PER0311
Redeneerontaarding-II
Perspectief 2003-11
Het leven is een paradox. Menswetenschappen zijn dus ook van paradoxale aard, en de beoefenaren ervan weten het. “In de pedagogie is het omgekeerde ook waar”, luidt een gevleugeld gezegde.
Discussies in de zachte sector kunnen door hun paradoxale kwaliteit niet op een objectieve manier worden beslecht. Daarom beroepen deskundigen zich in arren moede op goede bedoelingen, die prompt uni sono door collega's worden meebezongen. Door het inbrengen van deze subjectieve elementen bloeden de discussies dood.
Volgens de oude Grieken staat het “Ken Uzelve” aan het begin van alle wijsheid. Een vaderlands spreekwoord maant echter tot voorzichtigheid: “Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten”.
Deze beweringen kunnen slechts naast elkaar bestaan, en hun geldigheid behouden, in een omgeving die objectiviteit en harde toetsing toestaat. Een subjectieve uiting is weerlegbaar, en dus bij voorbaat onwaar en onbruikbaar: zuiver argumenteren is daarom een dure plicht.
Wie ontaarding in een redenering wil opsporen, kan volstaan met een speurtocht naar de subjectieve elementen daarin. Het is een beetje naar om in dit verband opnieuw naar de column van Carol van Nijnatten te verwijzen, maar op 7 november jl. lonkten de voorbeelden van subjectiviteit toch al te opzichtig naar de speurder.
“Zelfs Bush zou dat niet in zijn hoofd halen”, schrijft hij. Bewijsvoering ontbreekt, en een toelichting zoekt men ook tevergeefs. Hier spreekt de waard voor zijn gasten, dit is demagogische retoriek die instemming zoekt in plaats van tegenspraak.
Op zichzelf lijkt mij dat voldoende om column, die de titel “Cement of drijfzand?” draagt, geheel af te keuren. De inhoud behelst een korte inleiding over de noodzaak van solidariteit in de samenleving en een nogal onaardig schimpen over de huidige bewindslieden. Plus een verontwaardigd voorgedragen proeve van het subjectieve fatsoensbesef des schrijvers, die het spook van “solitariteit” ziet opdoemen.
Onaardig zijn mag, maar oneerlijk zijn mag niet. En subjectief zijn ook niet.
“Ik ben niet zo beducht voor de eeuwig jeugdig uitziende senioren die in hun leuke geblokte broeken op de golf course hun balletje slaan en intussen wat zaken doen”. Dit grapje wordt later herhaald: “Het grote geld wordt echt niet verdiend bij die sportbonden en vrijetijdsverenigingen. Nou ja, op die golfers na dan, die hun geblokte broeken best zelf kunnen ophouden”.
In de grond is dit beledigend voor de golfers, die “met wat zaken doen het grote geld” zouden verdienen en hun “hogere contributies het volgende jaar op de zaak afschrijven”. Het is ook een slecht voorbeeld voor de lezers van Perspectief, die veelal werkzaam zijn in de zachte sector. Die zijn van huis uit al behept met een tekort aan ratio en objectiviteit in hun benadering van de materie. Die moet men geen heilige verontwaardiging voorhouden, maar bedachtzame redenering. Hun werk op een lijn stellen met "broek ophouden", lijkt mij overigens voor hen niet vleiend.
“Onzin”, roept de schrijver geërgerd over het argument van de regering dat burgers meer greep krijgen op hun leven als de overheid zich terugtrekt. En wat laat hij zich in de kaart kijken. Want er zullen best gevallen zijn waarin het ongelijk van de regering duidelijk is, maar er zijn ook zeer veel tegenvoorbeelden. Zoals altijd, bij paradoxen.
Vóór het streven van de regering pleiten de vele voorbeelden van willekeur, waaraan ouders onderhevig zijn als hun kinderen na een echtscheiding onder toezicht zijn gesteld. De zorgouder krijgt in de voogd een soort schildknaap, en vaak dan pas laait de strijd tegen de andere ouder echt op. Beide ouders vrezen dat deze voogd de macht heeft om het kind weg te halen: talloze van omgang verstoken ouders leveren er het bewijs voor. Uit angst voor dat lot blaast de zorgouder het vuur van de strijd verder aan, ten koste van kind, ouders en samenleving: das ist eben das Böse der bösen Tat, dass es nur Böses gebärdet. Het werk van de gezinsvoogdij is olie op dat vuur.
Die situaties zijn vaak net zo schrijnend als die rond het meisje van Nulde. Maar meestal verlopen de dingen minder spectaculair, wat de omgangsouders nog eenzamer en wanhopiger maakt. Wie durft daar nog "Onzin" te roepen?
Arthur Ross,
Stichting Ouders Zonder Omgang