Ozonieuws:
2005-2
D-day 17 april 2005
De opkomst op ons vaste adres in Oosterbeek was met 27 personen op deze mooie dag heel behoorlijk en het programma was, hoewel noodgedwongen geïmproviseerd, heel aardig.
Het thema was mediation, maar een beoogde gastspreker was helaas verhinderd, wat noopte tot enige aanpassingen.
Na het welkom en de opening lichtte Theo Nieuwenhuizen de politieke stand van zaken toe. Onder de politici is er nog steeds veel wishful thinking, en nog veel meer koudwatervrees. Voorstanders van de zachte hand blijven blij geloven, ook al is hopen op gezond verstand bij de ouders in een samenleving die bloed wil zien, al meer dan dertig jaar onzinnig gebleken. Tegenstanders van een zero-tolerance-achtige aanpak van het blokkeren van omgang tussen ouder en kind, betuigen vrome vrees voor beschadiging van de tere kinderziel als het kind ooit eens een blauwe politiepet in zijn straat zou ontwaren of vermoeden.
De video die werd vertoond, van een studio-discussie onder leiding van Andries Knevel en Jacobine Geel tussen twee advocaten in het familierecht voor een rumoerige publieke tribune, demonstreerde de volslagen Babylonische spraakverwarring die de journalistiek en de kringen rond de rechtspraak beheerst.
Theo Nieuwenhuizen memoreerde dat er ook kamerleden zijn, die na hun scheiding zonder pardon als ouder aan de kant zijn gezet. Door de andere ouder, die daarvoor de zegen van de rechter kreeg: ook kamerleden weten dus in wat voor bezeten wereld wij leven.
Mr. Prinsen was één van deelnemers in de tv-discussie die werd vertoond. Daarin botste hij op advocaat die stelde dat er in het merendeel van de gevallen waarin zij onttrekking aan de omgang had meegemaakt, sprake was van uitoefening van geweld door de vader. Tegen deze achtergrond betoogde mr. Prinsen in zijn voordracht, dat goede voornemens en brave bemiddeling niet helpen. Ronduit onthutsend was zijn voorbeeld uit de praktijk, waarin door de rechtbank een poging tot forensische mediation was opgedragen. Deze opdracht was vastgelegd in een tussenbeschikking, waarin echter al op sterk aandringen van mr. Prinsen zekere voorzieningen waren getroffen. Zodat daarover dus niet meer hoefde te worden onderhandeld. De mediator - en de wederpartij - zagen echter hun kans schoon om daar toch nog weer over te gaan onderhandelen. De rechter werd daardoor dus genegeerd, en in zijn hemd gezet.
Wat de deur dicht deed was vervolgens de reactie van de rechter, die laaghartig de aanpak van de mediator buiten alle kritiek hield en in zijn beschikking met een grote boog om de begane en aangetoonde juridische fouten heen liep.
In het laatste praatje vertelde Arthur Ross iets over de stand van zaken rond het proefproces dat samen met een donateur tegen een gemeente werd aangespannen. Het College van Burgemeester en Wethouders van deze gemeente volgde de leerplichtambtenaar in diens weigering, op instigatie van de andere ouder, om mededeling te doen over de adresgegevens van de school van de kinderen van de donateur. De rechter stelde de gemeente in het ongelijk, maar besloot dat de kosten moesten worden gecompenseerd.
Dat laatste is in strijd met alle gevoel voor logica en rechtvaardigheid en besloten is, dat het bestuur ook het hoger beroep tegen de verdeling van de gerechtskosten zal sponsoren.
Zodra dat is beslist worden de betreffende beschikkingen geanonimiseerd op de OZO-website ter inzage gelegd.
Volgde nog een pleidooi voor de OZO-strategie die in feite de schriftelijke vastlegging van een doe-het-zelf-bemiddeling behelst.
De afsluitende borrel was geanimeerd en gezellig, mede doordat er weer enkele nieuwe gezichten te zien waren.
Vanwege de organisatorische druk die het organiseren van een d-day met zich meebrengt, bezint het bestuur zich op de frequentie van deze d-days. Waarschijnlijk wordt die teruggebracht tot één keer per jaar. Hierover, over de voorkeursdata voor d-day en over tal van andere zaken wordt een enquête op onze website voorbereid.
XXXX LAATSTE NIEUWS XXXX
Door plotseling opgekomen problemen rond de uitgifte van de tweede OZO-nieuws van dit jaar, is ook de verschijning van de derde OZO-nieuws in het gedrang gekomen.
Daarom op deze plek alvast de urgente mededeling dat in het najaar van 2005 inderdaad GEEN d-day wordt georganiseerd.
Meer over hoe en wanneer dan wel, in de volgende editie.
_____
Uit het nieuws over BJZ - een oefening in kritisch lezen
Al maandenlang zijn Bureaus Jeugdzorg in negatieve zin in het nieuws. Hier wordt een zucht van opluchting geslaakt dat eindelijk eens wordt overwogen om een gezinsvoogd aansprakelijk te stellen voor diens falen, daar lopen collega’s uit de hulpwereld te hoop om te betogen dat hun ethiek en arbeidslust buiten kijf staan omdat zij nu eenmaal hulpverlener zijn, maar dat het werk zoveel moeilijker is geworden, dat de budgetten te krap zijn, etc.
Argumentatie ontbreekt, moralisme heerst. Altijd weer voornemens om het in de toekomst, met nieuw beleid en natuurlijk weer meer geld, beter te doen. Maar vragen om meer geld en meer bevoegdheden bewijst vooral dat men het in de voorliggende periode niet goed heeft gedaan, dat men er (alweer) niet in is geslaagd verslechtering van de situatie voor kinderen te voorkomen.
Tegelijkertijd staat vast dat de bevolking nooit gezonder en welvarender was dan nu. Blijkens een onderzoek van het Instituut voor Demografie in Wenen zijn mannen die nu 54 zijn, even gezond als mannen van 40 honderd jaar geleden. Voor vrouwen is de winst zelfs 15 jaar (bron: De Telegraaf van 11 juni 2005).
Daarentegen suggereert de berichtgeving rond het Meisje van Nulde en Savanna juist, dat de vooruitzichten voor de jeugd slechter zijn geworden. Die bezorgde toonzetting wordt echter weer gelogenstraft door ... de zeldzame harde feiten uit deze berichten.
De conclusie is, dat er iets mis is met de Bureaus Jeugdzorg. Waar deze via een omweg werden ingeschakeld om echtscheidingsproblemen op te lossen, pakt hun werk vaak rampzalig uit. En waar zij in een sfeer van kinderbescherming werken, vinden elk jaar onder het toeziend oog van de voogd toch nog zo’n twintig kinderen de dood door mishandeling. Dat is een feit uit de mond van prof. Hermanns, één van de bedenkers van het zgn. Deltaplan, tijdens een tv-interview.
Hieronder een bloemlezing uit het nieuws van maart 2005, dat een piek in de berichtgeving over BJZ te zien gaf.
1. gezinsvoogdij is verbeterd7 maart 2005- bron: ANP
“Door een nieuwe werkwijze van de gezinsvoogdij is de uitvoering van de ondertoezichtstelling sterk verbeterd. Bovendien is de werkdruk afgenomen. Dat staat in ... een evaluatie van het project Deltaplan Gezinsvoogdij... Naast de andere werkwijze is de caseload van gezinsvoogdijwerkers verlaagd van gemiddeld 17,5 naar 15 pupillen. Er is nu wekelijks contact tussen de hulpverlener en de pupil... De onderzoekers adviseren ... de methode nog beter te onderbouwen en de training van gezinsvoogden tot de verantwoordelijkheid van de bureaus jeugdzorg te maken”.
2 .Een hard maar eerlijk rapport10 maart 2005 - bron: MOgroep
“De brancheorganisatie Jeugdzorg (MOgroep) onderschrijft de aanbevelingen
principiële gelijkwaardigheid van
...van de Inspectie Jeugdzorg over de kwaliteit van de hulpverlening aan een peuter uit Alphen aan de Rijn.
Door de ernst van deze zaak heeft de leiding van BJZ Noord-Holland vergaande personele en organisatorische maatregelen getroffen. En op korte termijn wordt één sectormanager verantwoordelijk voor de uitvoering van de jeugdbescherming.
Joep Verbugt, voorzitter Bureaus Jeugdzorg van de MOgroep: ‘... Mijn stellige indruk is dat de situatie bij de regiovestiging van Noord-Holland niet maatgevend is voor de bureaus jeugdzorg in Nederland.’
De MOgroep heeft een actieplan opgesteld om nog dit jaar de wachtlijsten bij de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling weg te werken. Ook is twee jaar geleden gestart met het Deltaplan 'Verbetering Gezinsvoogdij. De resultaten daarvan laten zien dat een andere werkwijze en meer tijd voor kinderen tot betere resultaten leiden”.
3. Reactie van bewindslieden op rapport Inspectie Jeugdzorg 10 maart 2005 - bron ANP
...”Donner wijst erop dat hij door eerdere bevindingen van de inspectie een aantal maatregelen in gang heeft gezet. Een van de maatregelen is de ontwikkeling van een nieuwe werkwijze voor de uitvoering van ondertoezichtstelling. Verder moet de Raad voor Kinderbescherming de toetsing verbeteren zowel van de beëindiging van de uithuisplaatsing als van het niet verlengen van de ondertoezichtstelling”.
4. Kamer wil onderzoek naar jeugdzorg11 maart 2005 - bron: Trouw
...”De vraag is of de dood van de peuter uit Alphen aan de Rijn een incident was, of dat het een logisch gevolg was van het verkokerde en bureaucratische systeem van de jeugdzorg. Een meerderheid van PvdA, D66, GroenLinks en SP meent dat het laatste het geval is..
PvdA, D66, GroenLinks en SP drongen erop aan de wachtlijsten bij de Meldpunten Kindermishandeling en de Raad voor de Kinderbescherming spoedig aan te pakken. Bovendien willen zij dat de positie van gezinsvoogden snel verbetert”.
5. Gezinsvoogd heeft tien minuten tijd 14 maart 2005 - bron De Volkskrant
“Voogden spelen een cruciale rol bij het voorkomen van kindermishandeling. De dood van de Savanna (3) in 2004 wekt twijfels over hun functioneren. Tien vragen.
5.1 Wat is een gezinsvoogd?
Een gezinsvoogd begeleidt op last van de rechter gezinnen waar grote problemen zijn. Het wettelijk gezag over de kinderen berust bij de ouders, maar belangrijke beslissingen worden in samenspraak met de gezinsvoogd genomen. Zo'n belangrijke beslissing is bijvoorbeeld of het kind thuis kan blijven wonen.
5.2 Hoeveel gezinnen hebben een gezinsvoogd?
Ongeveer 20 duizend kinderen staan onder toezicht .
5.3 Hoe vaak ziet de voogd het kind?
Gemiddeld heeft de gezinsvoogd met elk kind tien minuten contact per week. De meeste tijd spendeert de voogd achter de computer om rapportages te maken. Ook het overleg met justitie en andere instanties kost veel tijd. Een voogd begeleidt gemiddeld 24 gezinnen.
5.4 Kan een gezinsvoogd een band opbouwen met het kind?
Nee. Gezinsvoogden zijn case managers die vooral de rode draad in de gaten houden en het feitelijke werk delegeren aan de wijkagent, de thuiszorg en het maatschappelijk werk. Dat neemt niet weg dat tien minuten contact per week per pupil als te weinig wordt gezien.
5.5 Levert de gezinsvoogd een bijdrage aan het welzijn van het kind?
Drie van de tien kinderen die door de rechter onder toezicht van een gezinsvoogd zijn gesteld, zijn er twee jaar later beter aan toe. De toestand van zeven kinderen is onveranderd of verslechterd.
5.6 Wanneer plaatst een gezinsvoogd het kind uit huis?
Er zijn geen concrete maatstaven of criteria voor een uithuisplaatsing, blijkt uit onderzoek uit 2002 van de Stichting Jeugd en Gezin Noord-Holland. Het zijn subjectieve beslissingen, afhankelijk van de inzichten van de voogd. Wel wordt zo'n besluit besproken met collega's en de teamleider.
5.7 Is het verwijt terecht dat gezinsvoogden vooral oog hebben voor het belang van de ouders?
In de wet op de Onder Toezicht Stelling staat dat de gezinsvoogd erop toeziet dat band tussen ouders en kinderen zo veel mogelijk intact blijft. Ook moet de gezinsvoogd een uithuisplaatsing zo veel mogelijk voorkomen.
5.8 Zijn gezinsvoogden geschikt voor hun taak?
Gezinsvoogden hebben een hbo-opleiding maatschappelijk werk. Het vak is weinig populair en erg zwaar. Gezinsvoogden willen het liefst dat belangrijke beslissingen achteraf worden getoetst door een deskundige, bijvoorbeeld een psycholoog.
5.9 Wat moet er gebeuren?
In vier bureaus Jeugdzorg zijn succesvolle proefprojecten gehouden met een nieuwe aanpak, die ook wel het Delta-plan wordt genoemd. Daarin krijgen gezinsvoogden maximaal vijftien gezinnen toegewezen. Zij moeten 50 procent van hun tijd aan de begeleiding van de gezinnen besteden. De aanpak wordt bovendien minder vrijblijvend. De voogd en het gezin formuleren samen heldere doelen als: de kinderen worden niet meer geslagen en ze gaan elke dag naar school. Er gaan steeds meer stemmen op dit Deltaplan landelijk in te voeren.
5.10 Moet er extra geld bij?
Ja. Als gezinsvoogden teruggaan van 24 naar maximaal 15 gezinnen, is meer geld nodig. Minister Donner van Justitie is aan het bestuderen wat de plannen kosten en of er voldoende middelen zijn om ze te realiseren.”
6. Gezinsvoogden gaan demonstreren 11 maart 2005 - bron: HDC Media
...”Het gezin stond lange tijd onder begeleiding van het Bureau Jeugdzorg Noord-Holland. De Inspectie voor de Jeugdzorg oordeelde donderdag dat de gezinsvoogd en haar werkgever, het Bureau Jeugdzorg, grote fouten hebben gemaakt in de hulpverlening.
Volgens Moolenaar is met de strafmaatregelen de maat meer dan vol. ,,Wij geven er de brui aan als het zo moet.'' Zijn organisatie telt ongeveer vijfhonderd leden. In Nederland zijn ongeveer 1200 gezinsvoogden. De vereniging eist meer geld van minister Donner van Justitie. Moolenaar wil de demonstratie binnen enkele weken in Den Haag houden”.
Conclusie
Het werk van gezinsvoogden heeft niet gedeugd en zal ook nooit deugen.
Een voogd begeleidt gemiddeld 24 gezinnen. Er zijn 20.000 begeleide kinderen, ofwel nog geen 17 kinderen per voogd. Toch is er meer geld nodig als “gezinsvoogden teruggaan van 24 naar maximaal 15 gezinnen (!)”.
Elders heet het dat de caseload in de pilots van het ‘Deltaplan Verbetering Gezinsvoogdij’ (ronk, ronk) is verlaagd van 17,5 naar 15 pupillen.
20.000 kinderen per week 10 minuten zien, levert een “kindbezetting” op van 200.000 minuten per week, ofwel 40.000 minuten per dag ofwel 33 minuten kind-tijd per voogd per dag.
In het Deltaplan moeten de voogden de helft van hun tijd aan kinderen gaan besteden, oftewel zo’n 210 minuten per dag. Hoe dat kan met een verlaging van de caseload van 17,5 naar 15 pupillen is, zelfs als voor de (nergens genoemde) reistijden ruimte wordt gemaakt, een raadsel.
Tenslotte een oproep aan wie er aardigheid in heeft, om een reactie op deze vragen:
Wie een aardig antwoord op papier zet, is allicht verzekerd van een plaatsje in deze kolommen.
Ter ondersteuning nog wat getallen.
Er zijn zeker meer dan 2 miljoen kinderen (2.000.000) onder de 18 jaar, in Nederland. Van hen zijn 20.000 kinderen onder toezicht gesteld, dat is ca. 1 (één) prodent.
In Nederland sterven in totaal naar schatting zo’n 50 tot 80 kinderen door mishandeling. Zeker een kwart van die kinderen stond onder toezicht.
Statistieken van het aantal kinderen die na de scheiding van hun ouders onder toezicht zijn gesteld en die het contact met een ouder verloren - ondanks of dankzij de gezinsvoogd dus - zijn een zorgvuldig bewaard geheim.
Overleg met de minister
Op de dag van het referendum over de Europese grondwet was er een overleg met de CDA-top,
te weten minister Donner, voorzitter van Bijsterveld en kamerlid de Pater. Vanuit OZO zijn de volgende punten ingebracht:
"Belang van het kind"
De minister heeft tijdens de behandeling van het wetsvoorsstel Luchtenveld benadrukt dat het belang van het kind gewaarborgd moet worden en stelt dat, zelfs als de ouders het onderling eens zijn, het belang van het kind geschonden kan zijn. (Ons inziens zal dat nooit gebeuren bij een betere bescherming van de zwakke partij).
Voor ons wekt dit te veel de indruk dat "het belang van het kind" iets is als de bloedgroep of het DNA-profiel wat alleen door specialisten (lees: Raad voor de Kinderbescherming) vastgesteld kan worden.
De praktijk is tegenovergesteld: Het gaat mis bij de helft van de scheidingskinderen, dat is vreselijk veel. Belangen van kinderen worden op grove wijze geschonden omdat de overheid de zaak op een verkeerde manier aanpakt: kiezen voor de beste ouder (de moeder) en de andere eruit werken (de vader).
Hierin spelen rechters en de Raad een kwalijke rol. De opzet moet anders.
Het CDA dient familiewaarden te waarborgen, ook na scheiding. Iedere ouder-kindband is een familieband.
Rechtspsychologie - Salomonswijsheid
Het begin van het probleem is dat het familierecht rationele, wetenschappelijke grondslag mist. We kijken naar de beste ouder voor het kind en dat is inherent tegen de menselijke natuur en onmenselijk.
Bullens zegt in Familie- en Jeugdrecht (FJR) in maart 2005: "Rechters dragen ons een onderzoek naar het kind op. Maar het conflict tussen de ouders moet opgelost worden, los je dat op, dan dien je het belang van het kind." Dit is precies als bij het Salomonsoordeel.
Familierecht mist een rechtspsychologische grond: de vraag hoe bepaal ik mijn gedrag gegeven de juridische mogelijkheden.
We hoeven alleen maar aan het oordeel van Salomon te denken. Het was niet in het belang van het kind om het in tweeën te laten delen, maar hij diende het belang van dat kind juist op indirecte wijze.
Een recente casus: Vader en moeder wonen in Leiden en scheiden. Blijven dicht bij elkaar wonen, hebben co-ouderschap.
Moeder wil naar haar datingvriend in Roermond en de kinderen meenemen. Advocaat vader vraagt: gaat u ook als deze rechtbank besluit dat u de kinderen niet mee krijgt?
Moeder dacht na en antwoordde: "Neen". Daarmee was de zaak opgelost. Ze ging niet en beide ouders behielden veel omgang met de kinderen. Lof voor de rechter die antwoord op deze vraag niet als “irrelevant” verbood. Helaas schreef hij dit niet zo op in de bschikking, die ging weer over de “betere ouder”, en dat was nu de vader.
De overheid moet rekening houden met de psychologische sleutels die hij aanreikt. De wet moet de juiste alternatieven aanbieden.
Luchtenveld's voorstel "De ouder kan verzoeken het gezag aan de andere te geven" zal een dempende werking hebben.
Rechters en maatwerk
De minister zegt: de rechter moet maatwerk leveren. Dat is fout. De ouders moeten maatwerk leveren. De rechter moet dreigen:
Komen jullie er niet uit, dan leg ik een 50-50 regeling op (of wat daar praktisch gezien zo dicht mogelijk bij komt.)
De 50-50 norm (ouders zijn gelijkwaardig en ook gelijk indien mogelijk) moet in de wet als regelend recht, niet dwingend recht.
Handhaving
In het overleg over "Luchtenveld" stelden alle fracties vragen over handhaving: de tweede kamer ziet dit als een groot probleem.
Het vertrouwen in rechterlijke uitspraken mag niet uitgehold worden.
Strafrecht is een paardenmiddel maar werkt heel preventief. Het is niet hard maar subtiel. Bij niet naleving van plicht tot omgang laten plaatsvinden:
Eerste stap: ontbieden op politiebureau
Tweede stap: bij herhaling: opmaken proces verbaal
Derde stap: als dat niet helpt: optreden officier van justitie
Vierde stap: voor rechter brengen, bijv taakstraf eisen
Vijfde stap: dwarsliggende ouder uit gezag zetten. (nu in civiele traject)
Dit zal een preventieve werking hebben, want het heeft het nu al voor de niet-verzorgende ouder.
Bovendien zal het hebben van een straftraject de civiele procedure in een nadelig daglicht zetten en ook daarom vermeden worden.
Vaders weten dit al, die gaan kapot maar lopen in de rij, moeders `verdienen` het dit te leren weten.
De minister refereerde aan een recente casus in Amsterdam: een moeder die dwars lag werd uit het gezag gezet. De kinderen wonen nog steeds de meeste tijd bij haar, maar op deze wijze is vader beschermd: hij kan nu subiet de politie inschakelen als hij in de weekenden niet de kinderen krijgt.
De band tussen vader en kind moet op dezelfde wijze beschermd worden als de band tussen moeder en kind. De overheid moet het voortouw nemen en kan heel goed de mentaliteit veranderen.
Denk aan het rookverbod: nu is niet-roken de norm. Denk aan de werkzaamheden aan de A10 in zomer 2004: er kwamen geen files.
Zo moet het gedrag van moeder beïnvloed worden met worden met wettelijke maatregelen en ruime publiciteit daarover.
Gezag, zorgplan en omgangsregeling: moeten hetzelfde zijn. Het gaat om de juridische regeling van de uitoefening van gezag.
Juridische scheiding tussen verzorging en gezag in onnatuurlijk, wordt niet begrepen en leidt tot excessen.
Het gezag van vader moet hetzelfde zijn als het gezag van moeder.
Bij eenzijdige verstoring: De handhaving moet met strafrecht, voor beide partijen op dezelfde wijze.
De minister ziet zorg en omgang als verschillend. Maar dit moet hetzelfde zijn: uit zorg moet hetzelfde betekenen als uit gezag.
Ouders zijn gelijkwaardig en hun relatie tot de kinderen moet dat ook zijn. Deze gelijkwaardigheid moet in de wet verankerd zijn.
Handhaving: wettelijke basis
Artikel 8.12 Rechtsvordering = sterke arm van rechtswege
Luchtenveld stelt: beschikkingen moeten gehandhaafd worden. De minister vraagt: waar is de executoriale titel?
Die kan verkregen worden door zorgplan te hechten aan de uitspraak van de rechter. Nadeel is dat dit alleen werkt bij huwelijken, niet bij samenwoningsrelaties.
De minister stelt: 8.12 Moet met grote terughoudendheid toegepast worden.
Maar wordt nu reeds toegepast in iedere voorlopige voorziening: daar is ouderlijk gezag nog niet geregeld, maar een ingreep op de voorlopige voorzieningen wordt met 8.12 rechtgezet.
Dit beschermt reeds, echter slechts een partij, de moeder, dus mist gelijkwaardigheid tussen ouders.
8.22 "Gezag"moet niet iets heel formeels zijn (vader ziet kind nooit meer , maar heeft wel gezag), het moet equivalent zijn aan omgang, zorg(plan).
2.79 Wetboek Strafrecht: onttrekking aan gezag.
De minister meent "Dit inzetten verstoort verhoudingen tussen ouders, werkt escalerend".
Maar we zetten het al in in de voorlopige voorzieningen. Moet voor 2 partijen gaan gelden.
De minister merkte op dat hij nu al te weinig politieinzet heeft. Mevrouw de Pater refereerde aan het feit dat ze al eerder had voorgesteld de Raad enkele politietaken, zoals het opmaken van een procesverbaal, te laten uitvoeren. Zojuist is het regeringsvoorstel voor een nieuwe wet naar de Kamer gegaan. De minister staat open voor praktisch werkbare voorstellen.
OZO denkt daar alvast over na.
Theo Nieuwenhuizen
Bespreking van het wetsvoorstel Luchtenveld
Eind mei waren er twee zittingen over het wetsvoorstel in de plenaire kamer.
Hier enkele voor ons relevante delen uit het verslag over de eerste zitting, waarin de partijen hem vragen stelden. Omwille van ruimtegebrek beperken we ons tot de twee grootste partijen.
Mevrouw De Pater-van der Meer
(CDA): Voorzitter. Een initiatiefwetsvoorstel van een collega verdient alleen al voor de geleverde prestatie en inzet waardering. Ik wil bij dit initiatiefwetsvoorstel van collega
Luchtenveld dan ook beginnen met het uitspreken van die waardering. Over dit voorstel valt een heleboel te zeggen. Eén belangrijk element komt overigens in de administratieve procedure niet tot uitdrukking: het horen van kinderen. Met het horen van kinderen bedoel ik nog iets anders dan dat kinderen formeel de gelegenheid wordt geboden om te zeggen wat zij ervan vinden. Met het horen van kinderen zou je veel gerichter om moeten gaan. Je zou echt naar kinderen moeten luisteren om er achter te komen wat werkelijk onder hen leeft rond de echtscheiding, zonder dat zij op een of andere manier gedwongen worden om een antwoord te geven dat hen uit motieven van loyaliteit handig voorkomt. Het was wel de bedoeling dat deze waarborgen zouden worden ingebouwd en dat rekening zou worden gehouden met de opvattingen van de kinderen. Maar het wordt nergens verplicht gesteld en dat is in strijd met internationale verdragen hierover.
OZO merkt hierover op: het horen van kinderen moet zoveel mogelijk vermeden worden. Kinderen zijn makkelijk manipuleerbaar door de verzorgende ouder.
Je mag kinderen niet verantwoordelijk maken over hun toekomst, daarvan kunnen ze de consequenties niet overzien.
Verstandige mensen moeten verstandige beslissingen over hen nemen. Een aparte advocaat voor kinderen is al helemaal een crime. Die zal vaak met alle partijen gaan vechten.
Ik kom vervolgens bij het ouderschapsplan, waarover indertijd ook een motie is ingediend. Daarover wil ik nog een opmerking van procedurele aard maken. In de schriftelijke behandeling heb ik gevraagd op wiens verzoek of op welk gezag de indiener het ouderschapsplan heeft meegenomen in zijn initiatiefvoorstel. Daarop is geen antwoord gegeven. Wel concludeert de indiener in zijn nota naar aanleiding van het verslag dat de regering andere keuzes maakt bij het ouderschapsplan, omdat de regering volgens de indiener niet uitgaat van de principiële gelijkwaardigheid van ouders. De indiener refereert hier aan de uitwerking die het kabinet geeft aan de motie over het ouderschapsplan. Nu heeft de Kamer het wetsvoorstel nog niet, maar naar ik heb begrepen is de advisering door de Raad van State inmiddels afgerond. Mijn vraag aan de minister is wanneer de Kamer toezending mag verwachten. Ik vraag dit om twee redenen. Ik ben nieuwsgierig naar wat de Raad van State heeft opgemerkt over het kabinetsvoorstel. Verder wil ik kunnen zien of kunnen vergelijken of en hoe het kabinet andere keuzes maakt bij het ouderschapsplan.
Ik meen dat het in dit huis gebruikelijk is dat de beweegredenen en de interpretatie die een indiener van een motie meegeeft, ook de te hanteren beweegredenen zijn. In dat opzicht moet mijn vraag bij de schriftelijke behandeling, naar voorafgaand overleg met de indieners over de moties die in dit initiatief zijn meegenomen, verstaan worden. Ik herhaal de vraag. Overleg is er voorzover mij bekend niet geweest. Dat is dan ook de reden dat ik met enige verbazing heb kennisgenomen van de conclusie in de nota naar aanleiding van het verslag, dat het kabinet andere keuzes maakt.
Collega Luchtenveld beargumenteert dat nader door te stellen dat de minister niet uitgaat van principiële gelijkwaardigheid van ouders. In het persbericht van het kabinet - en dat persbericht dateert al van maart - lees ik echter: ouders blijven gezamenlijk verantwoordelijk voor de kinderen, ouders zijn verplicht om de ontwikkeling van de band van het kind met de andere ouder te bevorderen (dat is de wederkerigheid) en een ouder heeft niet alleen het recht tot omgang, maar ook de plicht tot omgang. Voorzitter. Dit komt tot nu toe volstrekt overeen met wat ik als indiener van het ouderschapsplan indertijd bedoelde.
Ik zie ook niet waar hierin aan de ouders onrecht wordt gedaan. Over die gelijkwaardigheid wil ik nog wel iets zeggen. Als je in een ouderschap ervan uitgaat dat beide ouders ouder en volwaardig ouder blijven, moeten er zaken geregeld
worden. Vanzelfsprekend dient rekening gehouden te worden met de leeftijd van de kinderen. Hoe ouder de kinderen zijn, hoe meer met hun wensen rekening gehouden moet worden. Het kunnen blijven wonen in de eigen vertrouwde omgeving van het kind, de schoolkeuze en de buitenschoolse activiteiten zijn belangrijke criteria om tot afspraken te komen over de verblijfplaats van de kinderen.
Natuurlijk behoort een principeafspraak gemaakt te worden wie wanneer de feitelijke verzorging op zich neemt en hoe wordt omgegaan met de daaraan gekoppelde verzorgingskosten. Ook voor bijzondere situaties als zorg tijdens ziekte dient gezocht te worden naar zo praktisch mogelijke oplossingen. Daarnaast moet afgesproken worden welke verdeling van de weekenden, feestdagen en vakantieperiodes het best past bij de toekomstige situatie. Uitgangspunt is daarbij niet dat de zorg tot op de centimeter nauwkeurig fifty-fifty verdeeld wordt. Uitgangspunt is dat kinderen hun relatie met beide ouders kunnen continueren en met beiden voldoende eigen blijven om in vertrouwen tot zelfbewuste, zelfstandige volwassenen op te groeien en hun ouders voldoende tijd en ruimte krijgen om de verantwoordelijke opvoeder te kunnen blijven die zij zich bij het aanvaarden van het ouderschap hadden voorgenomen te zijn. Het zou een utopie zijn te veronderstellen dat een eenmaal vastgesteld ouderschapsplan tot aan de volwassenheid van de kinderen geldt. Er kunnen zowel in de situatie van de kinderen als van de ex-partners majeure veranderingen optreden die het wenselijk maken, afspraken te herformuleren. Maar wel altijd met het oog op het kind.
Of de interpretatie van collega Luchtenveld ook deze interpretatie van het ouderschapsplan is, weet ik niet. Ik vraag het. Ik zou ook kunnen lezen dat hij veronderstelt dat gelijkwaardig ouderschap pas mogelijk is wanneer beide ouders in de verhouding fifty-fifty de zorg en opvoeding van hun kinderen voor hun rekening nemen. Collega Luchtenveld neemt gelijkwaardigheid van partners als uitgangspunt voor zijn voorstellen. Dat klinkt weliswaar als van deze tijd, maar gelijkwaardigheid is meestal niet het vertrekpunt wanneer een huwelijk op de klippen loopt. Bij verreweg de meeste scheidingen blijkt dat man en vrouw in een ongelijke positie ten opzichte van elkaar staan, hetzij financieel of op andere manieren, hetzij als ouders. De kunst is dat zij in een ouderschapsplan en in de begeleiding naar dat ouderschapsplan dusdanige afspraken maken dat zij als ouders gelijkwaardig die positie in de toekomst kunnen voortzetten, waarbij volwaardig ouderschap iets anders veronderstelt dan het op de centimeter afpassen van een fifty-fiftyverdeling.
Het lijkt mij daarnaast zinvoller het begrip gelijkwaardigheid te reserveren voor de volwassenen die betrokken zijn bij de scheiding. Kinderen staan per definitie op achterstand. Zij zijn niet de oorzaak van het stuklopen van de relatie; zij zijn wel degenen die, zonder hun toedoen en soms zelfs zonder dat naar hun opvattingen is geluisterd, met de nadelige consequenties worden opgezadeld. Wat heb je als kind aan gelijkwaardige ouders, wanneer je in de toekomst tussen de ene en de andere gelijkwaardige ouder moet pendelen? Gelijkwaardigheid in het familierecht is vaker een fictie dan werkelijkheid. Ik geloof ook niet dat gelijkwaardigheid ontstaat bij proclamatie. Conclusie: gelijkwaardig en volwaardig ouderschap dient weliswaar uitgangspunt te zijn, maar een uiteindelijk opgelegde fifty-fiftyverdeling is daar niet per definitie het instrument toe.
Ik kom aan de motie over effectieve sancties bij het nietnakomen van afspraken inzake omgang en gezag, een motie van de heer Luchtenveld zelf. Mijn opmerkingen hierover sluiten aan bij wat ik zojuist heb gezegd. Wanneer één van de ouders de afspraken met betrekking tot omgang schendt of frustreert, kan in het voorstel van de heer Luchtenveld de andere ouder het geschil voorleggen aan de rechter, die dan binnen veertien dagen een comparitie gelast. Daarbij is nadrukkelijk in beeld dat de rechter een sanctie, zoals genoemd in de wet, aan de onwillige ouder oplegt.
De politie draagt er bijvoorbeeld zorg voor dat de kinderen op de afgesproken tijden omgang hebben of de onwillige ouder krijgt een dwangsom. In het meest extreme geval kan zelfs gijzeling van de onwillige ouder aan de orde zijn. Deze mogelijkheden staan de rechter nu reeds ter beschikking.
Wat de CDA-fractie betreft zou het echter goed zijn om ons af te vragen wat het sanctiemiddel betekent voor de kinderen die daarbij betrokken zijn. Ook daarvan zeg ik dat het nogal wat uitmaakt hoe oud het kind is en hoe het bepaalde sancties ervaart. Volgens de CDA-fractie moet de rechter zeker niet terughoudend zijn met het opleggen van stevige en effectieve sancties, maar bij dergelijke onwil liggen opvoedingsondersteunende sancties wellicht méér voor de hand of is misschien zelfs een tijdelijke ontheffing uit de ouderlijke macht aan de orde. Daarmee is ook duidelijk, zeker wat betreft oudere kinderen, dat opvoeden méér is dan op verschillende tijden bij verschillende ouders te verblijven die elkaar nog steeds het licht in de ogen niet gunnen. Ik acht de kans dat eventuele vechtscheidingen eerder voorkomen kunnen worden door strafsancties, zeer gering. Het lijkt mij als instrument soms zelfs bevorderlijk om de ex nog wat extra dwars te zitten.
Het belang van het kind vordert dat het opvoedingsklimaat rust en stabiliteit geeft; vandaar ook dat ik eerder zou overwegen om opvoedingsondersteunende maatregelen te bevorderen. Van belang daarbij is ook of de opvoeders een harmonieuze omgeving voor het kind weten te creëren. Is een omgeving waarin ouders hun conflicten via de sterke arm blijven uitvechten, ooit stabiel te noemen?
Om nog even terug te keren naar die gelijkwaardigheid met als basis de opgelegde fifty-fiftyverzorging: welk kind is ermee gediend de ene week te verblijven bij vader die voortdurend laatdunkend over moeder spreekt, en de andere week bij moeder die het niet kan laten bij iedere opmerking over vader van haar hart geen moordkuil te maken?
De notie dat opvoeding van en zorg voor kinderen méér veronderstelt dan recht op omgang op afgesproken tijden, moet minstens zoveel gewicht in de schaal leggen als op papier neergelegde wensen.
De comparitie die indiener bij geschillen voorstelt, zou ertoe kunnen leiden dat conflicten sneller tot een eind worden gebracht. Kan de indiener nog eens aangeven wat zijn voorstel van terugverwijzing naar een bemiddelaar extra toevoegt? Wanneer wij lang slepende conflicten of steeds oplaaiende conflicten via een snelle comparitie zouden kunnen verminderen, is dat voor de CDA-fractie overigens in beginsel een positieve bijdrage.
Ik kom op de motie van de heer Dittrich over de minimumnorm voor omgang. Het voorstel lijkt op zichzelf sympathiek. Wij kunnen navoelen vanuit welke overweging het voorstel wordt gedaan. Twee maal 24 uur per twee weken is toch wel het absolute minimum. Ik kom terug op de gelijkwaardigheid. Op zichzelf is daar hier al geen sprake van, maar juist het verplicht minimum kan de ouder die al een sterkere onderhandelingspositie heeft, nog een extra wapen in handen geven om te voorkomen dat er meer tijd voor de andere ouder en het kind komt. Is dat de bedoeling?
Collega Luchtenveld wil de Raad voor de Kinderbescherming een andere rol geven bij scheiding en voortgezet ouderschap. Deze rol zou slechts beperkt moeten worden tot begeleiding bij omgang in conflictueuze situaties na de scheiding. De praktijk is echter nu al dat het advies van de raad pas ingeroepen wordt wanneer ouders er zonder hulp niet uitkomen. Het heeft mij enigszins bevreemd dat in de stukken wel veel aandacht besteed wordt aan de raad, maar dat er overigens geen concrete voorstellen gedaan worden. Dat de huidige rol van de raad in scheidingszaken wordt betwist, staat buiten kijf. Het is vaak een gevolg van advisering. Soms stelt de raad voor een knoop door te hakken, waar ouders blijven twisten. Dat valt meestal in het nadeel van een der twistende partijen uit. Indiener ziet een meer bemiddelende rol voor de raad. Bemiddeling is een instrument ten behoeve van strijdende partijen.
De raad heeft echter een rol in het belang van het kind. Bij een echtscheiding is het kind wel partij, maar niet een twistende partij. Daarom vind ik de suggestie om de raad bemiddelend te laten optreden, niet zo erg gelukkig.
Wordt vervolgd.
OzoMottO:
IEDER UUR VERLIEST EEN KIND
EEN OUDER