OZOnieuws, jaargang 6, Nummer
3, september 2007
D-day 2007
Ook dit jaar weer organiseren wij
een donateursdag op onze vaste stek in Oosterbeek. En wel op zondag 21 oktober
as. Het thema is “Gelijkwaardig Ouderschap”.
Zoals bekend is in de politiek een motie van de SP voor het gelijkwaardig ouderschap
omarmd. Maar daarmee is de missie van de ouderbewegingen in dit land – en in
de wereld – niet volbracht. Nog lang niet zelfs. Daar zijn twee hoofdredenen
voor.
De eerste is, dat het globale denken in de samenleving over zekere kwesties
zich niet door een pennestreek laat dicteren. Ook brede maatschappelijke discussies
zijn niet meer dan wat zij zijn: discussies. En in discussies – het is bekend
– zijn de strijdende partijen bij het verlaten van de arena nog overtuigder
van hun gelijk dan toen zij haar betraden. Een discussie versterkt vooral de
eigen mening en is daarom juist in geloofskwesties als middel voor waarheidsvinding
niet alleen zinloos, maar zelfs contraproductief.
Dit fenomeen wordt weerspiegeld in het in de wetenschap allang aanvaarde idee,
dat voor een verandering in het denken over zekere kwesties – het paradigma
– een revolutie is vereist, of een nieuwe generatie. Een nieuwe generatie denkt
immers mogelijk anders dan de oude, waarmee het oude denken uitsterft. Een revolutie
kan het oude denken verbieden, of desnoods met geweld uitroeien.
De tweede reden waarom de motie van de SP op zichzelf zich geen potten zal breken,
is taalkundig van aard. Het SP-motto berust namelijk op een niet-bestaande objectieve
normering van de begrippen “gelijkwaardig” en “ouderschap”. Anders gezegd: wie
één van die termen in de mond neemt, mag – en zal – zich daarbij voorstellen
wat hem (of haar) lust. Daarmee is dus meteen elke discussie over dit onderwerp
(hoezo? welk onderwerp?) gedoemd te mislukken.
Precies soortgelijke vaagheid is één van de redenen waarom in het familierecht
zo breidelloos kan worden onderzocht en gepalaverd zonder dat een beslissend
woord kan worden gesproken: over onduidelijkheid is geen duidelijkheid te scheppen.
Voor een revolutie zijn wij niet in de wieg gelegd. Maar het wachten tot een nieuwe generatie een nieuw denken bepaalt, is ook niet aantrekkelijk voor ons en onze kinderen. De conclusie is, dat slechts in een behoedzame en zakelijke discussie over wat (en wat niet) moet worden verstaan onder “gelijkwaardig ouderschap”, en over welke randvoorwaarden daarvoor moeten worden geschapen, mogelijk de kiem kan worden gelegd voor een Umdenken in het familierecht.
In vervolg op het succes van 2006 zullen wij ook dit jaar onze D-day organiseren naar de formule van enkele voordrachten gevolgd door een grote en levendige forum-discussie. Met tussendoor de gewoontegetrouwe geanimeerde, informele borrels en babbels. Want het is dan wel een dure plicht om op te komen voor een betere wereld, wij hoeven ons daarom ons goede humeur nog niet te laten bederven. OZO, zo is dat.
Het Amershofberaad - vervolg
In zijn vergadering van 11 september
jl. heeft het bestuur van onze stichting besloten om de deelname aan het Amershofberaad
te intensiveren.
De noodzaak van samen optrekken is evident: door journalisten – zelf werkzaam
bij Vara of Telegraaf of Tubantia – wordt vaak de ietwat beschuldigende vraag
gesteld waarom de ouderbeweging zo verdeeld is. Die vraag is onbehoorlijk, en
ook een beetje dom, uit de mond van één der duizenden concurrerende journalisten
in dit land, maar zij verraadt ook dat in de journalistenwereld de onuitgesproken
gedachte leeft dat over zoiets als het contact tussen ouders en kinderen geen
onenigheid kan bestaan. Dezelfde verslaggevers en commentatoren die vóór gelijkberechtiging
zijn en vóór het belang van het kind, en tégen een blijfdwang in slecht lopende
huwelijken en tégen discriminatie, denken dus stiekem eigenlijk heel ouderwets
en instinctief over huisje, boompje beestje en kind.
Dat wordt ook waargenomen bij hardnekkig ontspoorde jongeren die veel bajeservaring hebben. In gesprekken met begeleiders onthullen dezen namelijk vaak dat zij verwachten dat “het” wel weer goed zal komen. Dat “het” is dan niet een toch nog geslaagde schoolcarrière of een passende baan, maar een huis en een gezin.
Deze onverwoestbare onderlaag dwingt
de ouderbeweging er feitelijk toe om althans naar buiten als één front te opereren.
Het bestuur heeft besloten daaraan mee te werken en heeft aan de deelnemers
van het AB (het Amershofberaad) voorgesteld om bij toerbeurt de organisatie
en het dagvoorzitterschap van bijeenkomsten te vervullen, en dan ook op te komen
voor de kosten.
Dat doet recht aan de democratische meerstemmigheid en aan een eerlijke kostenverdeling.
Gelukkig munt de nietgesubsidieerde ouderbeweging uit in zuinigheid en absoluut
onegoïstisch beheer van de eigen gelden, zodat het financiële risico van deelname
aan het AB nagenoeg nihil is.
Het potentiële voordeel van het optrekken in één front is daarentegen erg groot,
zeker als de hoogste generaal boven de partijen zou staan.
Volgens het bestuur is zo’n generaal
altijd al in ons midden geweest. Zijn naam is Peter Prinsen en zijn reputatie
smetteloos. Daarom verdedigt OZO de opvatting dat Peter Prinsen zich bij uitstek
kwalificeert voor de centrale rol en dat wij ons daarvoor steunend en dienstbaar
moeten opstellen.
Het is te verwachten dat hiervoor een grote meerderheid te vinden zal zijn,
zodat na de eerste successen met Manifest en Vadertop (zie voor naders de OZO-website)
meer goeds te verwachten is. De eerstvolgende meeting vindt Deo volente plaats
op 21 oktober. Wordt dus vervolgd.
Noteert U alvast:21 oktober D-day
Discriminatie
Het woord ‘discriminatie’ is een voorbeeld van een op drift geraakte term die
is verzwaard en onbruikbaar gemaakt door de morele lading die eraan werd gekoppeld.
Letterlijk betekent hij “onderscheid maken” en daar is natuurlijk niets mis
mee. De samenleving bestaat en bloeit dankzij onderscheid, en de evolutie is
één groot gevecht om het verschil te kunnen maken. Of zoals een oude professor
het reeds jaren geleden uitdrukte: “Discrimineren is een fundamenteel mensenrecht”.
Vanwege het succes van de evolutie is aannemelijk dat ook een samenleving is
gediend met een streven naar verscheidenheid. Naar het motto: “Discriminatie
Moet”.
In de dagelijkse praktijk komt dat in elk facet van het leven tot uitdrukking. Want vlees haalt men bij de slager, de auto gaat voor onderhoud naar de garage, en zo voort.
Mensen zijn redelijke, bewuste wezens. Dus manifesteerde zich bij hen vanzelf de behoefte aan objectieve waarheden en aan definitieve uitsluitsels in kwesties waarin onenigheid was. En vervolgens even logisch en onontkoombaar de behoefte aan een rechtsstaat die de taak van het regelen van het sociale verkeer zou vervullen.
In de daarbij, alweer logischerwijs, ontstane functie van arbiter, werd de voorspelbare en allesbehalve revolutionaire notie ontwikkeld dat de grootte van een neus of de kleur van een regenjas geen enkel argument kon leveren voor de beslissing aan welke van de onenige partijen het gelijk – of het meeste gelijk – moest worden gegeven.
Precies deze notie vindt haar weerslag
in het verbod op discriminatie op grond van geslacht, geloof, huidkleur en andere,
voor de objectiviteit niet-relevante eigenschappen en eigenaardigheden. Het
hieruit voortvloeiende axioma luidt: “Discriminatie (op basis van geloof, geslacht
etc.) mag niet”.
In het alledaagse spraakgebruik wordt de term tussen haakjes meestal vergeten
en wordt het “Verbod op discriminatie” in discussies maar al te vaak als een
algemeen geldig verbod geponeerd, met een volslagen impasse als voorspelbaar
gevolg.
Maar hoe vanzelfsprekend dit korte exposé ook mag lijken, in de dagelijkse praktijk wordt deze vanzelfsprekendheid voortdurend geweld aangedaan. Mensen vertikken het hun leven lang om zich voor de ene ouder uit te spreken, ten koste van de andere ouder. De kilo’s beton van de vader wegen voor hen evenveel als de kilo’s veren van de moeder – óók als de kilo’s van moeder van beton zijn, en die van vader van dons.
Van daaruit is het maar een kleine stap naar de gedachte dat mannen en vrouwen in de samenleving als gelijken en gelijkwaardigen tegemoet moeten worden getreden. Maar in de rechtspraktijk worden mannen strenger en vaker bestraft dan vrouwen. Dus ondanks de hoogstaande moraal waarop de moderne samenleving zich zo graag laat voorstaan, wordt er in diezelfde samenleving duchtig op los gediscrimineerd.
Dat gebeurt ook, en zelfs vooral,
in het familierecht. Misschien kwalificeert de biologische kwaliteit van vrouwen
hen meer voor de verzorging van kinderen dan mannen. Dat zou dan een geldige
reden voor gerechtelijk onderscheid opleveren naar het motto “Discriminatie
Moet”.
Maar een dergelijke claim wordt naar het axioma Discriminatie mag niet” nou
juist nooit gelegd. In tegendeel. De gelijkwaardigheid van ouders wordt wel
altijd met vlijt beleden, maar bijna nooit waar gemaakt.
In het recht dwingt men kinderen tot een keuze tussen de ouders, tot precies het enige wat een kind nou juist níet wil. En men verantwoordt die handelwijze met een plechtig beroep op het belang van het kind. Het enige non-discriminatoire facet daaraan is kwalitatief van aard, doordat deze voze perversie mannelijke en vrouwelijke slachtoffers precies even hard treft.
Welbeschouwd is het PAS-syndroom een rechtstreeks gevolg van de discriminatie in de rechtspraak, waardoor het kind de rol van slachtoffer en dader krijgt opgedrongen en voor het leven ongelukkig wordt gemaakt. Iedere ouder herkent instinctief en onmiddellijk de benarde positie waarin de kinderen dreigen terecht te komen en ziet meteen in dat het recht onverbiddelijk zal zijn. Een uitweg uit de impasse is er niet.
De genomen beslissingen blijven generaties lang doorwerken. Stambomen worden voorgoed verwoest, familiebanden definitief verscheurd, herstel van een nieuwe genealogische contekst kost eeuwen….
Volgende generaties zullen hun eigen fouten wel maken, maar het is zeker dat de geschiedenis hard zal oordelen over onze tijd en onze experimentele kamikaze acties. En wij hadden het nog wel zo goed bedoeld!
OzoMottO: Eerst de regels, dan de intenties
Ozo’s – dat zijn ouders zonder omgang
dus – worden in hun bestaan voortdurend herinnerd aan het gemis van hun kinderen.
Dat gemis ontstond door het ingrijpen van mensen, die daarbij in alle toonaarden
en uittentreuren benadrukten dat zij alleen maar het beste beoogden en dat zij
zich lieten leiden door de belangen van de meest kwetsbare betrokkenen, de kinderen.
Het was en is staande praktijk om daarbij een multidisciplinair overleg als
de ultieme toets van de bevindingen te presenteren, of om te verwijzen naar
de jurisprudentie. Daarbij is dan de boodschap: “Als wij het fout hebben, komt
dat zeker niet door een gebrek aan inzet of goede bedoelingen of gebrek aan
deskundigheid, maar (dus) door overmacht of door tegenwerking”.
Die boodschap heeft niet alleen dogmatische vormen aangenomen, zij heeft zelfs de hele sfeer rond echtscheidingen meer verziekt en gecorrumpeerd dan welke strenge sociale controle ook had kunnen bewerken. Het dogmatische karakter blijkt bijvoorbeeld uit het gemak waarmee men de eigen beroepsgroep a priori boven verdenking verheven acht, en wenst te zien.
Dat kwam aan het licht toen gezinsvoogden zich tamelijk massaal in het actievoeren stortten op het bericht dat de voogd van de vermoorde Savanna ter verantwoording zou worden geroepen door het Openbaar Ministerie. Er werd geen zakelijke argumentering gehanteerd, er werden geen harde feiten gepresenteerd (wegens de - ook al dogmatische – bescherming van de persoonlijke levenssfeer) maar men beriep zich in wezen op een vorm van onfeilbaarheid en op onschendbaarheid, voortvloeiend uit persoonlijke kwaliteiten. Welke kwaliteiten (immers) automatisch uit de aard van het beroep van gezinsvoogd (van vooral kwetsbare kinderen) zouden voortvloeien, zodat dergelijke voortreffelijke eigenschappen ook aanwezig zouden moeten worden verondersteld bij de aangevallen voogd in kwestie.
Dit na-aapgedrag – de voogden keken hun dogmatiek af van de rechters die zij adviseren en van de tuchtrechtelijk gezekerde deskundigen die hen vanuit de multidisciplinaire omgeving de noodzakelijke alibi’s verschaffen – werkt corrumperend.
Zo voeren artsen oncontroleerbare “onderzoek” uit, op grond waarvan zij derden adviseren om de dossiers en de informatiebronnen dicht te houden voor ouders die met 1:377c BW in de hand om informatie vragen. Bij klachten tegen die derden wordt de bal doorgespeeld naar de door hen geraadpleegde (of te hulp geroepen) adviseurs. En wanneer de informatiezoekende deze adviseurs om naders vraagt, beroepen dezen zich doodkalm op hun beroepsgeheim. Dat is veel meer regel dan uitzondering, als er over het niet nakomen van de informatieplicht van derden wordt gekibbeld.
Het almaar toenemende, niet beargumenteerde
verzet tegen de informatieplicht, is een vorm van corruptie, van vernietiging
van regels, van verval.
In de rechterlijke macht is de term “verblijfsouder” uitgevonden opdat de rechterlijke
macht, traditiegetrouw in het familierecht, onder het voorschrift van de wet
uit kan komen. Maar ook rechters moeten zich aan de wet houden. Doordat zij
dat nooit deden – en hoefden te doen, o.a. doordat de wetgever zelf tot verzet
en ondermijning opriep door het opnemen van die contraproductieve ontzeggingsgronden
– hebben zij zich feitelijk het primaat over de wet toegeëigend en ook de wetgever
van het toneel verdrongen. Dat is corruptie.
Ook de rechters rechtvaardigen zich door een beroep op onkreukbaarheid en ook
zij achten zich alleen daardoor al ontslagen van de plicht tot verantwoording
en motivering. Dat is althans de conclusie die zich hard opdringt.
De beschikkingen en processen verbaal van terechtzittingen in het familierecht staan bol van de bewijzen van onbenul in hun kringen. En van de bewijzen van de tergend minderwaardige bevoogdende houding van rechters tegenover brave ouders, voor wie een scheiding niets minder is dan een nachtmerrie op leven en dood van hun kinderen. Wat voor ouders alle zakelijke en sociale belangen overstijgt en wat uiteindelijk voor het voortbestaan van de samenleving en de cultuur van het allerhoogste belang is, wordt door de rechtbanken in de onbekwame handen van net beginnende rechters of deeltijdrechters gelegd. Men ziet de enormiteit hiervan niet in, omdat het eigen denken is verwrongen door valse zelfpercepties en door valse dogmatiek van de eigen voortreffelijkheid.
Tegen deze fundamentalistische dogmatiek is slechts één kruid gewassen. Slechts het herstel van de orde, het herstel van het primaat van de regels, kan weer bescherming bieden. Regels kunnen zich ook uitstrekken over de manier waarop de handhaving van die regels moet worden afgedwongen. In regels kunnen beperkingen worden opgelegd aan de mate van vrijheid die beroepsbeoefenaren zichzelf en collega’s toe-eigenen.
Daarom berust de rechtsstaat berust eerst en vooral op regels, en niet op mensen of intenties. Mensen kunnen zich wijsgeer wanen, of Salomo(n), maar wetten staan op papier dat niet bloost en niet liegt, en geen last heeft van Sinterklaasstress, files of gladheid.
Wie bescherming en een veilig heenkomen zoekt, moet bij de wetgever zijn. Niet bij een rechter, en al helemaal niet bij een samenleving die nu eenmaal altijd bloed wil zien.
Eerst de regels, dan de intenties.
Vermist: Vader
Op TV worden heel wat programma’s
gewijd aan leed wat mensen in hun eigen leven meemaken. Terecht, dit is de menselijke
maat.
Veel zaken waarin een misdaad speelde, laten familie en vrienden met slechts
vragen achter. Ook meldden zich kinderen van Canadese soldaten, destijds aan
het eind van de oorlog, die nu hun vader zoeken. Natuurlijk ook mensen die goede
vrienden uit die tijd verloren. Dikwijls zagen we mensen die elkaar aan het
eind van de bezetting van Indonesie uit het oog verloren.
Er zit schot in het onderwerp, nu is het opeens toch van belang dat een boer
een vrouw vindt - en hoeveel verloren vakantieliefdes zijn er niet geweest,
het was (en blijft) heet aan de Middellandse zee.
Tot onze verrassing was er pas een opvallende zaak in “Vermist”. Twee zussen,
ruim in de twintig, zochten vader. Heel lang niets meer van gehoord, woonde
ergens in Zeeland, niet eens zo gek ver weg. De zoektocht was succesvol. Vader
mocht zijn verhaal doen: Na de scheiding probeerde hij contact met de kinderen
te houden, moeder werkte dat tegen, hij schreef hen brieven, maar kreeg nooit
antwoord. Ten lange leste gaf hij het op. “En wat deed het U?” vroeg de journalist.
Onze (stugge?) Zeeuw, goed in de 60: “Daarover kun je niet praten” – de eerste
traan schoot hem al in zijn ogen.
Zoals dat gaat, dochters kijken naar
dit verslag en de kijker ziet hun reactie. “Hij heeft het toch geprobeerd!”
zeiden ze tegen elkaar.
Het volgende beeld was weer vader – zijn ogen stonden nu vol.
Velen onder ons herkennen het verhaal. Moeder was een PAS-moeder, over vader-
“die is slecht” - werd niet gesproken, brieven werden achter gehouden, er werd
verhuisd zonder vermelding van het nieuwe adres.
OZO is verheugd dat zulke verhalen nu ook aandacht krijgen. Eindelijk worden
deze gruwelen aan het brede publiek getoond. Eindelijk aandacht voor de grootste
groep!
Dames en heren programmamakers, er is werk aan de winkel: Als U 10 minuten tijd besteedt aan ieder van de ca 550.000 kinderen die één van hun ouders niet zien, dan is er voor 10 jaar televisie, 365 dagen in het jaar, 24 uur per dag!
OzoMottO:Eerst de regels, dan de intenties
OZO-nieuws is een uitgave van Stichting
Ouders Zonder Omgang
Verschijning : 4x per jaar
Oplage : 200 Aantal donateurs : 190
Stichting Ouders Zonder Omgang
Postbus 198, 6600 AD Wijchen
Tel. : Ma- t/m vr-avond 024 - 3970095
Fax : 024 - 3970094
E-mail : info@stozo.nl
Internet: www.stozo.nl
Bank : 66.55.48.923 ING Almere
K.v.K : 34.16.61.58 Amsterdam
jaargang 6, Nummer 3, september 2007