OZO-nieuws 2006-4
Over de Lustrum-D-day
Op ons lustrum mochten wij dit keer
een flink aantal deskundigen en insiders begroeten uit de wereld van het Personen-
en Familierecht. Uiteraard was mr. Prinsen weer van de partij, de nestor van
het vaderlandse verzet tegen elke vorm van ongevraagde en onnodige inmenging
in familierelaties. Maar ook kwamen als speciale gasten mr. M. Vos uit Groningen,
drs. P. Tromp (onderwijskundige) uit Utrecht, mr. Ch. Heezemans uit Eindhoven.
Laatstgenoemde reageerde op het OZO-Motto van de vorige aflevering van OZO-nieuws.
Elders in deze kolommen is deze reactie agedrukt. De gasten maakten allen deel
uit van het forum dat als sluitstuk van de dag onder leiding van Ronald Bijl
een interessante discussie voerde over omgangsproblemen. In het publiek bevond
zich ook de jeugdpsycholoog drs J. van der Pol, maar die moest helaas van een
plaats in dit forum afzien.
De formule ervan echter belooft veel goeds voor komende gelegenheden.
Een gast die was uitgenodigd maar verstek liet gaan, was wetenschapsjournalist Theo Richel. Hij genoot in "het wereldje" een grote bekendheid maar hij kreeg daar zijn bekomst van. In de volgende OZO-nieuws zal zijn schriftelijke reactie op de uitnodiging worden afgedrukt.
Ook zal daarin worden ingegaan op
de reactie van mr. Heezemans, elders in dit nummer. De open discussies, waarin
ook geluiden waren te horen die niet per se harmonieerden met het OZO-geluid
(met excuus voor deze vrije metafoor), leerden dat het moeilijk is om tegenstanders
van omgang te vinden, maar dat het niet moeilijk is om daarover verschil van
mening te hebben. Dat noopt tot een bezinning op prioriteiten en op axioma's
- op onwrikbare uitgangspunten dus, en het belang daarvan.
Het bijzondere is, dat juist is geprobeerd om in de OZO-motto's (OMO's) dergelijke
axioma's te vinden en te verdedigen en dat juist zo'n OMO mr. Heezemans een
reactie ontlokte. Dat leert, dat er aan de uitleg en verdediging van een OMO
meer aandacht moet worden besteed.
Na onze D-day beoordeelden alle deelnemers de dag als zeer geslaagd en vruchtbaar. En hoewel het bezoekersaantal historisch laag was, was de lustrum-D-day ongetwijfeld de meest geslaagde tot nu toe.
Indachtig het spreekwoord: "Beter
één vogel in de hand, dan tien in de lucht", spreekt het bestuur zijn dank uit
aan de opgekomenen. De dag en de opkomst moedigen aan tot voortzetting van al
het verzet tegen de Kafkaeske bureaucratie en regelgeving die onze kinderen
vermorzelt.
Met goede moed, en blij van zin.
Reactie op de bijdrage "OzoMottO:
Omzeil problemen, Zoek oplossingen" in Ozo-Nieuws, jaargang 5, nummer 3,
september 2006.
Ik weet niet of er sprake is van een "beschavingscrisis" waarvan de omgangsproblematiek
onderdeel is zoals in de hier besproken bijdrage wordt gesteld. Ik denk wel
dat er inderdaad een verband is tussen omgang en beschaving maar dan doel ik
op: innerlijke beschaving.
Innerlijke beschaving komt onder andere tot uitdrukking door genuanceerd en zindelijk denken en gedisciplineerd zakelijk debat met gebruik van rustige bewoordingen, goed luisteren, anderen ruimte geven. Dit mis ik in de bijdrage, waarin enorme gedachtensprongen worden gemaakt, er van alles en nog wat met de haren bij wordt sleept, geladen woorden worden gebruikt en wilde beschuldigingen worden geuit.
De vraag is hoe het belang van het kind van gescheiden ouders het beste te dienen. Dit is een ander uitgangspunt dan: hoe het belang van de niet verzorgende ouder te dienen. Hier kan al sprake zijn van een eerste tweespalt maar voor mij is duidelijk dat het recht op omgang van de ouder niet ten koste van het kind mag gaan.
Internationale verdragen, wet, rechtspraak en jeugdhulpverlening gaan - op macroniveau - uit van het recht van zowel het kind als de niet verzorgende ouder op omgang. Ik huldig het beginsel dat een kind na scheiding van zijn beide ouders zal blijven houden en dit op zijn manier door woord en gebaar mag laten merken zonder straf of subtielere vormen van afkeuring. Bij de rechterlijke macht vindt steeds meer de gedachte ingang dat de verzorgende ouder niet enkel lijdelijk mag blijven, maar omgang met woord en daad dient te bevorderen. Op ieder beginsel zijn echter (per definitie) uitzonderingen, zo ook hier. Dat deze uitzonderingen onder de noemer van "het belang van het kind" worden gebracht vind ik in die zin niet zo boeiend dat in de dagelijkse praktijk naar de concrete situatie van ieder geval afzonderlijk wordt gekeken (microniveau).
Het is en blijft maatwerk en dan kan men met bijdragen op macroniveau zoals hier besproken moeilijk uit de voeten en dit des te minder door de storende toonzetting ervan, sterker nog: dergelijke bijdragen roepen weerstand op omdat ze drammerig zijn zonder weldoordachte, concreet bruikbare handvatten voor de dagelijkse praktijk te noemen.
Een kind kan ontzettend veel van zijn ouders verdragen, maar één ding zeer zeker niet: voortdurend geruzie tussen zijn ouders. Met of zonder omgang, dat staat hier los van. Hier laat het rechtssysteem het kind echter onvermijdelijk alléén omdat verdrag, wet, rechter, advocaat, deskundige, jeugdhulpverlening, enz. de ouders niet met succes kunnen dwingen hun ruzies bij te leggen. Dit kan niet van bovenaf worden opgelegd, maar moet van onderop komen. Hiertoe kan alleen door elk van de ouders op basis van vrijwilligheid worden besloten. Wij bevinden ons dan intussen niet meer op het gebied van rechten en plichten. Het gebrek aan innerlijke beschaving bevordert communicatieverstorend gedrag. Dáár zit in een groot aantal gevallen mogelijk de angel.
Indien één ouder oprechte vrede met de collega-ouder niet wil nastreven dan houdt het op want voor het recht, de wetenschap (de deskundige) en de hulpverlening zijn gedachten en gevoelens vrij. Ook de goedwillende, leerbare, zich redelijk opstellende ouder heeft geen effectief middel om eenzijdig de wil van de ander te veranderen als die zich hiervoor niet vrijwillig openstelt. Om deze stelling te verduidelijken gebruik ik het voorbeeld van de verzorgende ouder die tegen het kind dat naar de omgangsregeling vertrekt zegt: ga maar, ik blijf dit weekend wel alléén. Een bijzonder gemene manipulatie, maar ongrijpbaar voor het rechtssysteem, de deskundige en de hulpverlener.
Men zou tegenover zoveel onwil van de onredelijke ander die onwil wellicht willen breken door dwang. Bijvoorbeeld via een rechterlijke beslissing met dwangsom e.d. of andere legale dwangmiddelen. Of buitenwettelijk door middel van omkoping, dreigementen, smaad en laster, alimentatie stoppen, korten of traineren, belagen, koeioneren of andere voorbeelden van gebrek aan innerlijke beschaving. Maar het zojuist gegeven voorbeeld laat zien dat ook dwang niet werkt, zelfs contraproductief is als deze tot heimelijke sabotage leidt wat vaak zal gebeuren. Intussen lijdt het kind onder het geruzie van zijn ouders. De verzorgende ouder kan de geestelijke belasting van de ruzies, de stress, het geldgebrek, de schaamte over de smaad en laster, het gebonk op de deur, de alsmaar overgaande telefoon, het verdriet, de haat en de weerzin tegen de andere ouder enz. enz. onmogelijk verbergen.
Ook de niet verzorgende ouder kan
dat onmogelijk. Het hart ligt altijd op de tong, maar ook als men in het bijzijn
van de kinderen er het zwijgen toe doet, kan men niet verbergen wat men voelt
omdat een belangrijk deel van de communicatie tussen mensen nonverbaal verloopt,
terwijl de kinderen bovendien (de vijandige) sfeer uitstekend aanvoelen. Non-verbale
communicatie gaat doorgaans niet opzettelijk maar onwillekeurig. Dit kan bijvoorbeeld
door het optrekken van een wenkbrauw zodra de naam van de andere ouder valt.
Men heeft dat van zichzelf niet eens in de gaten. Zelfs als een ouder met zoveel
woorden zou zeggen dat het om een meningsverschil tussen grote mensen gaat waar
het kind zich maar niets van aan moet trekken, de lichaamstaal laat de ware
stand van zaken zien en veroorzaakt blijvende onrust in het gevoelsleven van
het kind die men mijns inziens niet een-twee-drie rationeel-verbaal kan wegmasseren.
Tegenstrijdige beïnvloeding van het kind is het gevolg en het kind komt klem
te zitten tussen zijn ouders. Het kind komt anders in het leven te staan, zoekt
wegen en middelen om te overleven, wat iets anders is dan: voluit leven. U ziet
inmiddels de wereld van verschil tussen het rechtssysteem, de deskundige en
de hulpverlening enerzijds en anderzijds de dagelijkse werkelijkheid van de
communicatie tussen ouders en kinderen. Het zijn de beleving van die dagelijkse
werkelijkheid, de emotie en de sfeer die de (on)mogelijkheid, het voortduren
en de kwaliteit van de omgang bepalen. Niet het recht, niet de deskundige, niet
de hulpverlener. Van wat deze doen heeft het kind doorgaans geen enkel besef.
In de hier besproken bijdrage wordt de rechterlijke macht en de deskundigen
in omgangskwesties een gebrek aan oplossingsgerichte oordeels- en besluitvorming
pro (herstel van de) omgang verweten. Er wordt de vergelijking getrokken met
het moeras en de snelweg. Achter deze vergelijking gaat het gemis schuil van
een precisering van de problemen die door rechter en deskundigen zoal zouden
worden gezocht om omgang tegen de houden en welke oplossingen of oplossingsrichtingen
er door hen zoal onbeproefd worden gelaten. De auteur blijft steken in negatieve
kritiek die ook nog eens in ruime en dus vage bewoordingen is gegoten. Blijvend
binnen de vergelijking van het moeras en de snelweg zou ik kunnen antwoorden
met: leg het moeras droog. Hier komt men echter niet verder mee. Het heeft dan
ook weinig zin in concrete gevallen praktijkjuristen, deskundigen en hulpverleners
deze vergelijking voor te houden. Nuttig en nodig is: het omzetten van concrete
kritiek in concrete wensen en doelen. Hieraan gaat een betrouwbare beschrijving
van feitelijke gangen van zaken in omgangsrechtprocedures vooraf.
Verder vermoed ik dat velen een te hoge verwachting hebben van wat een rechter, deskundige of jeugdhulpverlener hier kunnen betekenen. Het opleggen van juridische maatregelen bij niet nakoming van een (rechterlijk) vastgestelde omgangsregeling raakt niet de kern van de omgangsproblematiek. Deze kern is wel degelijk de ruzie tussen de ouders en hier bereikt men de grens van het rechtssysteem, de wetenschap en de hulpverlening zoals hierboven omschreven.
Verandering van de vijandige wil en gedrag en de sfeer van onwelwillendheid zijn essentieel, met name door de verzorgende ouder want die heeft meestal de sleutel tot de omgangsregeling in handen. Voor de gedragsverandering bij de verzorgende ouder is vaak een hieraan voorafgaande gedragsverandering bij de niet verzorgende ouder nodig. In het bijzonder bij ruzies volgens het dwang en terugtrekmodel schijnt gedragsverandering van de terugtrekker slechts mogelijk doordat en nadat de dwinger is opgehouden met dwingen. Als vervolgens aan de kant van de terugtrekker niets wijzigt sterft de omgangsregeling waarschijnlijk af. Er moet dus wel van twee kanten aan gewerkt worden.
Wat mij verder vaak opvalt is het gebrek aan kennis bij de ouders over wat kinderen eigenlijk zijn, hoe hun gebruiksaanwijzing op de verschillende leeftijden is. Ouders hebben vaak geen flauw idee van de uitwerking van hun gedrag op hun kinderen, geven ongeremd toe aan plotselinge opwellingen, spreken met stemverheffing, maken ruzie in het bijzijn van hun kinderen, enz. Voorlichting is hier bepaaldelijk geen overbodige luxe, maar voorlichting is alleen zinvol als de ouder leerbaar is.
De rechtbanken verwijzen op mondelinge behandelingen partijen sinds 1 april 2006 naar bemiddeling. Bemiddeling heeft een hoog slagingspercentage, maar is geen toverformule. Niet iedere vastgelopen omgangsregeling biedt namelijk voldoende perspectief op succes, terwijl de slagingskans vermindert naarmate het conflict langer duurt. Ik sluit niet uit dat de meeste zaken die OZO begeleidt helemaal op slot zitten, waarvoor bemiddeling dus te laat is al weet je dit pas zeker als je het hebt uitgeprobeerd. Een drempel voor de bemiddeling vormen verder de hoge uurtarieven van de meeste bemiddelaars in combinatie met de mijns inziens in den lande breed gedragen opvatting dat de behandeling van familierechtkwesties niets mag kosten. Maar ook hier geldt weer dat als een ouder niet wil, er geen bemiddeling komt. Van psycholoog/scheidingsbemiddelaar Mac Gillavry hoorde ik de opmerking aan vechtende ouders (in mijn bewoordingen): "Als de omgang met de kinderen niet wil lukken, zullen we het dan niet beter eerst eens over jullie omgang hebben?" Hier houden cliënten echter niet van omdat zij het eigen gedrag niet ter discussie gesteld willen zien. Bovendien zal de cliënt zeggen: de wet is toch duidelijk of: de rechterlijke beschikking is toch duidelijk, dus waar praten we hier eigenlijk nog over. Bemiddeling kan dus afstuiten op dezelfde onwil van een van betrokkenen als hierboven genoemd. Met een cliënt die de visie in de bewuste bijdrage tot de zijne heeft gemaakt, kan een praktisch en oplossingsgericht ingestelde advocaat/scheidings-bemiddelaar met oog voor de niet juridische, maar intussen wel succesbepalende communicatieve aspecten van omgang, niet samenwerken. Dit is jammer.
In de bijdrage wordt gesproken over het zoeken van oplossingen. Ik zou deze zoeken in voorlichting, training en het toepassen van technieken en methoden tot gedragsverandering bij ruziënde ouders en wel in een zo vroeg stadium . Bij vechtscheidingen gaan mijn gedachten uit naar persoonlijke begeleiding (zo nodig van dag tot dag) om cliënt assertief gedrag aan te leren dat tegelijkertijd deëscalerend is. Moeilijk, maar boeiend. Ik verwacht niet dat OZO het nu ook meteen in die richting zal zoeken. Dat hoeft ook niet, want ook bemiddeling en gedragsverandering bij omgang spelen zich af in de schaduw van het recht. Goed recht, dat meeverandert met zich steeds wijzigende behoeften en inzichten, blijft zeker nodig. Maar niet te vergeten ook en vooral: een goede rechtspraktijk, want anders blijft het recht enkel een belofte op papier. Ik denk hierbij eerst en vooral aan deëscalerend recht en een deëscalerende rechtspraktijk. In het recht als forcerend breekijzer heb ik in zoverre minder vertrouwen dat dit de verstoorde persoonlijke verhoudingen vaak verder verslechtert in plaats van verbetert. En in de verstoring van de persoonlijke verhoudingen ligt mijns inziens de oorzaak van de problemen en logischerwijs ook de oplossing ervan. Misschien komen OZO en ik elkaar nog een volgende keer tegen in eventuele bijdragen over concrete oplossingen en oplossingsrichtingen in het nooit eindigend verhaal van verstoorde familierelaties. Intussen houd ik mij voor iedere oplossingsgerichte suggestie aanbevolen.
Het ga de lezer goed.
Eindhoven, 12 oktober 2006
Mr. Chr.E.A. Heezemans advocaat/scheidingsbemiddelaar
Een triest bericht
De Franse vader en wiskunde leraar Stéphan Lafargue ging in hongerstaking op 20 november, de Dag van de Rechten van het Kind, als protest tegen de beslissing van het Franse Hof om de zorg over zijn zoon Paul (10,5 jaar oud) alleen bij de moeder te leggen, tegen Paul's wens en zonder hem te horen.
Na wederom een negatieve uitspraak schreef Stéphan zijn allerlaatste e-mail:
Een groet aan allen, dank met
mijn hele hart aan allen die me steunden in mijn strijd en aan al mijn andere
vrienden.
Vergeef me dat ik jullie verlaat, maar ik kan het werkelijk niet meer verdragen
om vader zonder kind te worden.
Er is geen enkele andere uitweg. Ik zou niet willen dat Paul opgroeit in een eeuwige strijd en, gezien de omstandigheden, zie ik geen andere weg dan te verdwijnen.
Als de maatschappij echt gewild had dat Paul een vader had, had zij de "justitie" hem niet pyschologisch laten vernietigen. Ik omarm u allen.
Stéphan
Over het belang van gelijkwaardig ouderschap en het behoud van beide ouders bij de zorg voor kinderen na scheiding
Het gaat niet goed met scheidingskinderen.
Uit grootschalig Zweeds bevolkingsonderzoek over de periode 1991-1998 [1], gepubliceerd
bij het gezaghebbende internationale medische vakblad The Lancet uitgegeven
bij Elsevier, komt naar voren dat kinderen vaderloos opgroeiend in eenoudergezinnen
meer depressieklachten hebben, eerder drugs gebruiken, meer ongelukken krijgen
en vaker zelfmoord plegen dan kinderen uit gezinnen met beide ouders.
En in de metastudie 'Experiments in living: the fatherless family'[2]
komt onderzoekster Rebecca O'Neill van Civitas, het Engelse Instituut voor Samenlevingsstudies,
op grond van ruim 75 onderliggende onderzoeken en databronnen in september 2002
tot de volgende conclusies over de gevolgen van het vaderloos opgroeien voor
onze kinderen, tieners en adolescenten:
- Kinderen (0-12) opgroeiend
in vaderloze gezinnen lopen meer risico om in armoede te leven, lopen meer
risico op fysiek, emotioneel en seksueel misbruik, lopen eerder van huis weg,
lopen meer risico op gezondheidsklachten en hebben meer problemen op school
en in de omgang met anderen.
- Tieners opgroeiend in vaderloze gezinnen lopen meer kans op tienerzwangerschap,
in de criminaliteit te belanden, te roken, alcohol en drugs te gebruiken, te
spijbelen, geschorst te worden, op jonge leeftijd school te verlaten en aanpassingsproblemen
te hebben.
- Jong volwassenen opgegroeid/opgroeiend in vaderloze gezinnen hebben
meer moeite opleidingen af te maken, werk te vinden, hebben vaker een laag inkomen
en een uitkering, lopen meer risico dak- en thuisloos te raken, lopen meer risico
in de criminaliteit te belanden, hebben eerder chronisch emotionele en psychische
problemen, ontwikkelen vaker gezondheidsklachten, gaan sneller relaties aan
waar ze ook sneller mee gaan samenwonen, en gaan eerder scheiden en hebben vaker
buitenechtelijke kinderen.
Rebecca O'Neill concludeert daarnaast dat de afwezige vader ook voor de samenleving als geheel geen goede zaak is: geweld en criminaliteit nemen toe, de sociale cohesie neemt af, de scheidingscultuur neemt toe, de vaderloosheid wordt een vicieuze cirkel en er wordt een groter beroep op sociale voorzieningen gedaan.
Op de Eerste Europese Vader-conferentie, in september 2004 gehouden in Wenen, bleek uit daar gepresenteerd Duits ontwikkelingspsychologisch onderzoek (zgn. "Triadenforschung") dat vaders in de driehoeksverhouding vader-moeder-kind voor hun kinderen onmisbaar zijn voor een gezonde ontwikkelingsgang naar zelfstandigheid, met name ook waar het er om gaat zich in hun ontwikkeling naar zelfstandigheid en autonomie goed los te kunnen maken van hun moeders.
Wezenlijk is dat kinderen na een scheiding van beide ouders mogen blijven houden zegt de Nederlandse familietherapeute Else Marie van den Eerenbeemt hierover. Kinderen zelf willen niets liever dan hun beide ouders na een scheiding behouden en geven zelf aan de afwezigheid van hun vaders een enorm gemis te vinden. Zo blijkt uit een surveyonderzoek in 2004 door het tienerblad Bliss [3] onder 2000 Britse tienermeisjes, dat zij zich gestresst en overbelast voelden door de scheidingsproblemen van hun ouders en vooral door het beroep dat op hen gedaan wordt door de verzorgende ouder, in 90% van de gevallen de moeder, voor steun in de met de andere ouder na de scheiding gevoerde strijd over de kinderen. Kinderen uit nog intacte gezinnen met beide ouders doen het veel beter dan kinderen van gescheiden ouders, zo is uit talloze onderzoeken inmiddels klip en klaar gebleken. Scheiden en daarna opgroeien in een eenouder- of stiefgezin gaat dus per definitie ten koste van kinderen.
Uit de metastudie "Child Adjustment
in Joint-Custody Versus Sole-Custody: A Meta-Analytic Review" [4] van psycholoog
Robert Bauserman, gepubliceerd door de American Psychological Association (APA),
bleek daarnaast dat kinderen, die na de scheiding opgroeien in co-ouderschapsarrangementen,
het wel veel beter deden qua ontwikkeling en aanpassing aan de nieuwe situatie,
dan kinderen opgroeiend in eenoudergezinnen. Zoveel beter, dat door het co-ouderschap
de ideale situatie van een tweeoudergezin nog het best benaderd werd. Dat pleit
sterk voor invoering van gelijkwaardig ouderschap en gedeelde zorg na scheiding.
Kinderen opgroeiend in co-ouderschapsarrangementen bleken emotioneel en qua
gedragsproblemen veel beter en meer positief aangepast zowel aan de scheidingssituatie
zelf als meer in het algemeen, zij hadden meer zelfvertrouwen en konden makkelijker
en beter relaties aangaan en onderhouden zowel binnen de familie als aarbuiten.
Daarnaast bleken er in co-ouderschapsarrangementen ook veel minder conflicten
voor de kinderen te bestaan dan in een-oudergezins- en zorgsituaties.
Co-ouderschap en gedeelde zorg tussen beide ouders na de scheiding is voor het
welzijn van kinderen na een scheiding daarom van groot belang. In tegenstelling
tot boven aangehaald onderzoek wordt in Nederland echter ten onrechte en tegen
het belang van scheidingskinderen in, in slechts een schamele 3% van de scheidingen
daadwerkelijk gedeeld co-ouderschap door de rechtbanken aan de beide ouders
toegewezen: In verreweg het merendeel van de scheidingsbeschikkingen worden
de kinderen door de rechtbank toewezen aan de alleenzorg van een van de ouders,
meestal de moeder. En het toch al geringe aantal co-ouders wordt vervolgens
door gebrek aan beleidsmatige ondersteuning en zelfs regelrechte tegenwerking
van instanties en overheden het co-ouderschap vervolgens nog weer praktisch
onmogelijk gemaakt in plaats dat het in het belang van de ontwikkeling van onze
kinderen wordt ondersteund en bevorderd.
Als gevolg van de scheidingspraktijk bij Nederlandse fami oek lierechtbanken
van toewijzing van de kinderen aan de moeder, groeien in Nederland nu ca. twee
op elke vijf kinderen op onder de alleenzorg en betrokkenheid van slechts een
van de beide ouders. Men spreekt hierbij inmiddels van eenouderghetto's waar
onze kinderen opgroeien. Door aansluitende falende en gebrekkige bescherming
van het omgangsrecht van kinderen met de door de rechtbank buiten spel gezette
andere ouder, bijna altijd de vader, is in Nederland daarnaast de noodlottige
situatie voor kinderen ontstaan dat een op elk vijfde kind als gevolg van een
scheiding van de ouders helemaal geen contact meer heeft met vader en zijn kant
van de familie.
Het gaat hierbij om grote aantallen, geschat wordt dat in Nederland nu ca. 560.000 kinderen geheel vaderloos opgroeien terwijl nog eens ca. 560.000 Nederlandse scheidingskinderen slechts sporadisch contact hebben met vader in het kader van een zogenaamde omgangsregeling. De Nederlandse overheid heeft echter tot nu toe systematisch geweigerd om deze noodlottige situatie en praktijk en de gevolgen daarvan voor onze kinderen voor de Nederlandse situatie deugdelijk en onafhankelijk te laten onderzoeken en documenteren. Dat wordt de hoogste tijd.
Drs. Peter A.N. Tromp, pedagoog/onderwijskundige,
coördinator van het Vader Kennis Centrum (VKC) en voorzitter van Stichting Kind
en Ouderschap na scheiding (SKO).
Lezing gehouden ter ere van het Lustrum van Stichting Ouders Zonder Omgang (STOZO)
op 15 oktober 2006 te Oosterbeek.
Noten en bronnen:
[1] Zweeds bevolkingsonderzoek naar de gevolgen van eenoudergezinnen voor kinderen:
Mortality, severe morbidity, and injury in children living with single parents
in Sweden: a population-based study
Gunilla Ringbäck Weitoft, Anders Hjern, Bengt Haglund, Mans Rosén, The Lancet,
Elsevier, Volume 361, Number 9354, 25, January 2003
[2] Metastudie naar de gevolgen voor kinderen wanneer zij vaderloos opgroeien:
Experiments in Living: The Fatherless Family, A Meta-analytic study for the
Study of Civil Society, September 2002:
Meta-studie op grond van 75 onderliggende onderzoeken.
[3] Bliss Survey 2005: Girls take strain of parents' split
The Times and The Sunday Times Online - Britain, UK news,
By Alexandra Frean, Social Affairs Correspondent; February 24, 2005
[4] Metastudie naar voor- en na-delen
van gedeelde ouderlijke zorg (coöuderschap) na scheiding: Child Adjustment
in Joint-Custody Versus Sole-Custody: A Meta-Analytic Review
Robert Bauserman,
Journal of Family Psychology by the American Psychological Association, Inc.2002,
Vol. 16, No. 1, 91-102
Huiselijk geweld: een gelijk aandeel van mannen en vrouwen
Geweld in relaties valt niet goed te praten, maar is ongetwijfeld van alle tijden. Uit alle media zijn bekend vele gevallen van geweld van man tegen vrouw. Minder bekend is het omgekeerde: geweld van vrouw tegen man. Maar is het wel zo onbekend? Heeft niet iedereen dat in minder of meerdere mate zelf reeds ervaren?
Hier weten de OZO-donateurs zeker
beter. Het weghouden van kinderen bij de andere ouder is een ernstige vorm van
psychisch geweld, die bovendien zelden op zich zelf staat: de ouders die dat
doen, hadden al vaker op, laten we zeggen, onaangename wijze hun mening doorgedrukt.
Vanuit dit gezichtspunt zou men zelfs kunnen schatten dat vrouwen negen maal
zoveel partnergeweld uitoefenen als mannen. Maar dat is te kort door de bocht,
vrouwen zorgen nu eenmaal vaker voor de kinderen.
In de praktijk verwacht men dat vrouwen ruwweg net zoveel partnergeweld en huiselijk
geweld uitoefenen als mannen. Dit is ook wat er in vele, vele internationale
studies naar voren komt. Met de aantekening dat geweld tegen kinderen veel vaker
van vrouwen afkomstig is, niet onbegrijpelijk, ze brengen veel meer tijd met
ze door. Zie de zeer goede site www.huiselijkgeweld.info.
So far, so good.
Serieus wordt het indien er met de kaart van huiselijk geweld een politieke
kaart gespeeld wordt. De kaart van het feminisme, de kaart van het bevorderen
van breken van gezinnen en de kaart van verdere marginalisering van de man als
vader en opvoeder.
Het was een opvallend bericht in
maart, van politiewoordvoerster G. Dijksman uit Groningen: 98 % van het huiselijk
geweld zou, in de leeftijdsgroep 25-55 jaar, de man als dader hebben. Dit kwam
uit onderzoek van Beke, namens de Raad van Hoofdcommisarissen. Het doel is het
wettigen van een huisverbod: de pleger van huiselijk geweld, (in 98% van de
gevallen dus de man), ter plaatse als zodanig geidentificeerd (....) door de
dienstdoende agent, moet minimaal 10 dagen het huis uit, zonder recht op contact
zelfs met de kinderen. In een klap gezin en huis kwijt dus. Deze wet heeft in
de VS reeds heel veel schade aangericht en een voorstel is nu in voorbereiding
op het ministerie.
Nu is dit alles een stap van de internationale, feministische beweging die mannen
wil marginaliseren. Het behoeft geen betoog: hogere uitkeringen klinkt mooi,
maar in de praktijk betekent dit dat de vrouw makkelijker de man buiten de deur
kan zetten, kan leven van de uitkering en de kinderen bij hem weghouden. Dit
is de realiteit heden ten dage overal in West Europa. Er wordt veel sociale
ondersteuning gegeven, maar zelden om gezinnen in tact te houden. We kennen
reeds die instanties die de problemen willen oplossen nadat de problemen ontstaan
zijn, Kinderbescherming en Jeugdzorg. We weten dat zij heel vaak de problemen
aanjagen in plaats van op te lossen. Meer overheidsbemoeienis betekent simpelweg
meer Jeugdzorg.
Het wordt echt tijd voor een andere
aanpak: een Ministerie voor Gezinszaken, waarin jonge gezinnen steun krijgen
om hun problemen op te lossen en aldus bij elkaar te blijven. Nog erger wordt
het indien deze misstand de hele Verenigde Naties in haar machtsgreep heeft.
Inderdaad, daar zitten vele dames (Lubbers heeft een hele specifieke mening
over een paar daarvan), om het maar ronduit te zeggen: er zitten daar vele feministen.
Recent was, in opdracht van Secretaris-generaal Koffi-Annan, een dik rapport
uitgebracht over wereldwijd geweld tegen vrouwen. Dit was een zeer eenzijdig
rapport, waar in alleen het geweld van man tegen vrouw belicht werd, in de bedoeling
hierop maatregelen te baseren. Hierover is wereldwijd een storm van protest
losgebroken, waaraan, op uitnodiging van het SKO-Vader Kennis Centrum, ook OZO
heeft meegedaan, zie het
manifest
http://www.mediaradar.org/docs/UN-ViolenceReport-Resolution.pdf
Er is aangetoond dat het UN rapport kilo's onderzoek negeerde waaruit blijkt
dat partnergeweld net zo veel, ja zelfs vaker, door vrouwen veroorzaakt.
Duizenden waarschuwende e-mails zijn uitgestuurd naar de ambassadeurs van vele
betrokken landen om het rapport niet te verwelkomen.
Onder de protesterenden waren ook vele vrouwen uit vele landen die benadrukten
dat de onjuiste voorstelling van de realiteit zowel mannen als vrouwen zou benadelen.
Hier is een mooi resultaat bereikt: op 22 november j.l. is het rapport van Koffi-Annan niet "welcomed'' maar slechts "noted'', ofwel: het gaat in een diepe la, en wacht op een spiegelstudie over geweld tegen mannen. Mooi resultaatje dus. Maar deze strijd is nog lang niet gewonnen. Hetzelfde rapport werd direct opgehemeld in Europa.
En hoe gaat onze landelijke gezinspolitiek
er komende jaren uitzien?
Wordt er daadwerkelijk ingezet op instandhouden van relaties en opnieuw leven
inblazen van verstoorde ouder-kind relaties?
Het is een mooie droom.
Veel strijd zal nodig zijn.
OzoMottO: maak van Uw kind geen stiefkind, vermijd Jeugdzorg
Medewerkers van Bureau Jeugdzorg
noemen zich graag jeugdwerker. Dat woord straalt in elke lettergreep de goede
bedoelingen van het instituut jeugdzorg van zich af. Want "jeugd" suggereert
vitaliteit en toekomst, maar ook underdog, onmondigheid, en behoefte aan bescherming.
Waarbij "werker" juist volwassen energie, inzet en ijver suggereert.
Beide suggesties zijn vals.
Want de jeugd die in handen van de jeugdwerkers valt, wordt niet gestimuleerd
in een ontwikkeling naar vitale zelfstandigheid, naar vallen en opstaan en vrolijk
weer verder, zij wordt tot willoos zorgobject gemaakt en tot een langdurige
inkomstenbron. De jeugdwerkers zelf leven in een alles smorende overlegcultuur.
En dat weten zij. In hun cultuur heeft het overleg allang de plaats ingenomen
van gewoon werk op de werkvloer - het werk dat ouders doen, en begeleiders van
voetbaljeugd, het werk ook dat voor een belangrijk deel op docenten in het onderwijs
neerkomt.
Ouders "hebben" iets met hun kinderen. In onderwijs en sport komen de sociale idealisten onder het vorsende oog der ouders vanzelf bovendrijven - indirect zijn het dus ook hier de ouders die de kwaliteit van het jongerenwerk bewaken. Maar voor jeugdwerkers geldt dat niet.
De documentaire tvserie waarin enkele werkers van een Bureau Jeugdzorg werden gevolgd, bewees volgens deze werknemers hun goede werk, terwijl de objectieve kijker zich afvroeg op welke planeet in godsnaam deze mensen leven. Het onvermogen van de jeugdwerkers om hun doen en laten te bezien door de ogen van de kijker - lamme machteloosheid troef, en maar overleggen zonder doel of sanctie - lijkt op het onvermogen van psychopaten om zich in te leven in het leed van hun slachtoffers. Het lijkt, inderdaad, op gewetenloosheid. Jeugdwerkers zijn verantwoording verschuldigd aan hun chefs. Die werken weer voor stichtingen (zonder winstbejag, hoe braaf!) waarvan de directies zich topsalarissen toekennen die kritiekloos worden betaald door de (enige) subsidie gever: de overheid. Door ons allen dus.
De ouders van hun pupillen hebben niets te vertellen. Zij zijn monddood gemaakt
doordat hun reacties door Jeugdzorg niet naar buiten hoeven worden gebracht.
Als dat de voogd beter past, verzwijgt hij (boze) reacties tegenover de buitenwereld
(de hulpinstanties die worden ingeschakeld, scholen en vooral ook de rechtbank,
bijvoorbeeld). Vaak zijn de ouders van de ots- kinderen gescheiden. Hoe vaak,
is een goed bewaard geheim: bij enkele geraadpleegde Bureaus Jeugdzorg en het
Centrale Bureau voor de Jeugdzorg was het antwoord niet te krijgen. Maar het
zoeken gaat voort. Het verslag daarvan komt hopelijk in de volgende OZO-nieuws.
In ieder geval wordt telkens weer vastgesteld, dat gescheiden ouders tegen elkaar worden uitgespeeld. De ouder bij wie het kind woont, wordt vertroeteld, in de watten gelegd, naar de ogen gezien en geholpen met verwijzingen naar onuitputtelijke hulpbronnen. Terwijl de andere ouder wordt genegeerd, geminacht en zelfs tegengewerkt (bijv. in de omgang met zijn kind).
Het gevolg is dat kinderen
van gescheiden ouders, bij Jeugdzorg tot stiefkinderen worden. De verblijfouder
wordt horig aan de voogd. En de andere ouder wordt vierkant weggewerkt.
Dat gaat al decennia lang zo.
Het feit dat het woord "stiefkind" nog steeds geen prettige associaties oproept,
bewijst wel dat Bureaus Jeugdzorg het verkeerde werk doen. Daar moeten wij dus
zo vlug mogelijk vanaf.
OzoMottO
Maak van Uw kind geen stiefkind, vermijd Jeugdzorg
OZO-nieuws is een uitgave van Stichting
Ouders Zonder Omgang
Verschijning : 4x per jaar
Oplage : 200 Aantal donateurs
: 190
Stichting Ouders Zonder Omgang
Postbus 198, 6600 AD Wijchen
Tel. : Ma- t/m vr-avond 024 - 3970095
Fax : 024 - 3970094
E-mail : info@stozo.nl
Internet: www.stozo.nl
Bank : 66.55.48.923 ING Almere
K.v.K : 34.16.61.58 Amsterdam
jaargang 5, Nummer 4, december 2006