PER0309

Redeneerontaarding-I
Perspectief 2003-09

De column van Carol van Nijnatten in Perspectief nr. 6 van september 2003 is een goed voorbeeld van de redeneerontaarding die al tientallen jaren en vogue is.

Wat is het geval? De schrijver stelt ten aanzien van het al dan niet vergoeden van de pil: "... zolang er nog meisjes zijn die denken dat je alleen zwanger kunt worden als je tegelijk met je partner klaarkomt, ..., zo lang kunnen wij het ons niet permitteren het gebruik van de pil geheel en al aan de meiden zelf over te laten".

Weliswaar is deze uitzonderingsgroep niet de enige die wordt genoemd, maar dat doet niets af aan de boodschap die wordt uitgedragen. En die brave boodschap is: de meerderheid moet wijken voor een (kleine) minderheid.

Dat is democratisch nauwelijks acceptabel, het is ook onaanvaardbaar bevoogdend ten aanzien van de slachtoffers. De fixatie op uitzonderingen, die altijd zullen blijven bestaan, belemmert het zicht op het doel van de regelgeving: de ordening van de samenleving. Van de aanwezigheid van een vangnet voor zowat elke uitglijder gaat een slecht opvoedkundig signaal uit: het ontslaat de burger van zijn plicht tot het nemen van zijn verantwoordelijkheid en ondermijnt aldus zelfs de samenleving.
Het brave uitzonderingsdenken is niet nieuw in welzijnsland.

Als ik goed ben geïnformeerd stond een andere columnist van Perspectief, Sylvia Wortmann, (mede) aan de wieg van de ontzeggingsgronden in artikel 1:377a BW, waarin het recht op omgang is vastgelegd. Deze ontzeggingsgronden bieden voor uitzonderingssituaties de moreel zo verdedigbare uitweg, maar in de praktijk ontsnappen onafzienbare kuddes olifanten door deze katteluikjes aan hun wettelijke verplichtingen.

In haar bijdrage aan Perspectief nr. 6 geeft Sylvia Wortmann een aardig ander voorbeeld van een olifant die een katteluikje beproeft: de alleenstaande moeder met kind, die er een hennepkwekerij op nahield in haar woning maar die nochtans probeert met een beroep op het belang van haar kind uitzetting uit haar huurwoning te voorkomen.

Waar zou die moeder deze truuk toch hebben geleerd? Weliswaar ging de vlieger van moeder in dit geval niet op, maar haar poging om het over de boeg van het belang van haar kind te gooien, met het juridisch krakeel dat daaruit voortvloeide, is veelzeggend.

De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens. En waar zijn die voornemens meer hoogstaand en minder verdacht, dan daar waar men zich bekommert om de uitzonderingen, de zielepieten, de verschoppelingen en de verworpenen onzer aarde? Zoals zo vaak echter bedriegt hier de moraal het oog en het verstand van de bekommerden. Regelgeving - alle regelgeving - is a priori en uitsluitend bedoeld voor de algemene toestand, en kan daarvoor alleen maar bedoeld zijn. De onvermijdelijke consequentie ervan was bij de Romeinen al bekend: lex dura sed lex. Aan de rechtspraak de taak om de regels te interpreteren in concrete probleemsituaties, de taak om de regel zachter of minder zacht toe te passen.

Het gevolg van de neiging tot democratiserend en moraliserend denken is niets minder dan de afbraak van de samenleving, die zich immers niet langer door bindende regels bijeengehouden weet.

In het familierecht is die afbraak al heel lang zichtbaar.
Vaders en moeders die de omgang met hun kinderen moeten missen, voelen zich in de eerste plaats besmeurd en verraden en gekleineerd. Zij schamen zich tien keer eerder dan dat zij protesteren of hun tanden laten zien, wat tot gevolg heeft dat hun omgangsellende zo groot en zo onzichtbaar is.
Die ellende is een rechtstreeks gevolg van de brave bedoelingen in de wetgeving, waardoor allereerst rekening wordt gehouden met echte en vermeende uitzonderingen.

Handhaving van de door goede bedoelingen gestuurde redeneertrant zou er wel eens toe kunnen leiden dat de hulpverlening straks de ouders zonder omgang als nieuwe cliëntèle ontdekt. Het zou een toppunt van cynisme zijn, alhoewel niet geheel onverwacht in een land waarin de hulpverlening de typering "zorgwekkend zorgmijdend gedrag" heeft bedacht, en waarin de "afspraken" van de hulpverleners de loop der dingen besturen.

Zolang het uitzonderingsdenken het beleid bepaalt, en zolang de goede bedoelingen van de hulpverleners als argument en excuus worden aanvaard, is niemand hier zijn leven nog zeker.

Arthur Ross,
Stichting Ouders Zonder Omgang