PER0403
Weg met de Raad, weg met Bureau Jeugdzorg,
Perspectief 2004-03
Een bijdrage in de discussie over de afschaffing van de Raad voor de Kinderbescherming.
Er is geen ouder die niet graag ziet dat zijn kind over de bol wordt geaaid of wordt gecomplimenteerd, door een buitenstaander. Het voedt zijn oudertrots en legitimeert de onbedaarlijke wijze waarop hij van zijn kinderen houdt.
Met een draai om de oren is dat anders. Wie het kind van een ander een oorvijg of berisping wil uitdelen, vergewisse zich er degelijk van dat de ouders uit het zicht zijn. Want een aanslag op hun kind wordt door de ouders primitief-instinctief beantwoord met agressieve verdediging van hun jong, het gevolg van een simpele, evolutionaire noodzaak.
De goede bedoelingen en beleidsvoornemens in de kolommen van Perspectief maskeren de barre realiteit, dat het werk van jeugdzorg en jeugdhulpverlening geen spat verbetert aan het leven en maatschappelijk functioneren van probleemjeugd terwijl dat werk voor de (nog) onbezwaarde kinderen van ouders die uit elkaar gaan, wel een reële bedreiging vormt.
Alle goede bedoelingen ten spijt wordt het dagelijkse werk van Bureaus Jeugdzorg gekenmerkt door een breidelloze regelzucht die wordt aangestuurd vanuit rapporten, die niet op basis van feiten maar op basis van interpretaties werden opgesteld. Deze rapporten zijn een kopie van een min of meer gelijkend precedent, waardoorheen herhaaldelijk de fraaiste en duurste termen van een in casu geraadpleegde deskundige worden gemengd. Als dan de gezinsvoogd na wekenlang woordenboek en corrigeren de pen neerlegt, ligt er een rapport dat op een ouderwetse Lagere School net een voldoende zou halen, maar dat niet op waarheid is gebaseerd en toch door de rechter voor hoogste wijsheid wordt versleten.
Gezinsvoogden ontraden vaak in het belang van het kind het contact met de omgangsouder. De kinderrechters bekrachtigen dit advies in een beschikking, en zie: meer werk voor aanrader en rechtspreker is verzekerd. De overgrote meerderheid van de bevolking in penitentiaire inrichtingen is immers afkomstig uit (gebroken) eenouder-gezinnen en elk advies tegen omgang doet meer kinderen in deze risicogroep belanden. Een objectieve en openbare studie naar de precieze aantallen omgangsloze kinderen, en naar de gevolgen van omgangsontzegging voor het maatschappelijk functioneren van deze kinderen is hard nodig. Statistieken waarin het ontbreken van omgang wordt gerelateerd aan zaken als drankmisbruik, zwerven, criminaliteit, prestaties op school en in de werkkring, etc. zijn er thans niet, of zijn althans onvindbaar.
Het rapport “Het Verdeelde Kind” dat drs. E. Spruijt e.a. schreven in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming, moet slechts critici van het beleid van de Raad de wind uit de zeilen nemen. Op dergelijke “betaalde wetenschap” zit de samenleving niet te wachten. Waar zij op wacht zijn de bewijzen dat Raad en Jeugdzorg het (meestal) bij het rechte eind hebben. Precies in dit opzicht valt echter van de Raad en van Bureaus Jeugdzorg niets te verwachten: men doet daar immers traditioneel niet aan waarheidsvinding, en aan zelfkritiek wordt hoogstens lippendienst bewezen.
Met het groeien van de budgetten, groeien de problemen mee: het aanbod genereert de vraag zoals de gelegenheid de dief maakt.
Zoveel mogelijk afschaffen dus, dat aanbod. Het omdopen van de Raad en / of Bureau Jeugdzorg, of het onderbrengen van de één bij de ander zoals eerder voorgesteld, verschuift slechts het probleem – het lost niets op..
Ouders zijn niet ideaal, kinderen zijn niet ideaal, hulpverleners zijn niet ideaal, rechters zijn niet ideaal.
Of zoals de grootste filosoof van zijn tijd, Bias, de zoon van Teutamon, 650 jaar v.C. op een congres in Delphi opmerkte: de meerderheid der mensen is slecht.
Het is een ontstellende, maar ook ontnuchterende conclusie, die vanzelf uitmondt in het motto: blijf met je rotpoten van onze rotkinderen af.
Arthur Ross,
Stichting Ouders Zonder Omgang