Ozonieuws:
2005-4

Stichting Ouders Zonder Omgang

 

 

 

 

 

 

 

 

 terug naar de top

Bestuurlijk cynisme

 

De ontaarde manier waarop in de samenleving wordt omgegaan met ouders die na een scheiding hun kinderen niet meer zien, is als een monster met vele koppen. Die vele koppen maken de bestrijding van het monster moeilijk, maar ook des te meer noodzakelijk.

OZO werpt zich graag op als een verzetsbeweging, waarbinnen ieder op zijn eigen manier, en eventueel met hulp vanuit de organisatie, zijn steentje aan de bestrijding bijdraagt.

Een extra moeilijkheid is het gegeven dat de lelijkste koppen van het monster zich vaak op onverwachte plekken vertonen. Twee voorbeelden om dat te illustreren.

 

Een met het gezag belaste vader merkte dat zijn ex en zijn kind waren verhuisd. Monter stapte hij naar de gemeente en vroeg om het nieuwe adres van zijn zoon. Die informatie werd hem echter geweigerd. Na de scheiding was het kind onder toezicht gesteld. Toen in een terechtzitting het “nieuwe feit” van moeders verhuizing aan de orde werd gesteld, speelde de zittingsvertegenwoordiger van BJZ tegenover de rechter de vermoorde onschuld, hoewel juist BJZ van het begin af aan de hand had gehad in deze stiekeme verhuizing.

Ook instrueerde (!) BJZ de oude en de nieuwe gemeente van moeder, dat de vader het nieuwe adres niet mocht worden gegeven. Moeder vroeg, ook op advies van BJZ, een “geheimcode” aan en dat bleek vervolgens afdoende.

Vader tekende wel bezwaar aan tegen de weigering hem te informeren, maar om een lang verhaal kort te maken: de Raad van State, als hoogste bestuurlijke rechtsinstantie, vond het niet de moeite waard om de (oude) gemeente terecht te wijzen.

Wie een kind ontvoert (= onttrekt aan het ouderlijk gezag) kan jaren brommen tegemoet zien, maar een gemeenteambtenaar mag van wetgever en rechtspraak zonder vorm van bewijs het gezag van een ouder schenden. Het zijn rare tijden.

 

Een ander voorbeeld.

Een niet met het gezag belaste vader stapte naar de gemeente om te horen op welke school zijn kind was ingeschreven. Hij baseerde zijn verzoek op de Wob omdat de familierechtelijke weg in eendere gevallen moeilijk begaanbaar (en duur) was gebleken.

De gemeente weigerde op grond van de mogelijkheid dat de vader iets vervelends zou kunnen gaan doen met de informatie, hoewel de gemeente daarvoor geen aanwijzingen had in de zin van meldingen van school, de politie, het Openbaar Ministerie of zelfs van de moeder.

De vader wist echter dat de moeder allang niet meer in de gemeente – en zelfs in het land – woonde, en hij meende dan ook dat de spoken die de gemeente zag bij de geringste toetsing wel zouden worden ontmaskerd.

Daar dacht, uiteindelijk, de Raad van State toch anders over. Die stelde de gemeente namelijk in het gelijk, en gaf dus aan een ongespecificeerd en ongegrond vermoeden een juridisch geldige ontzeggingskracht voor het weigeren van informatie op grond van de Wob. Het ongegronde vermoeden kreeg een plaatsje onder de paraplu van de-bescherming-van-de- persoonlijke-levenssfeer, en klaar was Kees. Het zal de tijdgeest wel zijn.

Er bleek echter nog iets eigenaardigs. En dat is dat de Raad van State met de Wet openbaarheid van bestuur niet uitgaat van de gedachte dat bestuurlijke informatie openbaar moet zijn – en dus toegankelijk voor elke burger – maar dat de Wob slechts is bedoeld voor openbaarmaking van bestuurlijke informatie. Een vraag van de voorzitter suggereerde dit althans in sterke mate.

Een aanwijzing daarvoor vormt ook het geval met De Roy van Zuidewijn, wiens persoonlijke dossier op straat kwam te liggen door tussenkomst van de NRC. Hier bleek de Wob harder dan de Wbp (Wet bescherming persoonsgegevens), wat ons Koninklijk Huis nog behoorlijk bezuurde.

Als Het Bestuur “hoofdouders” beter beschermt dan het Koninklijk Huis, moet er met “bij-ouders” wel iets heel ergs aan de hand zijn. Anders gezegd: hoofdouders hebben meer aanspraak op bescherming dan koningen en prinsessen. Het zou ook eens anders wezen.

Cynisme moet men met cynisme bestrijden. Aan de leden van het Koninklijk Huis daarom het dringende advies om echtscheiding aan te vragen, want dat beschermt echt.

En om vervolgens donateur te worden van OZO natuurlijk, want dat helpt ook.

 terug naar de top

 

De baas op het nest, emancipatie, brand en rechtspraak

 

In de voorbije zomer presenteerde Arnon Grunberg voor de VPRO een aantal programma’s vanuit China. Eén van de meest opvallende en pertinente stellingen was de uitspraak die een al jaren in China werkzame Nederlander vol ontzag over Chinese moeders deed. “De Italiaanse moeder mag beroemd zijn, de Joodse moeder mag een oermoeder en proto-type heten, zij zijn nìets vergeleken bij de Chinese moeder”.

De onuitgesproken ondertoon van deze uitspraak is: in het Chinese huis (en gezin) is – nog meer dan elders – er maar één de baas. En dat is de vrouw. Er zit iets triomfantelijks in: tientallen jaren keihard communisme en hersenspoeling hebben het moederinstinct er niet onder gekregen. En er zit iets herkenbaars in. Er is immers ook in Nederland geen gezinshuishouden te vinden waarin de moeder de tweede viool speelt. Een enkele (zorg)vader mag door handig opereren erin slagen om zijn zin grotendeels door te zetten, als het erop aankomt hebben de moeders het laatste woord - en als het er niet op aankomt ook. Dat ligt nu eenmaal in de aard der dingen.

In moderne samenlevingen is de weerzin tegen discriminatie zo groot, dat de gelijkheid van man en vrouw als absolute waarde wordt gepresenteerd, met voorbijgaan aan alle natuurlijke en instinctieve nuances. In logische, menselijke en juridische zin is daar niets tegen in te brengen. Tegelijkertijd echter zijn de verschillen tussen man en vrouw niet logisch of juridisch bepaald, maar op een andere manier. Waar die verschillen hun oorsprong hebben is niet zo interessant. Ieder mens wordt geboren uit twee ouders, en de overgrote meerderheid der mensen zou gruwen van de dwang dat men de ene ouder boven de andere ouder zou moeten stellen. In die zin is de gelijkwaardigheid van man en vrouw, van vader en moeder, ons met de biologische paplepel ingegoten.

Tegelijkertijd hebben ouders geen vanzelfsprekende volwaardige gelijkheid op elk denkbaar (deel)gebied. Alleen al uit overwegingen van efficiency – en ongetwijfeld ook door evolutionaire druk – bleek het handig wanneer ouders de taken verdelen naar ieders beste kunnen.

In dit opzicht tamboereren feministische en anti-discriminatoire kringen veelvuldig op verkeerde uitgangspunten. Ministers van Binnenlandse Zaken en Buitenlandse Zaken zitten elkaar niet in het vaarwater, zomin als schoenmakers, slagers en voetbalprofs, omdat dat onwerkzaam is.

Het blad Opzij echter neemt bekende Nederlanders naar feministische normen de maat. Niet hun kwaliteiten als schoenmaker, slager of voetballer zijn dan de maatstaf voor hun beoordeling, maar hun feministische gesteldheid. Dat is een verwerpelijk uitgangspunt, omdat die gesteldheid geen waarde heeft voor de uitslag van een voetbalwedstrijd of de kwaliteit van een rookworst. Het is dus ook nog: een dom uitgangspunt.

In de gewone samenleving blijkt echter dagelijks, dat een verstoring van de gelijke waardering der seksen – die in ouders hun opperste vertegenwoordigers vinden – verregaand ontwrichtende gevolgen heeft voor individu en samenleving.

De Nederlandse bajesbevolking is voor 90 % afkomstig uit éénoudergezinnen. Het onheil van (echt)scheidingen wordt overgedragen naar de huwelijken en relaties van de scheidingskinderen. Kinderen worden met nieuwe namen opgescheept waar zij slechts met grote moeite weer vanaf kunnen komen. Een vijfde van deze kinderen doet evenwel die moeite, wat scherp aangeeft hoe slecht deze-genealogische-kaalslag-in-het-belang-van-het-kind door de kinderen zelf wordt gewaardeerd.

De boefjes die in Uden een school in brand staken en de wereld daarmee schokten, waren alle afkomstig uit éénoudergezinnen. De hoofddader had zijn vader vier maanden niet gezien. Een voor hem positief gevolg van de misstap is, dat het contact met vader inmiddels is hersteld, maar de maatschappelijke prijs voor de coulante echtscheidingspraktijk die rücksichtslos ouder-kind banden verbreekt, is onweerlegbaar te hoog.

De politiek heeft meer dan eens blijk gegeven van haar bereidheid om de bakens voorzichtig te verzetten. De wetswijzigingen van 1990, 1994, 1995, 1998 en 2005 bewijzen deze constante bereidheid. Zij bewijzen echter ook ... het tekort schieten van de eerdere wijzigingen.

Dit falen is uitsluitend toe te schrijven aan de rechterlijke macht, die steeds nieuwe uitvluchten verzint om de gebaande paden toch maar niet te hoeven verlaten.

 

Een veel gehoord excuus is dat de kinderen later zelf kunnen beslissen of zij omgang willen met hun andere ouder of niet, en dat later dus vanzelf goed komt wat goed had moeten zijn. Maar dat is een verschrikkelijke drogredenering. Een gemis van járen ouder-kind contact, verkeerde schoolkeuzes en het ontbreken van een dikke laag familie-verhalen-sediment, leveren voor kind en ouder tekorten op die nooit meer kunnen worden goedgemaakt: zij blijven eeuwig bestolen van wat hun werd afgepakt. En het is niet waar, het komt heel vaak niet meer goed.

Spreekwoorden plegen waarheden als koeien te zijn, maar “eind goed al goed” geldt niet voor verbroken ouder-kind relaties, niet “all is well that ends well”.

Deze wijsheden zijn afkomstig uit een tijd waarin men koesterde wat dierbaar was. In die koestering krijgen waarheden als koeien een kans te bestaan, in barre tijden worden koeien van waarheden juist afgeslacht.

Een beschaafde samenleving dempt geschillen en zoekt vreedzame oplossingen.

De rechterlijke macht en de samenleving hebben de afgelopen 35 jaren echter eigenlijk alleen maar bloed willen zien.

Het door OZO deels gesponsorde proefproces, beoogt daarin een kentering te helpen brengen. Ook als de uitkomst van dit proefproces een onomwonden bevestiging van het hier geschilderde beeld zou leveren, is het zinvol geweest. Want als maar duidelijk genoeg wordt gemaakt hoe pervers het systeem is, zal het op den duur veranderen.

Er is geen twijfel over mogelijk: ons zal overwinnen.

 

Aan het proefproces – en aan meer goed nieuws – zal de komende donateursdag overigens ruim aandacht worden gegeven... wordt het toch nog weer gezellig.

 terug naar de top

 

Het recht op omgang verdrinkt in troebel water

 

Het verschijnsel is bekend van school: de leerling die er de kantjes vanaf loopt, krijgt lagere cijfers voor proefwerken en toetsen, dan leerlingen die zich lijken in te spannen.

Hoe begrijpelijk dat in zekere zin ook is, het is onrechtvaardig. Een cijfer voor Duits of Frans hoort een beoordeling te zijn van de kwaliteiten van de leerling voor het vak Duits of Frans, niet voor zijn gedrag of vlijt.

De verkeerde neiging om (harde) feiten te willen vertroebelen en verzachten, manifesteert zich in het Personen- en Familierecht nog veel sterker. De gevolgen zijn daar ook veel schadelijker dan op scholen. Eerlijkheid moet immers altijd, ook als die eerlijkheid hard is.

De neiging tot vertroebeling werd enkele jaren geleden heel duidelijk tijdens een d-day. Toen daar een geanonimiseerd RvK-rapport werd geprojecteerd en besproken, meenden verscheidene aanwezigen in die anonieme rapportage hun eigen casus te herkennen. Op één na hadden zij dat allemaal fout, maar dat was juist het goede eraan! Het voorval bewees, dat de rapporten van de RvK in grote mate overschrijfsels zijn van andere rapportages.

Hoewel dat in zekere zin onvermijdelijk is, onthult dat toch ook het fabrieksmatige, meedogenloze proces, waarin de voor de ouders en kinderen zo intieme en dierbare onderlinge relaties en gedragingen tot gehakt worden vermalen. Het is een soortgelijke fabrieksmatige benadering, als die de nazi's in staat stelde het onvoorstelbaar wrede en gruwelijke werk van de Endlösung vol te houden. Alleen een afstandelijke benadering maakt gruwelijk werk mogelijk. Het is niet gewaagd te stellen dat als werkers afstand houden van hun werk, dat werk op zichzelf niet deugt.

 

De ondeugdelijkheid van het werk in het omgangsrecht verraadt zich ook in de wijze waarop niet-relevante zaken ten tonele worden gevoerd als reden voor een gegeven advies of beschikking.

Bij de RvK wordt ruim baan geboden aan (valse) beschuldigingen van incest, stalking, agressie of alcoholmisbruik door de zorgouder.

Aan waarheidsvinding valt geen zachte werker zich een buil, maar als er maar genoeg irrelevante klaagtekst wordt geproduceerd dan excuseert dat vanzelf een op zich niet te verdedigen advies.

Rechters gaan maar al te graag mee – en vaak zelfs vóór – met dit vissen in troebel water.

Zo constateerde het Hof in ’s-Hertogenbosch ooit, dat één of andere beschuldiging op de ellenlange waslijst die moeder had voorgedragen, onweersproken was gebleven. Men waagde zich er niet aan ronduit te stellen dat het bewijs van “slecht” gedrag daarmee was geleverd, maar impliciet was dat wel de conclusie van het Hof – en de omgang werd ontzegd.

 

De beschikkingen in het omgangsrecht ademen dezelfde fabrieksmatige aanpak als de rapporten van de welzijnswerkers. Wie er het oog voor heeft, herkent het patroon onmiddellijk.

 

Het is in wezen hetzelfde patroon als dat van de vrijwilligers, die op last van onderzoekers aan andere proefpersonen electrische schokken moesten toedienen. Hoewel bekend was dat vanaf een zekere punt de stroomstoten zeer pijnlijk werden, en zelfs dodelijk, lieten bijna alle vrijwilligers zich opdragen om de stroomsterkte tot voorbij dat punt op te voeren.

Ter afsluiting werd de vrijwilligers verteld dat zijzelf het object van onderzoek waren geweest, dat de stroomstoten nep waren en dat het ging om de vraag hoever brave en fatsoenlijke vrijwilligers zouden gaan in het opvolgen van aanwijzingen van de onderzoekers.

Menig vrijwilliger moet er nachtmerries van hebben overgehouden. Het zal immers ook henzelf een raadsel zijn, hoe gemakkelijk zij als brave burgers tot martelwerktuig voor één of andere hogere orde konden worden gemanipuleerd.

 

De parallel met het werk van deskundigen, onderzoekers en kinderrechters, die meer dan de helft van de echtscheidingskinderen voor het leven een handicap bezorgen, is overduidelijk. Het is ook duidelijk dat aan de bemoeienis met ouder-kind relaties na (echt)scheidingen een einde moet worden gemaakt, en wel zo spoedig mogelijk.

Niet uit moralistische gronden, niet om mensen te verbeteren of te straffen, maar omdat hun onbeteugelde werk zelf niet deugt.

Wie dat niet gelooft is van harte uitgenodigd voor een bezoek aan het OZO-website Monument.

   

 terug naar de top

   

De stemming over het wetsontwerp Luchtenveld  
 

Het wetsontwerp Luchtenveld is in december aangenomen in de Tweede Kamer. Opmerkelijk was dat juist de twee gezinspartijen, het CDA en de ChristenUnie, tegenstemden. Zij legden hierover een stemverkla-ring af, die wij hier weergeven.    

   
   

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Het voorstel van collega Luchten-veld heeft de fractie van de ChristenUnie voor een dilemma geplaatst. Het voorstel bevatte van

meet af aan goede elementen, zoals de bepalingen rondom het ouderschapsplan. Die elementen zijn in de behandeling via amen-dering nog aanmerkelijk verbeterd, waardoor het belang van het kind via dat ouderschapsplan meer centraal is komen te staan.

Een andere kern van het wets-voorstel betrof het mogelijk maken van een administratieve scheiding. Ook daar heeft een ingrijpende amendering plaatsgevonden,

waardoor de rechter eraan te pas komt als er kinderen in het spel zijn. Als er geen kinderen in het spel zijn, zijn er meer waarborgen gekomen voor een zorgvuldige gang van zaken. Dat is allemaal winst.

De fractie van de ChristenUnie houdt bezwaren tegen het mogelijk maken van een administratieve scheiding zonder rechterlijke tussen-komst, vooral met het oog op het waarborgen van het belang van de zwakkere partij.

Die overweging is uiteindelijk voor de fractie van de ChristenUnie doorslaggevend geweest. Daarbij heeft ook een rol gespeeld dat er een wetsvoorstel van minister

Donner ligt dat alle goede elementen van het wetsvoorstel-Luchtenveld bevat en niet de elementen die

wij niet steunen. Wij stemmen daarom tegen dit wetsvoorstel, waarbij uit ons stemgedrag van vorige week over de onderdelen en artikelen duidelijk is geworden dat wij de bepalingen rondom het ouderschapsplan voluit steunen.

 

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA): Dit wetsvoorstel heeft een lange geschiedenis. De vormgeving van het voortgezet ouderschap is door amendering en wijzigingen aanmerkelijk verbeterd. Voorzover wij nu kunnen beoordelen, zijn er nog twee punten onvoldoende.

Ten eerste het punt van de amb-tenaar van de burgerlijke stand. Die krijgt een praktisch vergelijkbare taak met die van de rechter. Dat betekent dat twee instituten hetzelf-de gaan doen, maar wel met extra lasten.

Het tweede punt is de interpretatie over de uitvoering van het ouder-schapsplan en de wijze waarop dat bij de rechter kan worden voorge-legd. Wij vrezen dat dit een overbe-lasting van de rechter zal betekenen. Op deze twee gronden stemt de CDA-fractie tegen het voorstel.

 
 

 terug naar de top

Het ``belang van het kind’’: een ``belang’’ der zuchten  

Bij de behandeling van de wet Luchtenveld merkte het kamerlid mw Kalsbeek (PvdA) op dat hij vergeten was ``het belang van het kind’’ te noemen. Ze diende een amendement in met de motivatie:
Het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap is in artikel 251 vastge-legd. Tevens wordt daarin aangege-ven welke ijkpunten van belang zijn voor de invulling van het gelijkwaar-dig ouderschap. Aan deze ijkpunten ontbreekt echter ten onrechte “het belang van het kind”. Dit amende-ment voorziet in deze leemte.

 
 

Aldus werd het aangenomen met steun van de fracties van Groen-Links, de PvdA, de Groep Lazrak, de Groep Wilders, de VVD (met uitzon-dering van het lid Luchtenveld) en het CDA.
Trouwe OZO-nieuws lezers weten dat ``het belang van het kind” al decennia als het aambeeld functioneert, waarop een goed willende ouder het recht op omgang verliest. Niet omdat de letter van de wet zo slecht is, maar wel de invulling die de rechterlijke macht er aan gegeven heeft en nog immer geeft.

Opmerkelijk is dat de OZOnoodkreet ``Weg met het belang van het kind’’ aan vrijwel de gehele tweede kamer voorbij gegaan is. Nog opmerkelijker is dat mw Kalsbeek v an januari 2001 tot juli 2002 staatssecretaris van Justitie is geweest in het tweede paarse kabinet. Het valt niet te ver-klaren dat zij de boodschap nog steeds niet gehoord heeft.
In de peilingen is de PvdA nu de grootste partij. Zucht u maar mee met het OZO-bestuur.

Toch valt er nog iets positiefs aan te ontdekken: Welke partijen staan er niet in het lijstje mee``lopers’’? Jawel, de SP, die in deze rubriek al eerder geroemd is om een heldere kijk op de problematiek, D66, de LPF, de ChristenUnie, de SGP en de groep Nawijn. En Luchtenveld zelf?
Waarom zou die toch stemmen tegen de ijverig aangedragen ``verbetering’’ van zijn voorstel? Hij is niet begrepen, niet eens in zijn eigen partij.

 

 

OzoMottO:

Het recht

op omgang

verdrinkt in

troebel water

 


 terug naar de top