraak, Als u niet in de procedure bent verschenen kan de termijn op een latere datum beginnen. Volgens de wet bent u veplicht om voor het instellen van hoger beroep een advocaat in te schakelen. In verband met de beperkte termijn dient u zo spoedig mogelijk contact met uw/een advocaat op te nemen!

De griffier

Voor eensluidend afschrift de griffier van de rechtbank te Leeuwarden ii NOV. 2002 .