D-day  26 oktober 2008 op de vertrouwde plek in  Oosterbeek

 

 

Op zondag 26 oktober as. is het weer zo ver. Dan vindt weer onze jaarlijkse donateursdag plaats in Oosterbeek.

Aanvankelijk was het plan om enkele levensechte casussen na te spelen voor een speciaal daarvoor ingerichte Rechtbank, die zich bij haar wikken en wegen zou laten leiden door de DO’s en DONT’s die in 2007 op de D-day werden geformuleerd.

De gedachte was dat een dergelijke oefening volledig zou aantonen dat  deze nieuwe regels inderdaad vrede produceren in plaats van oorlog en oplossingen in plaats van problemen, en dat daardoor bij uitstek het belang van het kind zou worden gediend... zonder dit ook maar te noemen.

Maar helaas, uit het advocaten-netwerkje van OZO kwamen lauwe reacties en zo ontstond de behoefte aan een plan-B.

Dat kwam er, en het lijkt een meer dan uitstekende aanvulling op de succesvolle D-day van 2007.

De aanleiding tot dit plan kwam uit een gesprek met mevrouw Verdonk van Trots Op Nederland, die weliswaar goed begreep dat de DO’s en DONT’s een verstandige insteek waren, maar die opmerkte: “Maar wat nu, als de ouders zich niet aan de rechterlijke uitspraak houden? Want dat is vaak het probleem, als ik het goed heb begrepen”.

Op zichzelf is dat een verbluffende vraag.

Alle moderne, democratische staten immers hebben het model omarmd van de drie staatsmachten (wetgevende macht, uitvoerende macht en rechtsprekende macht) met het absolute uitgangspunt dat die machten ook daadwerkelijk en onaantastbaar boven de samenleving horen te staan. En te blijven staan.

Wie die machten niet respecteert plaatst zich buiten de samenleving, en verplaatst zich meestal naar de gevangenis, want de wet wordt gesteld om werking te hebben. Om die werking te garanderen wordt naleving van de wet gecontroleerd en afgedwongen, wordt de wet “gehandhaafd”, zoals dat in het jargon heet.

Maar in het familierecht is dat besef kennelijk zó uit het zicht verdwenen, en is het zódanig de gewoonte geworden om recht te vervangen door goede bedoelingen en hulpverlening (die per se niet te handhaven zijn) dat de vraag van mevrouw Verdonk toch legitiem is.

De door haar gevraagde handhaving is feitelijk gericht op het herstel van de werking van de wet, het is dus een vraag naar de wijze waarop de thans woekerende rechteloosheid een halt zou kunnen worden toeroepen.

 

Inderdaad, wij weten thans met welke regels echtscheidingen (en veel andere, civiele twistpunten) kunnen worden beslecht op de best mogelijke manier. Maar indien deze regels niet worden opgelegd en rechterlijke uitspraken niet worden gehandhaafd, verandert er niets.

Inmiddels is wel duidelijk geworden – wie er mee heeft gespeeld en erover nagedacht die weet dat uit eigen ondervinding – dat de DO’s en DONT’s een compleet en voldoende model vormen om elk denkbare geval van scheiding netjes op te lossen. Wat er nog te doen is, is het vinden van de manier waarop zij kunnen worden gehandhaafd.

De vraag van mevrouw Verdonk is lastig omdat in het familierecht traditiegetrouw nu juist niet aan handhaving wordt gedaan. In feite vraagt zij om een instrument dat, hoewel het allang had moeten bestaan, er in onze dagen nooit is geweest.

Voorwaar, een aardige kluif voor ons soort mensen.

 

Om antwoorden te vinden met deelname van een zo groot mogelijk publiek en omdat dit de laatste slag lijkt in de strijden, en om die zo goed mogelijk af te maken, hebben wij advocaten van negen kantoren uitgenodigd plus de nodige mensen uit “het wereldje” om deel te nemen aan de discussies.

Die zullen, naar rato van de opkomst, in enkele werkgroepen worden ondergebracht, waarna afsluitend plenair de in de werkgroepjes geopperde ideeën en vondsten zullen worden besproken en beoordeeld.

 

De inbreng van buiten OZO is in de voorbije jaren heel vruchtbaar gebleken en het bestuur vertrouwt er dan ook op dat ook dit jaar mede dankzij die externe inbreng een succesvolle donateursdag zal worden gehouden.

Een uitnodiging voor het bijwonen van de dag is bij deze editie van OZO-nieuws ingesloten.

 

Om het werk van D-day 2007 en D-day 2008 vrucht te laten dragen, zal tenslotte op de dag zelf een voorstel worden gelanceerd om een gezamenlijk burgerinitiatief te ontketenen met als doel dat de Tweede Kamer de implementatie van de gevonden DO’s en DONT’s op de agenda plaatst. Dan uiteraard uitgebreid met de handhavingsideeën die op de D-day werden opgesteld.

Een gezamenlijke actie van alle deelnemende clubs vergroot de kans op succes onmiddellijk en donateurs die graag actief worden, krijgen zo een kant en klaar concreet onderwerp en een concreet doel aangeboden dat onmiddellijk meetbare resultaten oplevert.

Het binnenhalen van handtekeningen voor het burgerinitiatief zal een gezamenlijke inspanning vergen, waaronder het opzetten van een speciale website. Een werkgroep zal de plannen uitwerken en implementeren.

 

De verdediging van het burgerinitiatief in de Tweede Kamer leggen wij tenslotte graag in de uiterst bekwame handen van mr. Prinsen, die daarmee de gelegenheid zal hebben om de kroon op zijn werk te zetten.

 

 

 

DE  SCHULD  LIGT  IN  HET  MIDDEN –  OF  NIET ?

 

De uitdrukking “de schuld ligt in het midden” moet wel een hoog waarheidsgehalte hebben, anders was zij niet een veelgebruikt gezegde geworden.

 

In de wereld van maatschappelijk werkers die voor de RvK werken, of voor Bureau Jeugdzorg, is de uitspraak een argument dat in individuele gevallen naar hartelust wordt gebruikt.

Wie een onderzoek door zulke instellingen heeft meegemaakt, weet dat de onderzoekers altijd gaan zoeken naar vlekjes op de witste koe en dat zij bontste koeien gerust buiten beschouwing laten in volstrekte ondoorgrondelijkheid. Een dergelijke “beleidskeuze” wordt tegen de protesterende ouder altijd verdedigd met het argument dat de schuld heus niet aan één kant ligt: “waar er twee strijden, hebben er twee schuld”.

Daaruit blijkt dat de onderzoekers feitelijk een schuldvraag onderzoeken. En dat nog wel in opdracht, en onder controle, van de Rechtbank zodat de verantwoordelijkheid voor deze funeste werkwijze inderdaad moet worden toegeschreven aan de rechtspraak.

 

Er zijn twee principiële kanten aan deze werkwijze. De eerste is die van de schuld zelf, en de tweede is die van de partij aan welke die schuld moet worden toegeschreven.

Uit deze opstelling blijkt al onmiddellijk dat het onderzoeksuitgangspunt van schuld niet deugt.

Want in geen wet of verdrag wordt gesproken van een schuldvraag. Er wordt wèl gesproken van het belang van het kind (dat zelf bijna per definitie onschuldig is).

Omdat het kind uitgangspunt moet zijn, is elk schuld zoeken verboden. Dat wast het toch al, omdat het eerste kind dat zijn vader opoffert aan zijn moeder, of omgekeerd, nog moet worden geboren.

Op basis van dit onweerlegbare feit kan meteen al negentig procent van alle aan de Rechtbanken uitgebrachte rapporten worden afgewezen als ondeugdelijk, en moet bijna honderd procent van het denken en het beleid der adviseurs worden veroordeeld.

 

Maar zelfs àls er naar schuldigen zou kunnen worden gezocht, dan nog zou de schuld hoogst zelden in het midden worden gevonden.

Dat komt omdat de bewering dat de schuld in het midden ligt, betrekking heeft op grote aantallen individuele gevallen, op populaties.

Wanneer men een voldoend grote populatie onderzoekt op bepaalde criteria, dan kan men een gemiddelde score berekenen. Zo zou men bijvoorbeeld best kunnen afleiden dat de gemiddelde lengte van de volwassen Nederlanders 1,8212393456 meter bedraagt. Maar wie vervolgens willekeurig één Nederlander in het oog vat, die zal met een zekerheid van bijna 100 procent constateren dat die Nederlander nou juist NIET 1,8212393456 meter lang is.

De onderzoekers die in het familierecht adviseren, hebben daar geen kaas van gegeten. Die gaan er standaard vanuit dat iedere onderzochte voldoet aan uitspraken die voor hele populaties gelden. Zo komen die onderzoekers aan de drogreden dat ook in individuele gevallen de schuld wel in het midden zal liggen.

Intussen doen onderzoekers niet aan waarheidsvinding. Dat zou terecht zijn, als zij zich niet over een schuldvraag zouden uitlaten, maar dat doen zij nu juist wèl. Zij brengen immers rapporten uit waarin vrijwel altijd een ongelijke, of een niet door de ouders aanvaarde, zorgverdeling wordt geadviseerd. Dat verplicht onderzoekers principieel om deze adviezen van een objectieve onderbouwing te voorzien en DUS om aan waarheidsvinding te doen, wat zij echter niet doen.

 

Kortom: òfwel de schuld ligt in het midden en alle gescheiden ouders worden over één vijftig procentskam geschoren, òfwel de schuld ligt niet in het midden en dan moet nauwkeurig worden  onderzocht wie van de ouders op objectieve gronden de beste ouder is, wie het grootste aandeel in de zorg voor de kinderen krijgt en het grootste deel van het gezinsinkomen.

 

Onmiddellijk valt in te zien dat aangaande het ouderschap een objectieve norm niet bestaat en nooit zal bestaan. Het denken in de pedagogische wereld kent wel een zekere welwillendheidsconsensus, maar het kent geen enkele controleerbare en verifieerbare vorm van convergentie naar een “waarheid” die principieel over honderd jaar ook nog geldt.

Zo’n convergentie, ofwel een steeds betere benadering van de definitieve waarheid, is wel een kenmerk (en een eis) van de harde wetenschappen.

Daardoor worden auto’s steeds zuiniger, computers steeds sneller en  tv’s steeds beter, en doet  in de opvoedkunde en de sociale samenleving eerder het verlangen naar een goede oude tijd opgang.

Dat verlangen bewijst dat er grote twijfel is aan de juistheid van de ontwikkelingen, het bewijst ook het ontbreken van convergentie, het steeds beter benaderen van de waarheid, in de pedagogie en andere sociale wetenschappen die zich op het terrein van het familierecht begeven.

 

De slotsom is dat onderzoekers helemaal geen rol mógen hebben in adviezen aan de Rechtbank inzake echtscheidingssituaties, en dat zelfs de rechter zo’n rol niet mag hebben.

De taak van de rechter is beperkt tot het garanderen en beschermen van de getroffen regeling - maar dat hadden de rechtsprekers en politici natuurlijk allang zelf moeten hebben bedacht.

Het stuurloze voorttobben in het familierecht is al “de misdaad van de eeuw” genoemd door prof. Hoefnagels. En de vooruitzichten zijn somber.

Gelukkig zijn er thans praktische DO’s en DONT’s die feilloos de weg uit elk moeras wijzen.

 

Het probleem dat overblijft, zoals mevrouw Verdonk meteen opmerkte, is de vraag “wat te doen als de ouders zich niet aan rechterlijke uitspraken houden?”.

 

Op zichzelf een verbijsterende vraag, want wij houden geen dure rechterlijke macht in stand voor het geven van waardeloze, niet-verbindende uitspraken waar geen aap zich aan houdt.

Afgezien daarvan hopen wij op de komende D-day met praktische antwoorden en ideeën voor handhaving te komen.

Voor de hele populatie dan wel, want dan komt het met de individuele gevallen vanzelf ook goed.

 

 

 

Nog maar eens wat  DO-DONT aspecten

 

Eén van de DONT’s die werden gevonden, heeft betrekking op het verbod om in het verleden te gaan graven, een ander op het verbod om in te gaan op beschuldigingen.

 

Het natuurlijke gezag van deze verboden vloeit, behalve uit overwegingen van systeemtechnische aard, ook voort uit de gewoonte van onderzoekers om niet aan waarheidsvinding te doen.

Wie luid en duidelijk belijdt niet aan waarheidsvinding te doen, die kàn natuurlijk nooit juiste en volledige onderzoeksresultaten claimen en daardoor dus ook geen enkele invloed uitoefenen op welke besluitvorming dan ook. Niet met de beste bedoelingen en óók niet op het hoogste deskundige  gezag. Omdat deze laatste argumenten onvoorspelbaar en onbetrouwbaar zijn, en onmogelijk te verifiëren.

Gezinsvoogden en onderzoekers kunnen niet anders dan zich op hun goede voornemens laten  voorstaan, want iets anders dan die claim hebben zij niet: zij hebben simpelweg geen alternatief voor goede bedoelingen.

 

Maar hun claims moeten worden gewantrouwd. Want wie wèl vertrouwen wil hebben in goede bedoelingen, die ontketent een vanzelf onbeslisbare wedstrijd in het hebben en poneren van goede bedoelingen, al dan niet door deskundigen, die ontketent dus een meningenstrijd.

De oude Romeinen, die op het gebied van rechtsontwikkeling allesbeslissend zijn geweest,  waarschuwden echter al dat over meningen niet te twisten valt (en dus dat zij ondeugdelijk zijn als beslissingsgrond).

Heeft onze koningin betere bedoelingen dan premier Balkenende?  Hoe wéét U dat?

En is het nou echt zo dat een willekeurige ouder slechter is, of dommer en onkundiger, dan iemand die op de sociale academie heeft geleerd dat “handvaten” het meervoud van handvat zou zijn?

Of dan iemand die uitdraagt dat het hoofddoel van een ondertoezichtstelling is “het zicht krijgen op de ontwikkelingen in het gezin” en die, zolang dat zicht er niet is, zonder schaamte een verzoek tot verlenging van die ots voor weer een jaar indient?

 

Want dat is wat de dagelijkse praktijk te zien geeft.

Jaarlijks groeien de budgetten, maar men krijgt daardoor alleen maar minder zicht op de werkelijkheid.

Daar moet paal en perk aan worden gesteld en de aanvaarding van de DO’s en DONT’s bewerken ook dat, doordat ouders niet meer mogen worden betutteld en gekleineerd, doordat de rapportages bestand moeten zijn tegen de objectieve toets die deze regels mogelijk maken.

 

Een heel ander aspect is het volgende.

In de huidige tijd zullen veel kinderen extreem bang zijn, wanneer hun vader en moeder eens een flinke ruzie hebben. Veel en veel banger dan de kinderen uit vorige generaties. Want dagelijks schalt het uit luidspreker en treurbuis door de woonkamers: ruziënde ouders zijn een straf voor het kind die moet worden verlicht door een echtscheiding. Het kan dus niet anders, of ruzies tussen de ouders zijn, veel en veel meer dan vroeger het geval was, een directe aanslag op het vertrouwen dat het kind heeft in zijn ouders of in een goede afloop.

Omdat  het kind zelfs de allerhechtste banden die de natuur heeft voortgebracht niet kan vertrouwen, leert het kind niet meer überhaupt nog vertrouwen te hebben. Zonder een basis van vertrouwen echter, valt de bodem weg uit het strafrecht, uit de sociale structuren in de samenleving, uit gedeelde verantwoordelijkheden. De hele samenleving verdort erdoor en sterft uiteindelijk af – exit verantwoordelijke samenleving.

Het belangrijkste effect van de DO’s en DONT’s zal te vinden zijn in de preventieve werking die ervan uitgaat op scheidende ouders. Wie een scheiding begint hoeft immers alvast NIET meer te rekenen op een willig luisterend en tot actieve hulp bereid oor, dat gretig beschuldigingen noteert en in verdere verledens graaft, dat de scheiding zou begeleiden of zelfs entameren.

Het ontbreken van deze steun, werkt al preventief.

De (zich zelf vervullende) voorspelling van de DO’s en DONT’s is dus, dat het aantal scheidingen sterk zal dalen bij invoering, en dat het aantal “vechtscheidingen” tot vrijwel nul zal worden teruggebracht.

Scheiden wordt niet verboden, er wordt op geen enkele manier aan welk zelfbeschikkingsrecht ook geknabbeld, en tòch verandert het klimaat zodanig, dat gezinnen in moeilijkheden weer een kans hebben daar overheen te komen zodat kinderen weer veel beter in staat zullen zijn een natuurlijk gevoel van vertrouwen te ontwikkelen.

 

 

 

OzoMottO:  Niet Zoeken, Niet Oordelen, Wel Oplossen

 

De rubriek OzoMottO is het kader waarin een zeker denken wordt ontwikkeld en verdedigd, en voorzien van een slotsom die dan als motto wordt gepresenteerd.

Omdat in het familierecht eigenlijk niets bijzonders aan de hand is en omdat de problemen op dat terrein heel makkelijk oplosbaar zijn, is te verwachten dat het denken op dit gebied ook geen eeuwige ontwikkeling zal kennen: op een gegeven moment is het allemaal gewoon klaar. Klaar in de zin van voltooid, en klaar in de zin van helder.

Die toestand is met het formuleren van de DO’s en DONT’s (zie achterpagina) bereikt.

 

Wat wèl kan, is nieuwe motto’s zoeken die het denken zelf nader verduidelijken. Het actuele motto is als zodanig bedoeld.

Het begint met: “Niet zoeken.”

“Wie zoekt zal vinden”, zegt het ene spreekwoord, “Wie een stok zoekt om er mee te slaan, zal er licht één vinden”, zegt een ander. Deze adviezen voorspellen, juist op terreinen als het familierecht, dat het zoeken (uiteraard naar waarheden) volstrekt antiproductief is. Dat komt omdat er daar geen absolute, objectieve waarheid bestaat. Wanneer die er wel zou zijn – zoals in de wiskunde – dan levert het “Wie zoekt zal vinden” de aansporing die juist nodig is om bijvoorbeeld een bewijs op papier te krijgen. Het spreekwoord is dus altijd waar.

 

En Niet Oordelen dan?

Wie gaat zoeken met de opdracht iets te vinden, bevindt zich hoe dan ook in een onmogelijke situatie. Wat verstopt is, láát zich immers niet vinden, ook niet als een Rechtbank of Gerechtshof dat gebiedt. Wat principieel of in objectieve zin niet te detecteren valt, kan ook op bevel niet worden gevonden of ontdekt.

Hoe men het ook probeert, zoeken heeft alléén maar zin als men voldoende zeker is dat het gezochte bestaat, als men weet dat er iets te vinden ìs.

Bij scheidingen wordt aan dat criterium nooit voldaan. Er is nooit een schuldige en er is nooit een objectieve reden of oorzaak voor, dus het zoeken daarnaar is volstrekt zinloos.

Dat verordonneerde zoeken moet echter wel altijd iets opleveren, verpakt in een grotendeels overgeschreven rapport. De conclusies en adviezen in dat rapport evenwel, zijn op geen enkele manier gerechtvaardigd of juist en dus principieel ontoelaatbaar.

Dat is de reden waarom geldt: Niet Oordelen.

Oordelen kan alleen op basis van volledig en correct en objectief onderzoek, anders niet.  Omdat correct onderzoek onmogelijk is, is oordelen verboden.

 

Maar er valt bij echtscheidingen wel iets op te lossen.

Er zijn wat financiële veranderingen die regeling behoeven en er is de uitvoering van de zorg voor de kinderen die aanpassing aan de nieuwe situatie behoeft.

De enige manier om dat goed, objectief, eerlijk en zonder moralistische bevoogding te bewerkstelligen, is door de DO’s te volgen die steeds op de achterpagina van OZO-nieuws prijken.

Het is dus heel goed mogelijk om knopen door te hakken in hachelijke en gevoelig liggende kwesties, zolang men zich daarbij van moralismen en oordelen onthoudt: Wel Oplossen dus.

 

Op zichzelf klinkt dit alles nogal moralistisch, maar dat mag ook. Dat moet zelfs.

Voor wet- en regelgeving en voor het toezicht en uitvoering in de dagelijkse praktijk is een hoog moreel gehalte nu eenmaal een absoluut vereiste. Terwijl in concrete, persoonlijke casussen nu juist het weghouden van moraal en moralismen is geboden.

Of, zoals elders in dit OZO-nieuws toegelicht: wat voor een populatie geldt, geldt meestal nou juist niet voor een individu. Klaar als een klontje.

 

 

 

Belang van he kind? Nee, een rechtsstaat voor het kind !

Wie is er nu tegen het belang van het kind? Niemand toch?
Conclusie: wie zich daar toch op beroept om zijn daden, beleid of beslissing te motiveren komt blijkbaar argumenten tekort.

Kinderbeschermers leggen een overdreven nadruk op het belang van het kind. Met dat argument claimen kinderbeschermers het octrooi op het gelijk. “Wie niet vóór ons is, is tégen het kind”, zeggen zij eigenlijk (en zelf geloven zij daar heilig in). Dat kàn natuurlijk niet in een rechtsstaat. De alarmbellen zouden moeten gaan rinkelen bij ieder inroepen van het belang van het kind-argument. Toch is het belang van het kind al decennia lang de niet om nadere motivering vragende, politiek correcte dooddoener van autoriteiten bij letterlijk elk debat, elke beslissing over kinderen.

Wie kritiek heeft op wat kinderbeschermers of kinderrechters doen of beslissen vindt altijd dat belang-van-het-kind-argument tegenover zich. Wie in de valkuil trapt om dat argument serieus te riposteren om toch zijn kritiek te verdedigen neemt zijn toevlucht tot een strategie van relativering en gaat wijzen op “ook andere belangen”. Niet doen dus. Niet relativeren, maar verwerpen, want het “belang van het kind-argument” is een drogreden, een valse discussiemethode die de aandacht afleidt van de kern van de kritiek. Trap er niet in! Het debat moet gaan over transparantie en “accountability” (rekenschap) en over kernvragen als: “Is uw interventie dwingend noodzakelijk in de zin der wet?”, “Heeft u zorgvuldig onderzoek gedaan?”, “Spreekt u de waarheid? Kunt u dat bewijzen? Heeft u distantie?”, “Is uw optreden adequaat, effectief of misschien juist wel contraproductief, de juiste aanpak voor het probleem?” Immers, als er ruimte is voor leugen en misleiding waarmee willekeur van autoriteiten gemakkelijk wordt toegedekt, wat heeft het dan voor zin om te twisten over het belang of de belangen van het kind?
Kinderen hebben recht op “Een rechtsstaat voor het kind”.

Mr ir P.J.A. Prinsen, oudadvocaat

 

 

 

Een bericht uit Belgie

 

“Een gescheiden moeder van twee kinderen is veroordeeld tot een jaar cel omdat ze had verhinderd dat de kinderen contact hadden met hun vader, volgens de rechter heeft ze daarmee hun kinderen moreel en psychisch mishandeld. Het is erg uitzonderlijk dat de rechter zo een strenge straf oplegt. De vader van de kinderen is opgelucht dat er eindelijk een uitspraak is maar een gevangenisstraf vind hij toch ook geen oplossing.

Moeder tekent beroep aan.”

(VTM nieuws 21/08/2008)


Wat moeten we hierover denken? Blij zijn, houden we van bloed aan de paal, zijn wij, ouders zonder omgang, uiteindelijk niets beter dan de ouders die de omgang belemmeren?

 

Inderdaad, wij moeten blij zijn, om aantal redenen. Ten eerste omdat een rechter, uiteraard na een lange voorgeschiedenis, een duidelijk signaal afgeeft: vonnissen zijn er om nageleefd te worden, ook indien ze opleggen dat moeder moet meewerken aan de omgang met vader.

Dit lijkt nogal wiedes, maar de praktijk is wel anders. Heel wat OZO-donateurs zouden de omgang met hun kinderen behouden hebben als de rechter haar/zijn eigen uitspraken had gehandhaafd en niet gezwicht was voor de chantage van de verzorgende ouder.

 

Uiteraard deed zij/hij dit “in het belang van het kind”, maar  hiermee stelde zij/hij dat gelijk aan “opgroeien zonder de andere ouder”. Wie ziet daar nou het belang (van het kind) van in?

 

“Moeten dan al die moeders het gevang in?” vraagt men ons wel eens. Het antwoord is evident: natuurlijk niet, tenzij samen met al die vaders. Maar het belangrijke is het signaal wat afgegeven wordt: over omgang valt niet te spotten.

 

Nu is het vaak zo dat indien de verzorgende ouder op de andere wraak wil nemen, de kinderen ongestraft als middel in de stijd gegooid kunnen worden. Indien de rechter al door heeft hoe de vork in de steel zit, krijgt zij/hij steevast zwakke knieen en zwicht voor de chantage. Echter niet de betreffende Belgische rechter. Die strafte moeder voor het onrecht wat ze de kinderen aandeed. Terecht.


Blij zijn omdat, door bij uitzondering duidelijk op te treden, veel ander leed voorkomen wordt, is geen wraak. Het is rechtszin, door rood rijden verwerpen we ook.

Wraak? De liefde voor onze uit het oog geraakte kinderen is te teder voor wraak. In diesen heil’gen Hallen kennt man die Rache nicht.

Achterpagina:

 

 

Wetenswaardigheden

 

Twintig jaar nadat Californië frequent en voortdurend contact met beide ouders als uitgangspunt nam, is het probleem van delinquenten- toeslagen vrijwel opgelost en is de psychische gezondheid van scheidingskinderen enorm verbeterd.


André Rouvoet, minister voor Jeugd en Gezin, geeft toe dat van de 60.000 scheidingskinderen per jaar, er een derde in de problemen komt.  Verkeerd beleid dus.