DPJS: Producten - Perspectief
Home
DPJS
DPJS: Tijdschriften
DPJS: Producten - Perspectief

Dwaze vader krijgt grotendeels gelijk van klachtencommissie

Een dwaze vader , dr. Theo Nieuwenhuizen uit Amsterdam, kreeg grotendeels gelijk met een klacht tegen de Raad voor de Kinderbescherming vestiging Haarlem en de Directie Noord-West. In een door de rechter gevraagd onderzoek naar (uitbreiding van) een omgangsregeling voor zijn zoon is de raadsonderzoeker in kwestie niet juist gestart.

De raadsonderzoeker had moeder er vervolgens op moeten wijzen dat de rechtbank op 19 januari 1999 een voorlopige omgangsregeling had vastgesteld en dat zij die moest nakomen. Volgens de klager hadden raadsmedewerkers haar gesteund in haar weigerachtige houding, maar dat is volgens de klachtencommissie niet aangetoond.

Adjunct-directeur Guido Zuur had op de zitting van de commissie toegegeven dat de Raad de onderzoeksvragen niet juist had geformuleerd. Volgens de commissie is dat doorslaggevend geweest voor het verloop van het onderzoek.

De Raad was gestart met onderzoek naar eventuele ontzeggingsgronden voor de omgang. Dan zou de raadsonderzoeker volgens de commissie ook aan vader een medische verklaring hebben moeten vragen om na te gaan of de beschuldiging van moeder dat hij epileptisch was, juist was. De Raad is op dit punt in gebreke gebleven, constateert de klachtencommissie. In haar uitspraak geeft de commissie verder aan dat het raadsonderzoek niet objectief is geweest: De commissie kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er weinig positieve aspecten over klager en daarentegen meerdere positieve aspecten over moeder in het rapport worden vermeld. De verhouding tussen zowel positieve als negatieve kanten van klager en moeder komt niet erg evenwichtig op de commissie over .

Te lang geduurd

De klachtencommissie verwijt in haar uitspraak de Raad ook dat het hele onderzoek meer dan een jaar heeft geduurd. In aanmerking genomen dat van deze periode omstreeks vijf maanden in beslag zijn genomen door extern onderzoek, kan de commissie zich desondanks niet aan de indruk onttrekken dat ook de Raad de lange tijdsduur is aan te rekenen en dat dit klachtpunt gegrond dient te worden verklaard . De commissie acht ook gegrond de klacht dat de Raad in strijd met de opdracht van de rechtbank geen proefcontacten tussen vader en zijn zoon heeft georganiseerd. Adjunct-directeur Zuur had al toegegeven dat het raadsrapport ten onrechte niet had vermeld dat vader sinds het begin van het onderzoek al geen omgang meer met zijn zoon had.

Onduidelijke formulering

In een brief aan klager schrijft adjunct-directeur Zuur vervolgens dat de door de klachtencommissie als onjuist betitelde start van het onderzoek was veroorzaakt door onduidelijke formulering van het verzoek van de rechtbank. In het onderhavige geval was het beter geweest wanneer de raad de rechtbank had verzocht om nadere uitleg . In de toekomst zal de Raad bij onduidelijke vraagstelling direct contact opnemen met de rechtbank. Bovendien - zo schrijft Zuur – start de Raad tegenwoordig een onderzoek als dit met een bemiddelingsgesprek met beide ouders samen, zonder dat tevoren met een van de ouders afzonderlijk is gesproken.

Over het verwijt dat de raadsonderzoeker de moeder er niet op heeft gewezen dat zij moest beginnen met zich aan de opgelegde omgangsregeling te houden, zegt Zuur dat het niet binnen de taakomschrijving van een raadsonderzoeker ligt ouders te wijzen op de verplichtingen die uit een beschikking voortvloeien. Op dit punt zal de gegrondverklaring van de klachtencommissie volgens Zuur niet tot wijziging van het beleid leiden Dat zelfde schrijft de adjunct-directeur over het toewijzen van de klacht over niet met een medische verklaring verifiėren van de beschuldiging dat vader aan epilepsie lijdt. De Raad heeft de opmerkingen van moeder over uw epilepsieklachten op geen enkele wijze laten meewegen in het raadsrapport en het advies aan de rechtbank.

Zuur is het ook niet eens met de constatering van de klachtencommissie dat het raadsrapport onevenwichtig is over de positieve en negatieve kanten van vader en moeder. Wel zal de Raad voortaan alle bij een rapport betrokken raadsmedewerkers met name noemen, een punt waarop de klachtencommissie ook een klacht van de vader gegrond had geacht.

Geen beleidswijziging

De klachtencommissie vond ook dat de Raad ten onrechte het door vader aangeleverde foto- en filmmateriaal niet heeft vermeld. Ook op dat punt wijzigt de Raad het beleid niet. De ervaring leert dat dergelijk materiaal eenzijdig is . Evenzo houdt Zuur vol dat de Raad terecht geen proefcontacten tot stand heeft gebracht, omdat toen de beschikking daarover binnenkwam het onderzoek waarin die proefcontacten moesten worden meegenomen, al was afgerond.

De kritiek op de lange duur van het onderzoek deelt de adjunct-directeur wel. Hij schrijft in zijn brief: In ieder geval heeft deze zaak ertoe bijgedragen dat wij minder snel geneigd zijn tot uitstel van een onderzoek vanwege het indienen van een klacht. Desgevraagd licht hij toe de uitspraak met zijn medewerkers uitvoerig te hebben besproken. Dat doen we altijd wel, maar deze was tamelijk uniek en hebben we dus uitvoeriger bekeken . Jaarlijks krijgt de directie Noord tussen de tien en vijftien klachten waarvan de klachtencommissie meer dan de helft geheel of gedeeltelijk toewijst. De uitspraken gaan ook naar het landelijk hoofdkantoor, dat daarop jaarlijks een analyse maakt.

Naar Ombudsman

Nieuwenhuizen, die al twee jaar zijn nu negenjarige zoon niet mag zien, legt zich niet neer bij de stellingname van de directie Noord-West. Hij maakt gebruik van de mogelijkheid beroep aan te tekenen bij de Nationale Ombudsman.

Volgens een persbericht van de Stichting Dwaze Vaders zal hij bovendien de Raad aansprakelijk stellen voor zijn schade. Bij de stichting is naar aanleiding van deze zaak de vraag gerezen of rechters, die nogal makkelijk een raadsonderzoek vragen, zelf wel blijk geven van voldoende methodologisch inzicht. De wet biedt een helder gestructureerd beslissingsmodel waar de rechter zich aan te houden heeft, maar in de praktijk komt daar niets van terecht doordat rechters nog al te vaak de onmethodische vraag stellen wat het belang van het kind met zich brengt ten aanzien van de omgang. Die vraag is verboden, zo schrijven de Dwaze Vaders, omdat de wet in 1990 die vraag al heeft beantwoord: omgang met de andere ouders is een belang van het kind. De rechter moet een omgangsregeling vaststellen. Alleen als sprake is van strikt omschreven ontzeggingsgronden mag omgang worden ontzegd.

Ger Dullens

Laatst gewijzigd: 08-11-2001