Ozonieuws:
2006-1
Gehekeld geklungel
De rechtspraktijk in het Personen- en Familierecht na echtscheiding deugt niet.
De meeste advocaten, de meeste deskundigen en de meeste rechters weten niet hoe het recht is bedoeld en hoe de casus in detail is. En zij willen dat ook niet weten.
Vaak verdedigt men later falen met excuses als: “Dat was geen opzet hoor, ik wist het niet”.
Hoe meer die excuses waar zijn, des te ernstiger is het falen: hoe onwetender, hoe gevaarlijker. Wie zich van zijn falen bewust is, is immers in staat om zich te verbe-teren. Onwetendheid echter verhin-dert elke verbetering. Het “zachte” falen, dus het falen dat “per onge-luk” gebeurt, is het meest fataal.
Het Kwaad vermomt zich zo graag in onwetendheid, dat elk beroep op die onwetendheid in een beschaafde samenleving a prior ongeoorloofd is, en hoort te zijn.
Vandaag in OZO-nieuws een voorbeeld van Kwaad uit de advocatenpraktijk.
Casus: moeder en vader, D1994, tweehoofdig gezag (2HG), scheidingsdatum 2001 (SD2001), een klassieke omgangsregeling (KOR) zonder vakantieregeling.
De omgang wordt redelijk nageleefd. De vader heeft vaak zelfs meer omgang, omdat dat de moeder goed uitkomt. De onvoorspelbaarheid echter van de regeling, plus het feit dat er wel eens wordt gedreigd met stopzetting of intrekking van vakantie-toezeggingen, nopen de vader tot een verzoek om een verbeterde vastlegging van de regeling.
In objectieve zin hadden de ouders bewezen dat zij bereid en in staat waren om in overleg tot oplossingen te komen. De Rechtbank haakte daarop in door de RvK met een “onderzoek” te belasten dat alleen zou bestaan uit het bemiddelingstraject zoals dat in Normen 2000 voor RvK-werk is geformuleerd. Bij de RvK ging het vervolgens helemaal mis en de communicatie tussen de ouders werd er alleen maar slechter op. Dankzij goed werk van vaders advocaat en de Rechtbank werd de regeling echter toch uitgebreid met een vakantie-paragraaf.
Dat is bijna een wonder, getuige de brief die de advocaat van moeder aan haar confrater schreef, in het kader van een eerder geschil over alimentatie en de reiskosten voor de omgang na moeders verhuizing.
Het gif en het venijn in deze brief zijn niet (volledig) afkomstig van de moeder – daarvoor geeft de voorgeschiedenis geen steun. Het is dus de advocaat zelf, die voor oorlog en agitatie zorgde.
De inhoud luidt:
Geachte collega,
Naar aanleiding van uw schrijven d.d. ii juli 2004, deel ik u nogmaals mee dat cliënte niet akkoord gaat met verre-kening en niet bereid is EU 25,-- te betalen voor de omgang die uw cliënt met zijn dochter wil.
Zoals u wellicht bekend heeft uw cliënt een andere advocaat ingeschakeld met betrekking tot de omgangsregeling, waarin hij zich - o.a. –
beklaagde over het feit dat hij D1994 geen extra weekeinden kreeg, Dit staat in schril contrast met het feit dat uw cliënt blijkbaar geen EU 25,-- per keer overheeft voor de omgang met zijn dochter. Uw cliënt bewoont nog steeds een woning met een behoorlijke overwaarde en zal de tering naar de nering moeten zetten en prioriteiten moeten stellen. Indien uw cliënt de omgang met zijn dochter daadwerkelijk zo belangrijk vindt, dient hij daar ook het geld dat gemoeid is met de reiskosten voor over te hebben.
Cliënte wenst de discussie hierover thans te sluiten.
Met vriendelijke groeten,
Hhhh
Wat is er nu zo giftig aan deze brief?
Eerste zin, denigrerende toonzetting: “...deel ik u nogmaals ...” en vooral: “...niet bereid is EU 25,-- te betalen voor de omgang die uw cliënt met zijn dochter wil”.
Met andere woorden: omgang is niet een belang van het kind maar van de vader (deze stelling is in strijd met de wet!) en daarvoor moet hij ook maar (als enige) betalen. Dit bevordert de strijd tussen de ouders en is dus honderd procent in strijd met het belang van het kind.
Tweede zin, denigrerende toonzetting: “...Zoals u wellicht bekend heeft uw cliënt een andere advocaat ingeschakeld ...”. Deze opmerking is onnodig en irrelevant. Zij heeft slechts tot doel om de vader als querulant in de hoek te zetten.
Dat bewijst de schrijver met de toevoeging dat vragen om meer weekenden in “schril contrast” staat met het feit dat de vader er geen (kennelijk luizige) 25 Euro voor over heeft om zijn dochter te zien. Hier verraadt zich de ruziemaker die met twee maten meet. Want als het inderdaad om 25 luizige Euro’s gaat, waar maken de moeder en haar advocaat zich dan druk over?
Derde zin, minachting: “...Uw cliënt bewoont nog steeds een woning met een behoorlijke overwaarde... ...Indien uw cliënt de omgang met zijn dochter daadwerkelijk zo belangrijk vindt, dient hij daar ook het geld dat gemoeid is met de reiskosten voor over te hebben.”
Het lijkt erop dat de advocaat van moeder pas tevreden is als vader op de nachtopvang voor daklozen is aangewezen, of iets dergelijks. De bemoeienis met de manier waarop vader woont en leeft, gaat verder: hij moet ook maar de reiskosten voor de omgang over hebben, alsof die omgang alleen maar in vaders belang zou zijn.
Zoals de Fransen zeggen: “C’est le ton qui fait la chanson”.
Het liedje dat de advocaat van moeder hier zingt is heel erg vals omdat het om een betrekkelijk futiele kwestie gaat die wordt opgeblazen door de advocaat van moeder zelf.
Deze “confraternele” post mag niet worden overgelegd aan de Rechtbank. Deze post dient immers geen ander doel dan om tot een zakelijke en minnelijke oplossing tussen advocaten – de belangenbehartigers – te komen. Daarom zijn diskwalificaties van de wederpartij absoluut uit den boze, en is elk waardeoordeel over de wederpartij als een teken van Het Kwaad te beschouwen.
De hier aangehaalde brief is nog betrekkelijk onschuldig. Hij gaat over geld.
De omgang en het gemoraliseer daarover werden erbij gesleept om de wrevel over en weer op te jagen, om de wederpartij dwars te zitten. Dat is niet de doelstelling van het recht, dat is niet de manier waarop in een beschaafde samenleving geschillen worden beslecht, dat is niet conform de beroepscode van advocaten, maar het gebeurt wel. Dat is Kwaad.
Kwaad moet worden bestreden. In dit geval: klacht bij de Deken indienen. Maar ook en vooral: eigen brieven aan de ex opstellen waarin de kwade uitingen wordt gehekeld, en deze brieven vervolgens overleggen aan de Rechtbank. Zodat minne praktijken zichtbaar worden.
Kwaad en mispunterij moeten worden uitgebannen door een beschaafde manier van met elkaar omgaan. Er is geen alternatief voor de beschaving, waaraan in het catch-as-catch-can van het Personen- en Familierecht zoveel nood is.
Met dank aan de enkele kinderrechters en de vele kinderrechterinnen.
Over een onverdachte mediator en een bedenkelijke deskundige
Twee nieuwe monumenten op de website.
1.Een mediator van onverdachten huize, want afkomstig uit “het verzet”, bewijst dat mediation alles behalve een tovermiddel is en dat ook mensen die eigenlijk beter moesten weten, zich laten misleiden door het sirenengezang van de kwakzalvers die tovermiddelen verkopen.
Mediation is een schaamlap en een schaamteloze politieke stoplap. Politici horen te weten waar zij voor pleiten en waar zij het over hebben. Net als advocaten en rechters, trouwens, als die een nieuw “geneesmid-del” presenteren.
Hèt nieuwe middel bij uitstek, nog steeds le dernier cri (de laatste schreeuw), is “bemiddeling” of “mediation”, lieve brave bedoelingen en dan lekker bemiddelen.
Het woord “cri” heeft dezelfde betekenis als het Engelse “cry”: zijn betekenis verwijst naar zowel schreeuwen als huilen.
Een gloednieuw monument op onze website toont aan dat ook de tussenkomst door een onverdachte en ingewijd te achten bemiddelaar nog geen krasje op het pantser van een onwillige andere ouder kan maken. Geen luikje ging er open, men week geen millimeter.
Het bemiddelingsverslag zelf oogt intussen volstrekt ama-teuristisch en het ademt ook nog een krenkend bevoog-dende houding ten aanzien van beide ouders.
Dergelijke bemiddelingspo-gingen maken meer kapot dan ons lief is. En dan U lief is: overtuig U zelf met een bezoekje aan ons
Monument.
2.In een omgangszaak wendde moeder zich tot een deskundige voor advies tegen de omgang. Dat advies kwam er, in november 2001, en het werd gebruikt om het standpunt van moeder tegen omgang van een zekere objectieve kwaliteit te voorzien in de rechtszaak die diende in januari 2002.
De deskundige pedagoge nam geen contact op met vader. Pas toen het rapport al lang en breed was behandeld in de rechtszaal, toonde zij zich bereid met vader van gedachten te wisselen over het door haar gegeven (“academisch-deskundige”) advies, en zelfs tot het schrijven van een tweede zienswijze.
Dat zag vader als een overbodige actie, en hij diende een klacht in tegen de pedagoge bij haar beroepsvereniging, de Beroepsvereniging van Pedagogen, BVP, te Haarlem.
Deze is naar verluidt overigens inmiddels gefuseerd met een andere professionele club.
Op de klacht kwam geen reactie. Vader rappelleerde in oktober 2002, en opnieuw in april 2003. In mei 2003 kwam de beslissing, die niet was gedateerd en waarin niet was genoteerd op welke termijn en waar een beroep kon worden ingediend, die per klachtonderdeel behalve de beslissing óók een door de klachtencommissie zelf vervaardigd verweer bevatte. Een merkwaardige manoeuvre: “Zeg mij hoe Uw vereniging is, en ik zeg U wie U bent”.
Vader diende een beroepschrift in, in juli 2003. Op 14 november 2003 stuurde vader een rappel. Op 12 november 2003 (!) werd het verweerschrift aan vader verzonden. In januari 2004 repliceerde vader op het verweerschrift. Het bleef stil tot oktober 2004, waarna vader zich tot de Inspectie van de Volksgezondheid wendde. Die kwam tussenbeide en in december 2004 vond de hoorzitting plaats waarin de klacht in beroep werd behandeld.
De beslissing zou vier weken op zich laten wachten, maar kwam niet. In mei 2005 (drie! jaar na de klacht dus) kwam de Inspectie op verzoek van vader opnieuw tussenbeide. Maar er gebeurde niets.
Nadat de kwestie ook (of zelfs) bij OZO in vergetelheid was geraakt, werd pas in maart 2006 weer contact opgenomen met de Inspectie. Daar reageerde men verbaasd, maar mede door personele wijzigingen was ook daar de zaak uit het zicht geraakt. Reactie: bij het krieken van de lente anno Domini 2006 stuurde de Inspectie een rappèl aan de thans bijna vier jaar voorttobbende beroepsvereniging.
Een troost: de omgang tussen vader en dochter heeft de pedagogische attaque doorstaan. Dochterlief hangt volgens de berichten heel erg aan haar robuuste en nuchtere vader, alleen niet dankzij, maar juist ondanks de pedagogische interventie.
Deze kwestie staat model voor het ervaringsfeit, dat pedagogisch geklungel geen uitzondering is, maar regel. In dit geval tot aan de hoogste regionen van de Haarlemse organisatie aan toe.
Hete statistieken en wetenswaardigheden
Uit Het Parool van 14 maart 2006, de NRC van 16 maart 2006 en Radio 747 19 maart 2006.
Het kabinet geeft steeds meer geld uit aan Jeugdzorg, maar veel helpen doet het nog niet.
Want op 1 oktober 2005 stonden er 10.000 kinderen op de wachtlijst, en dat was 38% meer dan een jaar eerder. Per 2006 werd 45 miljoen Euro extra uitgetrokken, later nog eens 50 miljoen en vanaf 2007 komen er nog eens 40 miljoen bij.
De provincies ontvangen momenteel 1,04 miljard Euro voor de uitvoering van de wet op de jeugdzorg.
In Noord-Holland beschikt Jeugdzorg over 35.000 Euro per kind per jaar. In Amsterdam is per kind en per jaar 20.000 Euro beschikbaar.
Volgens de Amsterdamse norm zou Jeugdzorg in heel Nederland 52.000 kinderen per jaar kunnen “doen”, volgens de Noord-Hollandse norm zo’n 32.000 kinderen.
Volgens de in OZON052 (OZO-Nieuws 2005 nr. 2) gepubliceerde statistieken waren er toen 20.000 kinderen onder toezicht gesteld.
Het is en blijft een raadsel waaraan Jeugdzorg zijn geld uitgeeft. Het is niet bekend of de 10.000 kinderen op de wachtlijst wachten op een dringende uithuisplaatsing, of op een eerste bezoekje van hun voogd. Het is niet bekend hoeveel kinderen bij Jeugdzorg terecht komen door en na een echtscheiding.
Het is niet bekend hoe lang kinderen op de wachtlijst staan. Daardoor is de wachtlijst discussie, net als elke andere zorg- en hulpdiscussie, in feite een spokenjacht. De nood aan harde cijfers en statistieken kòn niet hoger zijn dan nu.
Kwesties aangaande bijdragen en levensonderhoud kinderen
Onderstaand de uitkomsten van een recherche die een ozo (dat is een ouder zonder omgang dus) pleegde op internet. Zijn praktijk-conclusies zijn niet in overeenstemming met het tamelijk zonnige beeld dat hier wordt gepresenteerd.
http://www.nibud.nl/consumenten/consumenten.php?main=scheiden&pag=scheiden&id=11
Vraag: Stopt de alimentatie als mijn kind gaat werken?
Inkomsten van kinderen onder de18
jaar hebben in het algemeen geen invloed op het recht op alimentatie. Vanaf zijn of haar 18de kan een jongere met eigen inkomsten vrijwillig afstand doen van alimentatie. Daarvoor is een schriftelijke overeenkomst nodig tussen het kind en de alimentatieplichtige ouder. In alle andere situaties beslist de rechter of de alimentatie stopgezet kan worden. Over het algemeen zal een rechter oordelen dat de kinderalimentatie kan stoppen op het moment dat een jongere van 18 jaar of ouder minimaal het minimumjeugdloon verdiend.
http://www.kennisring.nl/smartsite.dws?id=58144#p2
Vraag: aan wie wordt kinderalimentatie uitbetaald?
Zolang het kind minderjarig is wordt de kinderalimentatie (meestal maandelijks) betaald aan de verzorgende ouder.
Wanneer het kind 18 jaar wordt, wordt de oude regeling vervangen door een nieuwe afspraak tussen de betalende ouder en het kind. Het kan zijn dat dan hetzelfde bedrag wordt afgesproken maar het bedrag kan ook gewijzigd worden, dit hangt af van de leefsituatie van het kind en eventuele eigen inkomsten. Soms wil de betalende ouder niet rechtstreeks aan het kind betalen. Dan kan dat via het Landelijk Bureau Inning Onder-houdsbijdragen. Dit bureau biedt ook hulp als de ouder weigert de alimentatie te betalen.
Kinderalimentatie moet in principe betaald worden tot het kind 21 is. Kinderen kunnen echter vanaf hun 18e jaar vrijwillig afstand doen van de alimentatie, bijvoorbeeld omdat ze een eigen inkomen hebben. Dit moet vastgelegd worden in een schriftelijke verklaring die zowel door het kind als door de alimentatieplichtige ouder ondertekend wordt.
datum laatste wijziging: 20 januari 2005
Van het LBIO http://www.lbio.nl/ vraag en antwoord
Vraag: eindigt de alimentatieplicht als een kind 18 jaar wordt?
Nee, de verplichting loopt door tot het kind 21 jaar wordt.
Op het moment dat het kind de 18-jarige leeftijd bereikt, mag het kind zelf de alimentatie ontvangen. Het kind geeft daartoe aan, op welk rekeningnummer de alimentatie moet worden doorbetaald.
Vraag: moet ik nog alimentatie betalen als mijn kind werkt?
De alimentatieverplichting komt niet automatisch te vervallen als een kind werkt. Als het kind nog geen 18 is, dient de voogd/voogdes hierover te beslissen. Vanaf de 18 jarige leeftijd kan het kind hierover zelf een beslissing nemen.
Als u meent dat u ten onrechte moet blijven betalen, dan kunt u dit via een advocaat aan de rechter voorleggen.
Zolang de rechter de alimentatie-uitspraak niet heeft herzien, blijft de verplichting bestaan.
Maar ... een praktijkconclusie
Een kind dat ouder is dan 18 en vrijwillig (per schriftelijke overeenkomst) afstand deed van de alimentatie, kan heel gemakkelijk en ongemotiveerd op die beslissing terugkomen. De ouder moet in een dergelijk geval bij de rechter de onrechtmatigheid van e.e.a. aantonen. Kinderen van 18+ worden dus blijkbaar niet altijd volwassen en wilsbekwaam geacht.
Zelfs is het zo dat indien de rechter achteraf de ouder in het gelijk zou stellen en het LBIO de inning van de, dus onrechtmatig gebleken, ouderbijdrage verzorgde, dat dan de inningskosten van ca. 10 procent die het LBIO in rekening bracht, ten laste blijven van de ouder.
Ouders worden door het systeem al min of meer gedwongen om hun kinderen op te zetten tegen de andere ouder. Zij laten, als goede, zich rechtvaardigende ouder, het LBIO de ouderbijdragen innen, zodat de betalende ouder met 10 procent extra kosten wordt opgezadeld. Zij onttrekken hun kinderen aan de omgang, en als die volwassen zijn, zetten die kinderen het hun aangeleerde spelletje voort.
En dan verbazen Den Haag en pedagoogies Nederland zich over de ontsporing van de jeugd, en de toeloop naar Bureaus Jeugdzorg en naar jeugdgevangenissen. U ook?
OZO-motto: Tegengestelde belangen bestaan niet
Volgens het woordenboek is een paradox een schijnbare tegenstrijdigheid. Dat is een uitleg die uitleg behoeft. Een paradox is namelijk een echte tegenstrijdigheid, maar wel één waarmee men geen raad weet. Het onbesliste karakter van de paradox maakt het verschil met een gewone tegenstrijdigheid. Om dat verschil noemt het woordenboek de tegenstrijdigheid “schijnbaar”.
De uitspraak “Het regent al een uur en het stof waait op van de straten” bevat een duidelijke tegenstrijdigheid: bij regen geen stof. Het één – de regen – of het ander – het opwaaiende stof – is dus niet waar, en misschien zijn beide wel niet waar.
Bij een paradox is niet vast te stellen wat waar is, en wat niet. De uitspraak: “Ik lieg” is zo’n paradox. Paradoxen zijn, kortom, betekenisloze uitspraken.
Het leven zit vol paradoxen, omdat leven immers ... sterven is, en sterven (nog) leven. Mensen zijn niet graag dood, en dus sterven zij er als bezetenen op los.
De paradoxale aard van de alledaagse realiteit heeft een wiskundige basis. De Oostenrijker Kurt Gödel bewees, dat uitspraken op basis van bewezen stellingen binnen een zeker systeem over dat systeem, altijd tot tegenspraken leiden: het is onmogelijk om tegenspraken binnen een zichzelf beschrijvend systeem te vermijden.
Een voorbeeld van een zelfbeschrijvend systeem is de alledaagse wetgevingspraktijk. Daardoor komt de wet met mathematische zekerheid met zichzelf in tegenspraak. Duizenden Haagse ambtenaren hebben een dagtaak aan het verzinnen van aanpassingen, amendementen en moties om de gaten in de wet te dichten. Maar met elke pleister die men plakt, creëert men elders een nieuw gat in de wet. Omdat mensen hardleers zijn, omdat men er zijn boterham mee verdient en omdat men niets anders kan, gaat men echter onverdroten voort met het maken van nieuwe wetten en wetswijzigingen... en nooit zal dat werk gedaan zijn.
Wie uitspraken wil doen over een systeem, dient, aldus Gödel, dat systeem te beschouwen vanuit een hiërarchisch hoger niveau. Dan zijn absolute uitspraken over het (onderliggende) systeem wèl mogelijk.
Een afspiegeling van een dergelijke werkwijze, en een instinctief bewijs van de stelling van Gödel, is de religie. De mens is een religieus wezen omdat hij uit ondervinding weet dat de echt moeilijke vragen des levens paradoxaal van aard zijn, en onbeantwoordbaar. Om stand te kunnen houden tegenover zijn eigen zinloosheid, moet de mens wel op zoek naar een werkelijkheid waarin die zinloosheid verdwijnt.
Een hiernamaals is tegen de zinloosheid des bestaans een heel goede remedie: niet te bewijzen, maar ook niet te weerleggen. En voldoende troostend voor gelovigen.
Er zijn ook atheïsten. Dat zijn mensen die uit alle macht en met grote ijver geloven dat God niet bestaat, net zomin als Allah, Jahweh of de Grote Manitou. En er zijn agnosten, die stellen de mens God niet kan kennen en dus ook niet op Zijn stoel moet gaan zitten.
Hoe kan een wetgever aan allen tegemoetkomen?
Een goede manier om in het dagelijkse leven aan Gödel te ontsnappen is: uitgaan van het algemeen belang, ofwel: wetgeving een zaak van algemeen belang te laten zijn.
Paradoxale problemen ontstaan pas wanneer in de wet individuele afwegingen zijn opgenomen, omdat die immers een rechtspartij dwingen om stellingen over zichzelf te betrekken.
In het Personen- en Familierecht is “het belang van het kind” het specifieke belang dat boven de individuele belangen van de ouders is gesteld. Het kind geeft als het ware de hogere hiërarchie, van waaruit belangentegenstellingen tussen de ouders zonder enige tegenstrijdigheid kunnen worden opgelost.
Dat was ook de bedoeling van bijvoorbeeld het Internationaal Verdrag van De rechten voor het Kind. Maar nimmer kwam de burger bedrogener uit. Want kinderen worden vertegenwoordigd door hun ouders, waardoor de hogere hiërarchie als het ware weer wordt afgebroken en meteen allerlei akelige paradoxen de alledaagse werkelijkheid komen binnenstormen.
De oplossing is ouders te verbieden om belangen van de ouders direct of indirect in de discussie te brengen. Eenzelfde verbod geldt de werkers van Raad voor de Kinderbescherming en Bureau’s Jeugdzorg. Dat betekent niets meer of minder dan dat er voor deze werkers geen taak meer is in zaken van omgang, echtscheiding en andere civiele procedures.
Mensen – ouders en kinderen – zijn autonome, vrije, onaantastbare wezens. Onaantastbaar zijn ook de relaties tussen vrije wezens. Pas wanneer mensen, of hun onderlinge relaties, zich op strafbare wijze manifesteren in de buitenwereld, mag en moet die buitenwereld zich (bij wet) met de zaken gaan bemoeien. Eerder niet.
Het belang van het kind is het podium van waaraf civiele kwesties rond (echt)scheiding moeten worden beoordeeld. Dit belang is in de wet verwoord en gedefinieerd, onder andere met een hard recht op omgang en informatie. Dit harde recht is, zoals bekend, door de zachte tussenkomst van hulp- en zorgwerkers in individuele casus, danig uitgehold en verweekt. Uitzonderingen zijn de
regel geworden en omgangsregelingen worden massaal ontzegd. De ontstane jurisprudentie is een molensteen die nieuwe gevallen steeds sneller onder water trekt. Deze bezeten wereld is aan ernstige herbezinning toe.
Het leven heeft slechts één doel en één bezigheid: (voort)leven. Dat manifesteert zich bij uitstek in de grote moeite die het leven zich getroost voor de voortplanting.
Naarmate de levensvorm gecompliceerder is, is de zorg voor nieuwe generaties na de geboorte ook noodzakelijker. De meer ingewikkelde levensvormen behoeven nu eenmaal een langere ontstaanstijd, en een langere doorgroeitijd na de geboorte.
In de evolutie wordt in deze behoefte voorzien, doordat de oudergeneraties zijn uitgerust met een natuurlijke affectie en aandacht voor de nieuwgeborenen. Bij de hoogste levensvormen geldt deze aandacht zelfs de niet-verwanten, en de oudere generaties in het algemeen. Zodat een samenleving en cultuur in stand worden gehouden die aan nieuw leven de beste kansen bieden.
Zo bezien is het uitvieren van allerlei onderlinge discussies en geschillen bij de kinderrechter een enorme stap terug in de primitiviteit. Rechtspraak en wetgeving mogen niet uitnodigen tot het opvoeren van allerlei toneelstukjes, maar zij doen dat wel. Dàt is de fout, dáár ligt het probleem.
Partnergeschillen spelen zich af in de intieme partnerwereld. Daarbinnen moeten zij ook maar worden opgelost. Pas als er iets strafbaars is gebeurd, mogen en moeten de geschillen naar buiten komen.
Dat mag niet ten koste gaan van de kinderen, of de samenleving. De kinderen zijn autonome, nog niet volwassen, maar wel onaantastbare mensen. Die onaantastbare relaties onderhouden met andere onaantastbare mensen. Vooral met hun onaantastbare ouders. Aan het belang van het kind moeten de ouderbelangen ondergeschikt worden gesteld.
Feministische advocaten verwijten mannen wel geweld, en overspel. Met wie plegen die mannen overspel? Toch niet met andere mannen? Dus wie is nou de ergste vijand van de vrouw? Toch niet de man? Mannen zijn ook niet uit gewoonte of aanleg gewelddadig jegens hun partners. Geweld zal best voorkomen als reactie op als onaangenaam ervaren en bedoelde acties, geweld an sich is zeldzaam. Overigens blijkt in lesbische relaties net zoveel geweld voor te komen als in heteroseksuele relaties. Voor de slachtoffers van lesbo-geweld is een blijfhuis geen veilige plek, want dat weert alleen mannen. Geweld is, kortom, niet typisch iets mannelijks.
In strikte zin bestaan in een samenleving geen tegengestelde belangen, omdat het in ieders belang is dat de samenleving goed draait. In een relatie, in een gezin, bestaan al helemaal geen tegengestelde belangen, omdat het in ieders belang is dat het gezin goed draait en dat in de dagelijkse leefwereld van de verwanten rust, reinheid en regelmaat heersen.
Misverstanden komen wel voor. Dat nadeel heeft het voordeel, dat na regen zonneschijn komt.
De zegen van die zonneschijn wordt tallozen onthouden door de veel te uitnodigende houding tegenover het gretig uitventen van misverstane individuele belangen. Wat een zonnetje had kunnen worden, loopt daardoor uit in een plensbui of de zondvloed. Als puntje bij paaltje komt bestaan tegengestelde belangen niet. Die kan men slechts – tegen de natuur in – proberen te creëren. En dáár komt alle narigheid vandaan.
Weer minder oude gevallen
We kennen allemaal het beeld van een hond ie niet mee wil: zittend, voorpoten gespreid, alle gewicht
op het achterlijf, kop terug trekkend hoewel baasje staat te sjorren.
Dit beeld schoot mij te binnen bij het berichten over de voortgang van (lees: stagnatie in) de behandeling in de Tweede Kamer van een alom erkend juridisch onrecht: ons land zit vol met ouders die voor 1998 scheidden en dus nooit gezamenlijk gezag konden aanvragen: de `oude gevallen’. Gezag zal vooral van belang zijn voor die ouders die hun kroost niet meer mogen zien. Niet dat ze veel hoop hebben dat het met gezag wel zal lukken, maar toch: met gezag sta je dichter bij je kind. Ook voor het kind is dat een belangrijk signaal: de verloren ouder bestaat nog en vecht nog voor je.
Het onderwerp staat al enige tijd op de agenda van de Vaste Kamer-commissie Juridische Zaken. Het zou vorig voorjaar besproken worden, nou ja, voor de zomer, dan toch maar in het najaar, neen, in december, nou nee, dan maar na het nieuwe jaar, ach ja, nee, in februari, komt niet uit, we plannen het in de week van 14 maart, oh nee, laten we 4 april doen, ach, nee. De stand van vandaag: 20 april is de grote dag. Iedere constatering van een analogie met een onwillige hond is voor eigen rekening.
O ja, het gaat slechts over voort-gangsbesprekingen, niet over be-sluiten. Wanneer die er toch eens komen, komt er vast een advies van de RvK, en de rest weet u al.
Maar toch is er vooruitgang:
er zijn weer minder oude gevallen.
Natuurlijk verloop zorgt ervoor dat alle kinderen van voor 1988 nu 18 jaar of ouder zijn, voor hen hoeft het niet meer. Zo moet het lukken.
Enige jaren geleden stond het volk op tegen de politiek. Er werd niet geluisterd, over de hoofden heen geregeerd. In het familierecht wordt `neopaarse politiek’ nog steeds lijdzaam geaccepteerd.
Grove fouten in de rechtspraak, waar onschuldigen voor jaren achter de tralies raken, worden breed uitge-meten in de media. De honderd-duizenden mensen die een kind of een ouder verloren door structureel foute rechtspraak, komen ook aan de beurt. Reeds wordt in kerken gebed voor hen gevraagd. Over een paar jaar zal de samenleving naar dit leed oren hebben.
De politiek zal er achteraan moeten.
OzoMottO:
Tegengestelde belangen bestaan niet