Op 25 oktober was er weer een, oppervlakkig bezien, niet zo spectaculaire D-day. Maar insiders en vaste bezoekers weten inmiddels wel dat op de minst opvallende dagen vaak de beste ideeën worden geboren.
Zo werden de DO’s en DONT’s op de eveneens weinig opzienbarende D-day van 2007 gevonden en die hebben de jarenlange praktijktoets sindsdien glansrijk doorstaan: nog nooit bleken deze regels ontoereikend om in een casus de weg uit de gerezen problemen aan te geven.
Het grote probleem echter, is het ingang doen vinden van deze regels in het “systeem” en ze in dat systeem de erkenning en acceptatie te doen toekomen die zij verdienen.
In dat licht bezien was de vooraf met enige geheimzinnigheid omgeven D-day van 2009 een prachtige kers op de OZO-taart.
Het begon allemaal met een persoonlijk, collegiaal contact waardoor het Ronald Bijl lukte om een brug te slaan naar de afdeling Familierecht van de Rechtbank Utrecht. En wel toevallig precies op het moment dat deze, als eerste afdeling daar, uitvoering zou geven aan het nieuwe beleid van die Rechtbank dat als voornaamste doel heeft de dialoog met de samenleving te verbeteren. Vanuit de gedachte dat ook de beste rechters het zich niet kunnen veroorloven om vanuit een ivoren toren, zonder oog voor de acceptatie van hun uitspraken in de samenleving, recht te spreken.
Het spreekt vanzelf dat vanaf het eerste contact in april 2009 zorgvuldig, en vooral zonder forceren, de communicatie met de contactpersoon van de Rechtbank werd opgebouwd.
Toen de kans op een succesvolle dialoog reëel begon te worden, werd mr. Prinsen op de hoogte gebracht. Zijn inbrengen culmineerden in een historische samenvatting en opinie, die in deze en de volgende afleveringen van OZO-nieuws in hun geheel zullen worden opgenomen.
Vanuit de Rechtbank werd er een serie vragen opgesteld die zouden dienen als voorlopig spoorboekje voor een later te organiseren studiemiddag.
Precies deze studievragen werden op 25 oktober aan de donateurs voorgelegd. Wat toen nog steeds stil werd gehouden, waren datum en plaats en omvang van de studiemiddag op de Rechtbank. Die heeft inmiddels plaatsgevonden – in deze aflevering van OZO-nieuws staat daarvan een verslag.
De studievragen werden tijdens de D-day besproken in drie subgroepen. Conform de geplande opzet van de Rechtbank voor de eigen studiemiddag, waar een eerste subgroep de omgangsproblematiek met enkele deskundigen zou bespreken, een tweede groep die hetzelfde zou doen vanuit juridisch standpunt en een derde groep de ouders een inbreng zou laten leveren.
De uitkomsten van de discussies, hieronder kort weergegeven, werden inderdaad in de dialoog met de rechters gebruikt als de stem van de ouders in de samenleving.
Ter inleiding van de dag had mr. Prinsen eerst een overzicht van de ontwikkeling van het begrip "omgang" in de wetgeving door de eeuwen heen gegeven. Zijn voordracht mondde uit in de conclusie dat de term "omgang" op geen enkele manier de lading dekt die ouders daar gevoelsmatig aan geven.
De kern van dit exposé en verdere theoretische bespiegelingen zijn vervat in de tekst die in deze en volgende afleveringen van OZO-nieuws zal worden weergegeven.
Van de discussies die volgden werd in de plenaire eindronde het volgende opgetekend.
DE VRAAGSTELLING
Algemeen:
1. Wat is voor partijen van belang?
2. In hoeverre komt de rechtbank daar aan toe?
A Deskundigen:
1. Wat is het belang van de leeftijd van kinderen bij omgang?
2. Wat is de betekenis van strijd (tussen ouders onderling of tussen ouders en bijvoorbeeld BJZ) voor de omgang?
3. Wanneer zouden kinderen uit huis geplaatst moeten worden?
B Ouders:
1. Hoe is de interactie op zitting beleefd?
2. Wat zijn de verwachtingen ten aanzien van de rol van de RvK/BJZ?
3. Wat gebeurt er na de beslissing?
4. Wat is de betekenis van mediation?
C Juridisch:
1. Wat is het belang van de leeftijd van kinderen bij omgang?
2. Wanneer zouden kinderen uit huis geplaatst moeten worden?
3. Wat is de interactie op zitting?
4. Wat gebeurt er na de beslissing?
5. Wat is de betekenis van mediation?
DE ANTWOORDEN
Algemeen 1: Wat is voor partijen van belang?
Rust in het gezin. Men moet weten waar men mee af is, kinderen moeten zich vrij naar en bij ouders en hun families kunnen begeven. Het ouderschap moet dus gewoon kunnen worden voortgezet.
Alle rust die het resultaat is van de uitschakeling van één ouder, is maar schijn. Om echte rust te
bewerkstelligen dient de Rechtbank op te treden als procesbewaker. Daarbij wordt haar bewegingsruimte ingeperkt door de wet èn door de eis van respect voor de integriteit van het ouderschap. Kortom: de Rechtbank moet zorgen dat het goed komt, na de scheiding.
Algemeen 2: In hoeverre komt de rechtbank daar aan toe?
De Rechtbank komt niet toe aan wat voor partijen van belang is. Daarvoor zou het voldoende
zijn dat zij zich beperkt tot ordemaatregelen (wie haalt of brengt de kinderen, wanneer verblijven deze waar, etc). Zodoende zou de Rechtbank alle nodige grip krijgen op de situatie. In de actuele praktijk wordt nu nog altijd competentiestrijd tussen de ouders ontketend, met de kinderen als inzet. Het gevolg daarvan is: geen rust door zekerheid, maar onrust door wanhoop. Juist wanneer de Rechtbank dieper wil graven dan agendapunten nodig maken, worden haar beschikkingen vanzelf onvoorspelbaar, met als gevolg meer angst en meer onzekerheid.
A Vragen aan deskundigen
A1: Wat is het belang van de leeftijd van kinderen bij omgang? Voor baby's tot 2 jaar is omgang geen issue. Voor oudere kinderen geldt dat zij levenslang aan hun ouders blijven hangen. Leeftijd speelt dus geen rol. De vraag werd nogal overbodig gevonden.
A2: Wat is de betekenis van strijd voor de omgang?
Strijd tussen de ouders wordt door de kinderen zelf wel gerelativeerd en begrepen. Strijd met instanties (BJZ, SCH, RvK...) die naar een oplossing zoeken als naar een Ei van Columbus, maakt de kinderen (en de ouders) echter wel bang - voor die instelling. Ouderlijke strijd speelt voor omgang dus geen rol. Deze vraag is een self-fulfilling prophecy, doordat deze de impliciete, valse conclusie impliceert dat "strijd" een belangrijke weegfactor zou zijn voor het ontzeggen van omgang. Dat is vragen om moeilijkheden.
A3: Wanneer zouden kinderen uit huis geplaatst moeten worden? Met permissie: deze vraag is krankjorum. Inzake omgangskwesties mag nooit, nóóit, een uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling worden uitgesproken.
Ten eerste omdat die een volstrekt ongewenste en contraproductieve betutteling oplevert van ouders die niets anders hebben misdaan dan dat zij op elkaar zijn uitgekeken.
Ten tweede omdat deze vraag dezelfde valse kwaliteit heeft die de vraag naar het belang van strijd voor de omgang aankleeft.
B Vragen aan de ouders
B1: Hoe is de interactie op zitting beleefd? Ouders hebben op een terechtzitting geen schijn van kans. Zij worden vernederd. Ook de dikwijls in een sterke positie verkerende moeders worden onzeker door herhaalde beschuldigingen en vernederingen. Advocaten voeren vaak leugenachtige, door opportunisme gedreven, toneelstukjes op.
Zelfs een vriendelijk gestelde vraag of men er bezwaar tegen heeft dat de RvK aanwezig is, heeft een intimiderende effect op de ouders die zich toch al door het vergrootglas van een kinderbeschermer bespied voelen. Aan waarheidsvinding wordt door deze zoekers geen minuut besteed, wat de onzekerheid bij de ouders alleen nog maar vergroot. Ook wordt hun zo de hoop dat de rechter wel zal ontdekken dat zij heus niet zo slecht zijn als wordt beweerd, de bodem ingeslagen.
B2: Wat zijn de verwachtingen ten aanzien van de rol van de RvK/BJZ? Ouders hebben hooggespannen verwachtingen van "deskundigen". Zij weten zich goede ouders en hopen dus vanzelfsprekend en argeloos op een goede afloop.
Een (echt)scheiding heeft ook allang niets meer van doen met "zedelijk verval" en dus verwachten ouders a priori geen (moralistisch) onheil uit professionele hoek.
En zelfs als het advies in het raadsrapport vreselijk tegenvalt, hopen de ouders altijd nog op de wijsheid van de rechter die het onwaarachtige karakter van dat advies wel zal doorzien.
Die argeloosheid wordt altijd bestraft: de omgang van ouders met kinderen wordt namelijk niet met hand en tand beschermd, maar juist om minder dan niets ontzegd.
Kinderen hopen altijd alleen maar op een herstel van de oude, ouderlijk orde en darmee op bescherming van hun relaties met hun ouders. Ook al tevergeefs.
B3 / C4: Wat gebeurt er na de beslissing? De meeste ouders bekruipt het gevoel dat zij hun kind kwijt zijn. De beslissing zelf laat lang op zich wachten, is onvoorspelbaar en biedt geen garanties. Wie het in nood hogerop zoekt, of wie naar het middel van een kort geding grijpt, heeft elke keer weer te maken met een nieuwe, meestal slecht geïnformeerde rechter.
B4 / C5: Wat is de betekenis van mediation? Geen. Mediation is voor de ouders kostbare, en voor kinderen een eeuwigdurende, tijdverspilling. Waar rechters kennelijk magische wonderen verwachten, zou een korte bijscholing in mediation hen al uit de droom helpen.
Een professionele mediator op Radio 1, 27 oktober 2009 om 10.39 uur: "Mediation werkt als beide ouders daar achter staan, en dan alleen nog bij de gratie van het feit dat beide ouders ervan overtuigd kunnen worden dat een rechterlijke uitspraak voor hen wel eens veel slechter kon uitpakken dan wat zij tijdens mediation overeen kwamen" . De rechter als stok achter de deur dus, als boeman - anders werkt mediation niet.
Ouders zien mediation meestal als een vehikel waarmee de rechter zich uit netelige kwesties kan redden, als een lapmiddel voor die rechters zelf dus.
C Vragen vanuit juridisch perspectief
C3: Wat is de interactie op zitting? Over de uitslag mag niet worden gecorrespondeerd. Na twee of drie weken valt er een beschikking op de deurmat waarover, hoe ingrijpend die ook mag zijn, geen nadere informatie of motivatie kan worden verkregen. Het horen van kinderen wordt onder alle omstandigheden immoreel. gevonden. Advocaten voeren vaak door opportunisme gedreven toneelstukjes op, die gericht zijn op de vernietiging van de andere ouder.
Ouders die medewerking aan een omgangsregeling weigeren, stappen gemakkelijk, en met succes, naar een advocaat om hun eigenrichting rechterlijk te laten fiatteren. De rechter zou zo'n ouder die de gegeven beschikking negeert en daarmee blijk geeft van minachting voor de Rechtspraak, niet ontvankelijk moeten verklaren. Maar dat gebeurt niet. Evenmin zouden hulpverleners – ouders kunnen shoppen tot zij er te langen leste een hebben gevonden die hen en hun kinderen bereidwillig naar de ondergang helpt – zich met zulke ouders mogen inlaten.
Rechters zijn vaker wel dan niet slecht geïnformeerd over de zaak.
C4: Wat gebeurt er na de beslissing ? Niets. Althans, er komt geen rust, er komt geen stabiliteit, er komt geen einde aan de narigheid. Ook als één van de ouders voorgoed knock-out wordt geslagen, komt er geen einde aan de nachtmerrie die alle betrokkenen treft.
Studiemiddag Rechtbank Utrecht
Inleiding
Op vrijdag 12 november 2009 was een delegatie van Stichting Ouders Zonder Omgang te gast bij de Afdeling Familierecht van Rechtbank Utrecht voor een studiemiddag, die door de Rechtbank als "tumultbijeenkomst" werd gepresenteerd. Inspiratie voor deze betiteling was gehaald uit de Utrechtse Tumultbijeenkomsten die regelmatig worden belegd door een samenwerkingsverband van Trouw, Volkskrant en VPRO.
De bijeenkomst was de eerste uitwerking van nieuw beleid van de Rechtbank, dat erop is gericht de dialoog met de samenleving te verbreden en uit te diepen.
Voorafgaand aan deze dag hadden de OZO-vertegenwoordigers - Ronald Bijl, Peter Prinsen en Arthur Ross - zich in enkele ontmoetingen voorbereid op de over het voetlicht te brengen onderwerpen. Via e-mail onderhield initiatiefnemer Ronald Bijl het contact en wisselde hij enkele inleidende opstellen uit.
Mede op grond daarvan stelde de organisatie de agenda vast en besloot zij voor deze middag ook prof. Micha de Winter (sociaal-pedagoog), Peter van Eijk (directeur Raad voor de Kinderbescherming Utrecht) en Rob van Wegen (raadsmedewerker Utrecht) uit te nodigen. Als leidraad voor de dialoog stelde men een aantal vragen op, die de in drie subgroepen ondergebrachte discussies op het spoor moesten houden.
De inleidende kop koffie duurde een kwartiertje, de bijeenkomst begon plenair om 14:00 uur met een korte introductie door de gasten. Vervolgens werden de drie subgroepen, die vooraf al waren samengesteld uit de ruim 40 deelnemers, in twee zittingzalen ondergebracht voor de eigenlijke dialogen. Bij de deskundigengroep waren prof. De Winter en de mensen van de RvK ingedeeld, de juristengroep werd door Peter Prinsen uitgedaagd tot een academische discussie en in de groep van rechters en ouders zorgden Ronald Bijl en Arthur Ross voor het tegengas. Dat hield in dat de deskundigen, als vanouds bijna, het zonder kritisch tegengeluid uit de ouderwereld afdeden.
Iets na vieren begon de wederom plenaire eindzitting, waarbij de per subgroep aangestelde gespreksleiders de gevoerde dialogen puntsgewijs samenvatten.
De samenvatting van besproken onderwerpen.
Deskundigen
- Bezorgdheid om de "veiligheid" van het kind (zoals bij "het zeilmeisje") is wellicht te zeer een hype geworden die normaal werken in de weg staat.
- De RvK ondervindt vaak een te grote tijdsdruk bij onderzoeken inzake gezag en omgang.
- Men acht het nodig te (gaan) werken vanuit vertrouwen.
- Welke middelen zijn er om omgang af te dwingen? De ervaring met ots is dat men er niet mee vooruit komt. Een gezinsvoogd zou positieve geluiden kunnen laten horen over de andere ouder – aan de kinderen.
De informatieplicht wordt misbruikt, de RvK wordt daar soms wanhopig van.
De verantwoordelijkheid ligt bij de ouders en hun advocaten.
Voor deze groep was niet voorzien in oppositionele inbreng. Bij de gegeven samenvatting kan dan ook geen aanvulling of commentaar worden gegeven.
Juristen
Het "Belang van het Kind" genereert een strijdmodel, en dus strijd.
Moet er een sanctie worden gezet op nietnaleven van een omgangsregeling?
Er is nauwelijks een verandering in het denken in het Recht opgetreden. Niet meewerken aan de omgang levert thans hooguit gefronste wenkbrauwen op bij de rechter.
- Is mediation de Haarlemmer olie bij omgangsproblemen? Uitkomst discussie: mediation levert wel handel op, maar heeft geen effect.
Commentaar en toelichting op dit punt in de aparte bijdrage van Peter Prinsen.
Rechters en Ouders
- Algemeen gedeelde observatie: breuk leidt tot rechtvaardiging, leidt tot escalatie, leidt tot procedures, leidt tot meer escalatie.
- De boodschap is: blijf van onze kinderen af, het gaat om ouders en kinderen en niet om (het regelen van) ouder-ouder kwesties.
- Omgang wordt niet strafrechtelijk gehandhaafd, gezag wel. Waarom verschil maken?
- Stel regelingen vast op basis van objectieve criteria, van agendapunten.
- Zadel de kinderen niet met verantwoordelijkheden of schuld op: er is geen enkele reden te verzinnen die het horen van kinderen aanvaardbaar maakt.
- De OZO Do's en Dont's werden met graagte in ontvangst genomen en gekopieerd.
Wat hierbij nog kan worden opgemerkt, is dat twee onderwerpen van gesprek niet apart in de samenvatting werden genoemd.
Dat was de door veel ouders gevoelde behoefte aan het intomen door de rechter van ongepaste of agressieve betogen van advocaten, en de behoefte aan veel strikter toezicht op het werk van de RvK, waarbij rechterlijke verzoeken om onderzoek naar willekeur worden vertaald naar probleemzoekende, en dus problemen genererende onderzoeksvragen.
Het eerste punt zou kunnen worden beschouwd als onderdeel van de escalerende werking van procedures, hetgeen wel in de samenvatting was gememoreerd.
In reactie op het concept van deze samenvatting werd vanuit de Rechtbank benadrukt dat de deze onderdelen wel degelijk als relevant waren beschouwd en genoteerd.
Conclusie
Alle deelnemers beschouwden de ontmoeting als vruchtbaar en constructief.
De sfeer was ontspannen en beschaafd en er werd open gecommuniceerd. De duidelijke moraal van deze studiebijeenkomst is dan ook dat tegengestelde belangen, ook in het familierecht, niet bestaan.
Door de sfeer van terechtzittingen met gesloten deuren en de bijbehorende geheimhouding, is niet na te gaan of er na deze middag zoiets als een verandering in de benadering door de rechters in hun beschikkingen is te bespeuren.
Maar de dialoog zal wel positieve gevolgen hebben op de benadering van problemen in het familierecht, waar geen mens ruzie wil en geen mens uit is op andermans ondergang of verderf.
Zolang dat tenminste niet met de hoofdprijs – het kind – wordt uitgelokt.
Commentaar op de Tumultbijeenkomst te Utrecht.
Met zijn spontane woordkeus laat een spreker c.q. schrijver onbedoeld het achterste deel van zijn tong zien. Dit is het allesoverheersende gevoel dat ik heb overgehouden aan het debat met de leden van de Utrechtse Rechtbank.
Het centrale thema van het debat was: “Omgang”.
Die woordkeus geeft te denken.
Het begrip ‘omgang’ impliceert een verdeling van ouders in twee categorieën: ‘zorgouders’ en ‘omgangsouders’ (lees: hoofdouders en bijouders).
Maar de wet Voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding van 1 maart 2009 behelst nu juist een nieuwe poging tot herstel (na 100 jaar) van gelijkwaardig ouderschap. (Een eerdere poging stamt uit 1998. Toen werd het gezamenlijk gezag als standaardregeling na scheiding na zo’n 90 jaar hersteld in de wet. Dat werd in de rechtspraak echter direct weer uitgehold door het niet-wettelijke bedenksel ‘hoofdverblijf van het kind’ na echtscheiding).
In een z.g. ‘pre-advies’ voor deze Tumult-bijeenkomst heb ik in een uitvoerige analyse van de rechtsontwikkeling in de 20-ste eeuw aangetoond hoezeer het woord ‘omgang’ historisch is belast. Het woord is onlosmakelijk verbonden geraakt met ongelijkwaardig ouderschap. Het heeft, historisch gezien, het onuitroeibare karakter van een gunst van de hoofdouder aan de bijouder.
De nieuwe wet maakt een uitdrukkelijk onderscheid tussen enerzijds ‘verdeling van zorg- en opvoedingstaken’ en anderzijds ‘omgang’. De regeling van de contacten tussen kind en ouders die wèl het gezag delen heet, volgens de nieuwe wet, nadrukkelijk ‘verdeling van de zorg- en opvoedingstaken’. ‘Omgang’ daarentegen staat voor de regeling van de contacten tussen het kind en de niet-met-het-gezag-belaste ouder of andere omgangsverzoekers (b.v. grootouders).
Wie het contact tussen kind en één van zijn ‘gelijkwaardige’ ouders nog altijd aanduidt met het woord ‘omgang’, verraadt, dat hij nog altijd redeneert vanuit een uit de vorige eeuw stammend ongelijkwaardig ouderschap. Gelijkwaardigheid zit anno 2009 blijkens de woordkeus voor het centrale thema van het debat nog niet “tussen de oren” van de rechters.
Waar dat toe leidt zien we als we letten op het taalgebruik in de ‘deskundigengroep’. Daar was één van de behandelde vragen:
“Welke middelen zijn er om omgang af te dwingen?”
Twee woorden kloppen hierin niet. Op de eerste plaats natuurlijk weer het woord ‘omgang’, en op de tweede plaats het tendentieuze woord ‘afdwingen’. Moet het kind gedwongen worden om met zijn bij-ouder om te gaan? Welnee, de dwarse moeder moet weerhouden worden van een strafbaar feit, gepleegd tegen het kind en zijn vader. Het gaat dus om preventie en repressie, helemaal niet om ‘afdwingen’.
De vraag had dan ook moeten luiden:
“Welke middelen zijn er tot preventie en repressie van onttrekking van een kind aan het ouderlijk gezag, zorg en opvoeding?”
Het antwoord is overbekend en beproefd: strafrechtelijke vervolging van de ouder die het kind onttrekt aan de regeling. Dat is een beproefd preventief middel als de vader de onttrekker is, maar als de moeder het kind onttrekt aan de regeling wordt dat gedoogd en is er dus geen enkel preventief effect. Vervolging van de dwarse ouder zal niet alleen die dwarse ouders (meestal de moeders, soms dwarse vaders) maar ook hun advocaten, artsen, maatschappelijk werkers, gezinsvoogden, onderwijzers en buren duidelijk maken dat onttrekking aan het gezag een afschuwelijk misdrijf is.
Strafrechtelijke vervolging werkt preventief! Zelden onttrekt een vader zijn kind omdat hij wel beter weet en kan rekenen op vervolging, zowel door politie als door sociale omgeving. Daarentegen plegen iedere week duizenden en duizenden moeders dat misdrijf, en dat zal zo blijven zolang ze – volgens de oude opvatting – nog altijd als de ‘hoofdouder’ worden gezien en vader ‘slechts’ als omgangsouder. Allerwegen krijgen die ‘hoofdouders’ als vanzelfsprekend steun van hun sociale omgeving en hun advocaten, omdat de rechtspraak zich maar niet los kan maken van een achterhaald, ooit in 1905 ingevoerd ouderschapsconcept.
Peter Prinsen, oud-advocaat
Rectificatie
Bij het OzoMottO In de vorige OZO-nieuws was opgetekend:
" Wie vervolgens op de site van de Nederlandse Gezinsraad (ngr.nl) het woord 'gezin' opzoekt, krijgt gesponsorde koppelingen te zien naar dating- en sekssites, maar weer géén definitie. Kennelijk kan de NGR zijn zwaar gesubsidieerde werk heel goed af zonder zich te committeren aan een controleerbare omschrijving van zijn hoofdobject".
Prompt reageerde de bij velen van ons bekende, altijd alerte Erik Schleicher met de melding dat de ngr-site al geruime tijd is gekaapt.
De schimpscheut aan het adres van de Nederlandse Gezinsraad treft dus niet geheel doel.
Al is diens laconieke aanvaarding van het risico van naams- en gezinsbesmeuring door het laten slingeren van het oude webadres niet als bewijs van zorgvuldigheid op te vatten.
Dat is een ander "foei" dan oorspronkelijk, maar het blijft "foei".
Ruim die laatste moedermythe op.
Een aanrader: het pleidooi van Charlotte Lemmens in het filmpje: http://www.youtube.com/watch?v=pQXqfxIkRJ4
bron: Vara, 4/12/09 Vrouw en paard
OzoMottO: Laat de rechter spreken
De toename van de gemiddelde lengte van de mens, en met name van de Nederlander, is sinds kort na de oorlog zo dramatisch dat biologen wel spreken van "degeneratie".
Degeneratie is het verschijnsel dat bepaalde eigenschappen in een populatie extreem snel veranderen, verworden. Daarbij blijft de ontwikkeling van de kwaliteit van compenserende eigenschappen achter, met als gevolg een bruuske verstoring van het traditionele evenwicht.
Het staat vast dat de toename van de gemiddelde lengte toe te schrijven is aan de stijging van de welvaart en de sterk verbeterde en vermeerderde voeding. Maar voor een deel zou die ook wel eens op het conto van de consultatiebureaus kunnen worden geschreven.
Want wat is het geval?
Een moeder die op het bureau hoort dat haar kind "iets onder het gemiddelde" zit, qua lengte of gewicht, zal haar spruit al gauw op extra krachtvoer trakteren, terwijl een ouder die hoorde dat zijn kind iets boven het gemiddelde zit, zielsgelukkig het huiselijke eetbeleid zal voortzetten in het heilige geloof dat meer ook beter is. En dat zelfs des te meer, wanneer die als "verbetering ten opzichte van het gemiddelde" opgevatte afwijking groter is.
Op basis van deze eenvoudige observatie is het degenererend effect van consultatiebureaus heel gemakkelijk in te zien.
Zo geredeneerd kon de nieuwe lichting van modieuze politici die om opvoedbureau's roepen, wel eens een nieuwe, degenererende instantie in het leven gaan roepen die op gelijkaardige wijze een bedreiging voor de komende generaties inhoudt.
Die bedreiging is nog niet te begroten want men blijft notoir vaag over concrete plannen...
Vooralsnog overvoeren goede bedoelingen de agenda en wrijft het gilde der stratenmakers zich in de handen bij het vooruitzicht van veel werk: het plaveien van al die nieuwe wegen naar de hel.
Onverwachte en ongewenste effecten treden – vanzelf – altijd op bij vormen van directe (overheids)bemoeienis met kwesties die naar hun aard paradoxaal zijn. Zoals met alle kwesties des levens het geval is.
Wie bijvoorbeeld precieze kenniseisen wil opstellen voor leerlingen die van de basisschool komen, heeft misschien eerst tientallen jaren nodig om goede, haalbare eisen te vinden. Tijdens het zoeken gaan generaties leerlingen al over de kling en àls er dan kenniseisen zijn vastgesteld, holt men vervolgens aldoor hijgend achter de feiten van de actualiteit aan. Want de samenleving verandert nu eenmaal in razend tempo. Het opstellen van strikte eisen is een vorm van directe bemoeienis met de werkvloer die alleen al niet werkt omdat kijken in de toekomst onmogelijk is. Alle ervaringen vanaf de invoering van de Mammoetwet, zowat veertig (!) jaar geleden, bewijzen het.
Indirecte bemoeienis echter, die gericht is op het creëren van randvoorwaarden waarbinnen bijvoorbeeld het onderwijs tot bloei kan worden gebracht, zal in het algemeen wel terstond juist en effectief kunnen zijn.
Een niet-bindende, dus indirecte, canon kan daarbij heel nuttig zijn. En ook kan een eis aan de leerkrachten in het basisonderwijs, dat zij zelf zeer goed de Nederlandse taal machtig zijn, zelf zeer goed kunnen rekenen en dat zij goed les kunnen geven, zou bijvoorbeeld met grote zekerheid een onmiddellijke en blijvende verbetering van het onderwijs bewerken.
In het voorbeeld van het consultatiebureau zou indirecte bemoeienis betekenen dat artsen en hun assistenten nooit meer moeten praten over gemiddelden en dergelijke, maar dat zij uit hun metingen (van bijvoorbeeld lichaamsgewicht en lengte) slechts moeten opmaken – en dat mededelen – hoe de ouder het doet. Daar heeft elke ouder wat aan, dat wil elke ouder weten.
In paradoxale situaties leiden directe voorschriften altijd tot ellende door de per definitie ingebouwde tegenstrijdigheden. Slechts maatregelen vanuit een hiërarchisch hoger gelegen systeem kunnen zonder daar innerlijke tegenstrijdigheden effect uitoefenen.
Het ongelooflijke Oostenrijkse wiskundig genie voor wie zelfs Einstein een stapje opzij deed, Kurt Gödel, heeft bewezen dat een systeem dat zijn eigen regels stelt altijd en gegarandeerd in de val van de paradox trapt. Of beter: dat zo'n systeem zijn paradoxale aard behoudt.
Het stellen van eigen regels is wat in feite gebeurt in een omgeving waar directe bemoeienis wordt toegepast. Alleen bemoeienis vanuit een hoger hiërarchisch niveau kan de vereiste indirecte kwaliteit hebben.
Indirecte bemoeienis is principieel ontoegankelijk voor degenen op wie de bemoeienis is gericht. Zij gaat dus over de hoofden heen van de mensen op de werkvloer.
Dáárom zijn ook God's wegen ondoorgrondelijk.
Wie op de stoel naast God kruipt en daar inspraak over zichzelf opeist, komt in fatale, paradoxale situaties terecht. Daar komen dan bijv. godsdienstoorlogen van.
Wanneer in een populatie een gemiddelde waarde snel verandert, spreekt men van degeneratie. Daardoor is alle beleid dat is gericht op rappe correcties vanzelf ook van degenererende, fatale aard.
Het is nog maar de vraag of er voor de zo ontstane, radicale problemen een fatsoenlijke, geleidelijke oplossing bestaat: radicale problemen vereisen nu eenmaal radicale oplossingen.
Wel is zeker dat een door de overheid gesticht onheil niet kan worden hersteld, en dat daarvoor nooit compensatie zal (kunnen) worden verleend.
Op het terrein van het Familierecht: kinderen en ouders kunnen een niet-gedeeld verleden van jaren niet repareren. En wie hoopt op enige vorm van schadevergoeding door de Staat der Nederlanden, maakt zichzelf wat wijs.
Evengoed is een prompte koerswijziging in datzelfde Familierecht echter dringend nodig. Hele families, hele generaties vielen – en vallen – ten offer aan op eigen belang gerichte bemoeials. Eén bezoekje aan een gevangenis of één onderzoekje onder problematische schooljeugd levert al voldoende bewijs.
De reeds gevallenen zullen niet hun graf herijzen dus een koerswijziging moet zijn gericht op de toekomst en op het welzijn van toekomstige generaties.
Op straffe van nieuwe, degeneratieve bedreiging mag zij niet te bruusk zijn, op straffe van heel veel nieuwe slachtoffers mag zij niet te slap zijn.
Omdat directe regulering tot degeneratie leidt – de geschiedenis bewijst het – en indirecte wetgeving veel te traag op gang komt, kan slechts de op ieder individueel geval toegesneden rechtspraak worden belast met het doorvoeren van de koerswijziging. Deze vorm van directe bemoeienis op het niveau van de casus, heeft als beleidsinstrument het karakter van een indirecte bemoeienis. En kan zich zelfs snelle veranderingen veroorloven omdat continu de vinger aan de pols wordt gehouden.
Voor de indirecte regels waaraan de rechtspraak zich daarbij heeft te houden, leveren onze DO's en DONT's een schitterend model.
De conclusie: waar tot nu toe de rechter de meest te vrezen figuur was in het hele systeem, geldt onder de randvoorwaarde van dit model het zelfs nog als smeekbede uit te spreken OzoMottO:
Laat de rechter spreken.
‘Jeugdzorg zit zichzelf in de weg' De Telegraaf, 21 nov 2009.
De Jeugdzorg in Nederland is onverantwoord complex georganiseerd en hopeloos gefragmenteerd. De evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg laat zien dat de huidige organisatie van de Jeugdzorg een goede jeugdzorg in de weg zit. De diverse organisaties die voor de jeugdzorg verantwoordelijk zijn moeten de handen ineenslaan „om gezamenlijk voor een verantwoord resultaat te zorgen, ook in ieder individueel geval.”
Dat schrijft de Nationale Ombudsman, Alex Brenninkmeijer, zaterdag in de Volkskrant. Hij maakt zich “ernstige zorgen” over de vraag of kinderrechten in Nederland wel voldoende uit de verf komen. De waarborging van deze rechten, vastgelegd in het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties, ligt in handen van 'de Jeugdzorg', met een beperkte controle van de rechter daarop.
Brenninkmeijer signaleert een gebrek aan 'commitment' bij de voor de jeugdzorg verantwoordelijke organisaties om gezamenlijk op te trekken. De oorzaak hiervan moet gezocht worden in de verschillende lagen en bevoegdheden,financieringsstromen en machtsstructuren. „Er blijven slechts individuele medewerkers over, die vaak jong en onervaren zijn en werken in een organisatie waar het management vaak tekort kan schieten.”
Ook meent Brenninkmeijer dat de Jeugdzorg „slachtoffer van de waan van de dag” is. Incidenten met de peuter Savanna en het zogenoemde Maasmeisje hebben tot verkramping geleid, schrijft hij. Enkele incidenten met uit inrichtingen weggelopen kinderen hebben vanuit de Tweede Kamer geleid tot de eis dat die zich nooit mogen herhalen. De Kamer heeft echter geen oog voor het feit dat die angst voor incidenten „een geweldige invloed” heeft gehad voor de gevangenisachtige manier waarop de gesloten jeugdzorg is ingericht. „Het indekken tegen risico's heeft perverse effecten”, aldus Brenninkmeijer.
In dat verband wijst hij ook op de trend om 'Pietje Bell-streken' van kinderen niet meer tegemoet te treden met „een wijze correctie”, maar met aangifte en strafvervolging. Ook de roep om jongeren volgens het volwassenenstrafrecht te berechten, wordt steeds sterker.
Naschrift: Al jaren stelt OZO het falen van Jeugdzorg aan de kaak. Het besef hiervan begint nu in brede kring door te dringen. Maar zonder mentaliteitsverandering is het gevaar groot dat nieuwe “heersers” nog slechter blijken te zijn dan de oude.
20 November was de Internationale Dag van de Rechten van het Kind. Daarmee is het in Nederland droevig gesteld. De facto hebben we hier het recht van de ouders, lees: van de verzorgende ouder. Een kind vraagt er niet om het contact met de andere ouder te verliezen; de samenleving en de overheid zorgen er voor dat dit schering en inslag is. Het denken moet om, het moet vanuit het kind.