Ozonieuws:
2004 - 4
(Pag. 2 en 3)
Donateursdag 24 okt. 2004
Het was, inclusief de oprichtingsbijeenkomst, alweer de zevende ontmoetingsdag in het driejarige bestaan van onze stichting. Ook nu was het programma nuttig en afwisselend.
De simpele aard van het probleem, zo kernachtig vervat in onze naam Ouders Zonder Omgang, betekent nog niet dat een oplossing simpel is. Eerder is het zo dat de schijnbare overzichtelijkheid van het probleem alles en iedereen met een mening of met brave bedoelingen in het geweer brengt.
Doordat echter het aantal relevante wetten beperkt is, is meteen ook de discussie beperkt tot de thema’s waarover de wetgever zich uitsprak. Dat betekent weer dat dezelfde gespreksonderwerpen toch veelvuldig aan de orde kunnen en moeten komen. Het programma van de laatste bijeenkomst bewees dat.
Na het welkomstwoord beet mr. Prinsen het spits af met een uiteenzetting en toelichting bij het initiatief wetsvoorstel van het VVD Tweede Kamerlid Ruud Luchtenveld.
Het is bekend dat mr. Prinsen belangrijke input leverde voor dit wetsvoorstel, waarvan in OZO-nieuws van september 2004 een presentatie verscheen en dat in extenso op onze website is te vinden. Ondanks deze eigen bemoeienis noemde hij enkele punten van twijfel en van gebrek.
De nogal makkelijke wijze waarop de afhandeling van een echtscheiding aan de rechter wordt gedelegeerd wanneer de echtelieden er zelf niet uit komen, draagt het gevaar in zich dat de probleemgevallen - dus de gevallen waar het juist om gaat - niet profiteren van de verbeteringen. Zodra kwaadwillende ouders of hun advocaat deze weg hebben opgemerkt, is immers te verwachten dat het rendement van de wetswijziging afneemt.
Een te corrigeren gebrek is vervolgens, dat in het Burgerlijk Wetboek de plicht van de ouders jegens elkaar om het contact van het kind met de andere ouder te eerbiedigen en bevorderen, als een eis van goed ouderschap moet worden vastgelegd.
Het zogeheten ouderschapsplan tenslotte, waarin de ouders de afhandeling van hun echtscheiding eerst zelf uitwerkten, draagt hetzelfde gevaar in zich als het beruchte echtscheidingsconvenant: het gevaar namelijk om een dode letter te worden.
Vervolgens gaf Arthur Ross kort de stand van zaken rond het proefproces dat bij Advocatenkantoor Wagenaar te Groningen in goede handen is.
Het richt zich tegen een gemeente die weigert om een vader te vertellen waar zijn kinderen naar schoolgaan. Ter inleiding van deze juridische weg is een nieuw verzoek gedaan dat zowel op het Burgerlijk Wetboek als op de voorschriften van de Wet Openbaarheid van Bestuur berust. Nadat dit verzoek was afgewezen volgde een bezwaarprocedure die bij het verschijnen van deze editie is uitgemond in een procedure bij de burgerrechter.
Nadere info volgt.
Aansluitend gaf Fred Sier een overzicht van de belemmeringen en blokkades die hij tegenkwam in zijn speurtocht naar informatie over zijn dochter. Zijn relaas is ook een triomfverhaal voor het betere internetspeurwerk.
Over enige medewerking van gemeentelijke autoriteiten heeft hij geen klagen gehad: die kwam er namelijk niet. De détails van deze kwestie zijn door Fred beschreven in een bijdrage die elders in deze editie is afgedrukt. Voor het globale beeld kan hier worden volstaan met de constatering dat ook een veronderstelde inbreuk op de privacy van zijn dochter (ja, U leest het goed) een geldig argument is om op basis van de Wob de gevraagde informatie (i.c. de naam van een school) te weigeren. Dat vond tenminste de Gemeente Leeuwarden, en zo bleek ook de Raad van State te oordelen. Als onze koningin die truuk had gekend was haar nichtje nu wellicht nog getrouwd geweest! Maar ach, dit muisje zou geen muisje zijn, als het niet ook nog een staartje zou krijgen. Nader piepen is te verwachten.
De laatste voordracht was van Theo Nieuwenhuizen. Hij toonde hoe de nieuw vormgegeven website van OZO er uit zal komen te zien, en onderstreepte het belang van het openbaar maken van beslissingen van rechtbanken, klachtencommissies, archiefstukken, van reacties in de pers en van politieke ontwikkelingen. Op al die onderdelen is onze website een vraagbaak en vindplaats die, naarmate zij verder wordt opgetuigd, alleen maar belangrijker zal worden.
Ook het reilen en zeilen van de stichting zelf is te volgen doordat de inhoud van elk nummer van OZO-nieuws, waarin ook elk jaar een zakelijke verantwoording, er is terug te vinden.
Het laatste woord bewaarde Theo voor bestuurslid van het eerste uur Dorrie van Uum. Sinds Dorrie zelf moeder is geworden, is zij met haar werk en de toenemende zorg voor haar ouders niet meer in staat het bestuurswerk vol te houden. Theo bedankte haar namens het gehele bestuur en hij wees Dorrie erop dat de aanwezigen, die haar nu zo goed kennen, er wel op zouden rekenen dat zij bij de volgende gelegenheid van de partij zou zijn.
Na de bloemen en het applaus kwam de troost van de afsluitende borrel, en voor rekening van de penningmeester.
_______
terug naar de top
(Pag. 4 t/m 6)
Lezing mr P. Prinsen, donateursdag
24 oktober 2004
Het wetsontwerp Luchtenveld
Wij krijgen nu een lobby over ons heen, de bemiddelingslobby. Indien u een misprijzende klank uit mijn mond hoort, dan komt die uit de grond van mijn hart. Bemiddeling kan de problematiek van integriteit van het ouderschap niet oplossen; ik ben daar dagelijks getuige van.
Er is een belangrijke stap gezet in de politiek: een wetsontwerp is bij de Tweede Kamer ingediend door Luchtenveld van de VVD.
Van oudsher staat deze partij het dichtst bij onze kijk op de ontwrichtende werking die scheiding in onze maatschappij heeft op de ouderkind relatie.
Het idee is voor de oplossing is: geen oorlog uitlokken, maar vrede proberen te bereiken.
Een initiatief wetsvoorstel wordt meestal ingediend door het ministerie. Het is vrij uitzonderlijk dat een kamerlid dat doet. Een voorbeeld, maar geen goed voorbeeld, is het belagingswetsontwerp (stalking) van Boris Dittrich.
Luchtenveld bouwt voort op een voorstel van Schonewille (LPF) over de mogelijkheid van scheiden zonder rechter. Dit was een uitvloeisel van bevindingen van de commissie de Ruiter in 1999.
Er was al langer een stroming om de rechter te omzeilen, omdat scheiding te omslachtig en onnodig polariserend gevonden werd.
Wat wij willen is gelijkwaardig ouderschap en dit is de tweede peiler van het ontwerp Luchtenveld.
Rechterloze scheiding is goed voor de scheidingsbemiddelingslobby. Er moet een convenant komen wat ingediend kan worden bij de ambtenaar burgerlijke stand. Dit convenant gaat onder andere over: vormgeven aan de zorg- en opvoedingsrelatie; verschaffen van informatie; contact opnemen over gewichtige beslissingen; kosten zoals alimentatie.
Maar wat echt nodig is, is gelijkwaardigheid. Vader moet naar de politie kunnen indien moeder het kind niet goed voorbereid op verblijf bij hem, of zelfs weghoudt. Als moeder onderduikt moet er strafvervolging dreigen.
Het preventieve effect daarvan is heel groot. Bemiddeling is niet nodig, een stok achter de deur wel.
De huidige praktijk is dat het convenant geschonden wordt, terwijl de rechter toekijkt.
"De kinderen willen op vrijdagmiddag niet mee" heet het. Aan vader ligt het niet.
Het moet aan moeder liggen, doordat ze de kinderen niet voldoende motiveert.
Maar de rechter gaat niet in deze gedachtegang mee.
Er moet in de wet vastgelegd worden dat ouderlijk gezag de plicht omvat om de ontwikkeling van de band met de andere ouder te bevorderen.
Een kind over wie ouders gezamenlijk gezag hebben, behoudt het recht op gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders.
In het originele ontwerp stond zelfs een "gelijk tijdsbeslag". Dit is nu vervangen door "gelijkwaardig". Indien vader beschikbaar is, moet ie het kind kunnen halen. Een "omgangsregeling" is zeker geen verbod op meer contact, zoiets is niet te tolereren.
De huidige regeling lokt strijd uit, omdat de ene ouder kan verzoeken de andere het gezag te ontnemen.
In het nieuwe ontwerp kan een ouder slechts verzoeken om de andere ouder geheel met het gezag te belasten.
Maar de handhaving lijkt niet goed te zijn opgelost in dit ontwerp.
"De ouder kan zonder procureur de zaak aan de rechtbank voorleggen".
Maar de rechtbank en de Raad voor de Kinderbescherming zijn uit de vorige eeuw.
"Binnen 14 dagen een zitting", maar wat indien dat alleen betekent dat de Raad ingeschakeld wordt en de beslissing wordt uitgesteld?
"Door de wet toegelaten dwangmiddelen inzetten" - te hopen is dat ze ook daadwerkelijk ingezet gaan worden. Rechters zijn er huiverig voor.
De politie heeft op vrijdagmiddag de instelling "loopt er bloed uit, anders kan het wachten tot maandag".
"De rechtbank kan verwijzen naar een scheidingsbemiddelaar": daar ligt nog steeds het gevaar op de loer van bemiddeling tussen een machtige en een kansloze partij.
Er is nog een ander punt: de oude gevallen, scheidingen van voor 1998. Een casus van Hof Leeuwarden: vader heeft geen gezag. Hij is ontvankelijk voor een eenzijdig verzoek.
Maar dat is naar de Raad voor de Kinderbescherming, het is nog niet toegewezen.
De minister denkt na over een wet voor de oude gevallen. Volgens artikel 8 van de Europese EVRM, heeft een biologische vader recht op omgang, ook in geval van "one-night-stand".
Het wetsontwerp is voorgelegd aan de Raad van State. Die kwam met enige aanmerkingen, maar het is in wezen niet aangetast.
Na deze beoordeling zijn enkele wijzigingen gemaakt, toevoegingen gedaan en commentaren aangehecht en is dit ontwerp op 7 december 2004 wederom aan de Tweede Kamer aangeboden.
Er wordt nu een datum gezocht voor de behandeling. Een initiatiefwetsontwerp heeft normaliter voorrang.
Ik heb ook mijn twijfels over het wetsontwerp. Wat de grootste boosdoeners veranderen er niet door:
Wat zit er nog steeds tussen de oren van rechters en Kinderbeschermers?
Echtscheiding is immers geen kinderbeschermingsmaatregel; wie dat zegt ontkent de menselijke natuur.
Voetstoots wordt het kind echter aan de moeder toevertrouwd, en vader wordt onderzocht. Dit duurt een jaar, in strijd met, in de eerste plaats, de belevingswereld van het kind.
Voor een kind is een jaar een leven lang, voor een ouder die zijn kind niet ziet ook.
Wat in de wet zou moeten is een verbod de Raad voor de Kinderbescherming in te schakelen, tenzij bij kinderbescherming. De Raad is niet nodig. Maar dit was nu een brug te ver.
Niettemin, er mag geen inhoudelijke discussie gevoerd worden: omgang moet. Bemiddeling als vervanging voor een goede wet: het werkt niet.
Naschrift:medio december wordt een datum voor de behandeling van het wetsvoorstel verwacht.
Die wordt op de OZO-website vermeld.
_______
terug naar de top
(Pag. 7 t/m 10)
Het verlangen naar informatie (deel 1)
(door Fred Sier)
In 1991 verdween mijn dochter uit mijn leven. Verdwijnen is niet het juiste woord. Moeder vertrok met mijn dochter naar het buitenland zonder verdere toelichting. Het besef dat je kind ergens nog op deze aarde rondloopt, maakt dat diep van binnen een (waak)vlammetje blijft branden. Want je kind verdwijnt wel uit je dagelijkse beeld, maar er is geen minuut van de dag dat je niet aan je kroost wordt herinnerd.
Zo zijn er momenten in je leven of omstandigheden die zich voordoen, waardoor het vlammetje oplaait tot een volwaardig brandende CV-ketel.
De momenten waarop de CV volop aan het branden is, worden gaande de jaren talrijker.
Halverwege de jaren 90 werd de informatieontwikkeling voor de burgers gestimuleerd. Dat kwam mede doordat pc’s (personal computers) door de overheid gestimuleerd werden door middel van subsidies (pc-prive projecten). Hierdoor nam de ontwikkeling op het gebied van internet ook met grote sprongen toe. Steeds meer mensen namen kennis van dit nieuwe medium. Daardoor werd ook steeds meer informatie met elkaar gedeeld. Zo ook informatie op het gebied van scheiding en omgang.
In oktober 1999 was mijn eerste internet aansluiting een feit. De toegenomen behoefte naar informatie over mijn dochter gecombineerd met het World Wide Web (WWW) oftewel het internet, resulteerde al gauw in het aanschrijven van scholen en andere instanties met doorgaans redelijke reacties. Maar nimmer concrete resultaten.
Er zijn momenten in je leven waarop je denkt: goh, er is meer tussen hemel en aarde. Je denkt dat eens de dag komt, dat je je dochter tegen het lijf loopt. Of dat je haar bijvoorbeeld toevallig tijdens een wintersport in een jolige bui vraagt of ze nog een biertje lust. Van die gedachten spoken dan door je hoofd. Groepen jongeren ga je ineens heel anders benaderen. Zit jouw dochter er soms tussen?? Is het soms dat grietje. Goh, ze lijkt wel wat op mij. Zal ik vragen….. etcetera etcetera.
Zo ook deze dag, op 26 mei 2002. Al surfend tref ik gegevens aan waaruit blijkt dat mijn ex in X woont of heeft gewoond. Zelfs het adres is herleidbaar. Nog diezelfde avond zit ik samen met mijn partner in de auto op weg naar X. Zoals gezegd, het is al avond en al redelijk laat. De zon begint te zakken en in de avondschemering vragen wij ons af, of het nog zin heeft om door te rijden. We moeten nogzoeken naar de straat in een redelijk onbekend gebied van deze stad.
Hoewel ik in mijn enthousiasme, met een lijf vol adrenaline, ben vertrokken uit Y, maakt het enthousiasme plaats voor de relativering. We hebben al zo lang gewacht, die ene dag moet toch ook wel kunnen? Kortom, bij plaats Z besluiten we maar naar huis te rijden en de volgende dag een nieuwe poging te wagen.
Die nacht doe ik uiteraard geen oog
dicht. Al vroeg op weg naar het werk. Met medeweten van mijn leidinggevende vertrek ik ’s middags naar plaats X.
Om ter plaatse wat flexibeler te zijn neem ik mijn fiets mee. Dat heeft zo zijn voordelen. In mijn fietskloffie ben ik redelijk anoniem. Even buiten de stad parkeer ik mijn auto en met de fiets ga ik op verkenning uit. In de buurt van het mij bekende adres gieren de zenuwen mij door de keel. Zal er iemand zijn? Zal mijn dochter buiten spelen? Zou ze nog op school zitten? Hoe zal het met haar gaan? Op de stoep van het vermoedelijke woonadres maakt de euforie plaats voor de onvermijdelijke teleurstelling. Het huis staat leeg en er staat een bord in de tuin. Te koop!
Een buurman gevraagd of hij de bewoner kende? Nou en of. Engels prekend. Hoeveel kinderen er waren. In ieder geval twee. Of hij ook een meisje kende van een jaar of veertien met de naam NN. Ja, natuurlijk, en ook Engels sprekend. Al doorvragend verbaast de man zich over mijn aanwezigheid. De verbazing is verklaarbaar, zo blijkt. De bewoners hebben gisteren(!) het huis leeggehaald. Of laten leeghalen. Blijkbaar heeft (groot-)vader dat gedaan. Op de vraag of de buurman wist of ze hier nog ergens woonden komt een gissing.
Misschien wonen ze elders in de stad.
Stilletjes weet ik eigenlijk al dat ze waarschijnlijk al weer naar het buitenland vertrokken zijn.
Informatie halen bij de gemeente via de leerplichtambtenaar
Met de wetenschap dat mijn dochter waarschijnlijk ook onderwijs heeft genoten in die stad, meld ik mij bij de Raad voor de Kinderbescherming. Die verwijst mij door naar de leerplichtambtenaar van de stad.
Omdat ik informatie op het internet gevonden heb in vergelijkbare situaties, vraag ik aan deze ambtenaar of ik schoolinformatie over mijn dochter kan krijgen. Er zijn immers voorbeelden waaruit blijkt dat de leerplichtambtenaar de informatie dient te verstrekken. De gevraagde informatie wordt echter niet verstrekt.
De weg die ik in dergelijke bewandel is eerst een informele poging (bijvoorbeeld via de telefoon). Na afwijzing van het gevraagde volgt hetzelfde verzoek, maar dan schriftelijk. Ook in het onderhavige geval werd deze werkwijze gevolgd.
Ondertussen was ik druk aan het zoeken (internetters spreken van “googelen”) geslagen op het internet. Met zoekacties als “leerplichtambtenaar informatie school” - inclusief de quotes, beland je op sites waarop nuttig informatie te vinden is. Met wat creativiteit kom je uit op een site van de leerplichtambtenaren. Hier wordt geadviseerd de informatie te allen tijde te weigeren. Dat verklaart later de houding van de beleidsmedewerker, die het roer van de leerplichtambtnaar overnam.
Na het eerste aftasten dreig ik ook op een dood spoor te lopen.
Het zoekwerk op internet heeft een nieuw contact opgeleverd: STOZO. Via een mailwisseling leg ik het probleem voor. Later volgt telefonisch overleg, wat daarna uitmondt in het begin van een vriendschap, of zo u wilt, een gedeelde interesse. Met de voorbeeldbrieven die ik van de STOZO site geplukt had op het gebied van het burgerlijk wetboek (artikel 377c), krijg ik van de wethouder op 9 december 2002 een definitief “nein!” Het toeval wilde dat STOZO namens een van haar leden ook schoolinformatie had proberen te bemachtigen. Die poging was bij de bestuursrechter gestrand. STOZO adviseert mij het eens met een WOB-procedure te proberen.
Het kerkkoor klinkt, de fanfare loopt uit, de tamboer maître laat van schrik zijn stok vallen. De wob klinkt mij bekend in de oren.
Begin jaren negentig had ik al eens met succes een beroep op de WOB gedaan om een incasso-opdracht van het LBIO boven water te krijgen. Het LBIO (Landelijk Bureau Inning Onderhouds bijdrage) komt namelijk alleen in actie als de opdracht gegeven wordt door een alimentatiegerechtigde. In mijn geval bleek, dat de opdracht door een buitenstaander was gegeven. Met tot gevolg dat deze instantie onwettig had gehandeld. Om een lang verhaal kort te maken: ik had enige ervaring met de Wet Openbaarheid Bestuur.
Enfin. Op 24 december 2002 resulteert dit in het WOB-verzoek aan de gemeente via de fax. De Wet Openbaarheid bestuur is een instrument om overheidsinformatie boven water te krijgen. Het moet dan gaan om een bestuurlijke aangelegenheid. Leerplichtgegevens van je kind vallen onder de noemer “bestuurlijke aangelegenheid”. Het mooie van de WOB is dat er redelijk strakke tijdslijnen zijn voorgeschreven. De overheid dient bijvoorbeeld binnen 2 weken te reageren. Er is niet aangegeven hoe het verzoek moet worden gedaan.
Ter informatie: dat kan bijvoorbeeld ook mondeling.
Voor de zekerheid stuur ik na de fax een brief, zo rond de jaarwisseling. Opgrond van deze brief reageert de gemeente op 14 januari 2003. Het verzoek wordt afgewezen. Binnen 6 weken kan bezwaar worden aangetekend. Op 22 januari volgt het bezwaar van onze kant. Een uitnodiging voor de hoorzitting bij de advies/bezwarencommissie volgt een paar dagen later.
De hoorzitting vindt plaats op 18 februari 2003. De commissie brengt op 10 april 2003 een negatief advies uit. In het advies komt tot uiting dat artikel 377c boek 1 Burgerlijk Wetboek (BW) als een speciale wet moet worden beschouwd ten opzichte van de Wob.
Daarnaast blijkt dat de leerplichtambtenaar ook in het kader van art. 1:377c BW om informatie kan worden gevraagd. De adviescommissie heeft blijkbaar liever te maken met een verzoek op grond van het BW. Op 15 april 2003 neemt de gemeente het advies over en weigert de gevraagde informatie te geven. Daartegen kan binnen 6 weken beroep worden aangetekend.
Het beroep wordt op 26 mei 2003 ingebracht. Dan volgt een lange, lange stilte. Die stilte wordt opgevuld met verdere zoektochten op het internet. Alle grote scholengemeenschappen in de gemeente worden opgezocht en via mail aangeschreven. Heel kort en zakelijk, met het verzoek te reageren. Er volgt weinig tot geen reactie. De vakantie breekt aan, en de zoektocht wordt na de vakantie voortgezet.
Op 5 februari 2004 wordt het beroep bij de rechtbank behandeld.
Op 3 maart volgt de uitspraak. Omdat de gevraagde gegevens herleidbaar zijn tot persoonsgegevens en omdat het (persoonlijk) belang van de vader geen belang is dat in het kader van de wob kan worden toegepast, volgt een afwijzing van het beroep. Binnen zes weken kan hoger beroep worden aangetekend bij de Raad van State.
Op 8 april wordt een voorlopig hoger beroep ingediend. Op 4 mei volgt het formele beroepschrift. Dit wordt behandeld op 28 oktober 2004 door de raad van State.
Met een gerust hart vertrekken we op 28 oktober naar Den Haag voor de zitting bij de raad van state. De zitting zien we met vertrouwen tegemoet. Het maakt ook niet uit wat de uitkomst zal zijn, al zal een positieve uitslag een kaartenhuis in Nederland doen omvallen.
(Wordt vervolgd)
_______
(Pag. 11 en 12)
Statistieken
Met statistieken is alles te bewijzen, ook het tegendeel. Wat wordt bewezen zijn echter niet de statistieken zelf, maar een stelling.
Enige tijd geleden kwam Tamar Fischer in het nieuws. De media comprimeerden haar promotieonderzoek tot de niet geheel correcte conclusie dat kinderen van gescheiden ouders het op school niet slechter doen dan kinderen uit klassieke twee-oudergezinnen.
Op zichzelf is dat raar, want uit allerlei ander onderzoek blijkt dat kinderen van gescheiden ouders het juist in vrijwel elk opzicht wèl slechter doen. Dat wordt ook door Fischer, zelf van gescheiden ouders (Freud lacht in zijn vuistje!), niet bestreden.
Wat het onderwijs betreft is er mogelijk iets aan de hand, dat de statistieken minder objectief maakt dan zij ogen. Een leraar is er immers niet op uit om zichzelf een slechte naam te bezorgen, en zal er dus zeker niet op uit zijn om leerlingen een slechtere beoordeling te geven dan zij verdienen. Het is zelfs aannemelijk dat een leraar, die weet dat een kind het moeilijk heeft omdat zijn ouders zijn gescheiden, dit kind tegemoetkomt door bijvoorbeeld van een 5½ een klein zesje te maken: een “zielig” kind zal eerder worden overgewaardeerd dan een niet-zielig kind.
Als dit niet onverwachte fenomeen zich inderdaad zou manifesteren in het onderwijs, dan kan de conclusie uit gelijke cijfers voor beide categorieën van kinderen slechts zijn, dat kinderen van gescheiden ouders inderdaad
slechter presteren dan gewone kinderen en dat dit aan het oog (van Tamar Fischer o.a.) wordt onttrokken.
Bovenstaande hypothese, die althans met kennis van de berichtgeving in de media niet kan worden ontzenuwd, zou impliceren dat de conclusie die Tamar Fischer presenteerde onwaar is. Dus haar onderzoek zou dan plotseling tot de tegenovergestelde conclusie nopen.
De moraal is: wees royaal met statistieken, maar zuinig met het trekken van conclusies.
In dit verband is het grappig dat men in Nederland rap klaar staat met conclusies ( zie o.a. Het Verdeelde Kind van dr. E. Spruijt e.a. ), maar een broertje dood heeft aan harde getallen.
Hoeveel van de via omgangshuizen succesvol opgestarte omgangsregelingen lopen nog na twee maanden, een jaar, vijf jaar? Hoe vaak wordt een advies aan de rechtbank, bijvoorbeeld door de Raad voor de Kinderbescherming, opgevolgd, en hoe vaak is de status quo ook na één jaar of vijf jaar nog ongewijzigd?
Wie antwoord zoekt op dergelijke vragen ziet zich voor een onmogelijke opgave gesteld en vraagt zich dus af op welk onderzoek Spruijt c.s. zich baseerden voor hun conclusies in Het Verdeelde Kind. Zij stelden daarin o.a. dat professor Gardner dan wel het PAS-syndroom had ontdekt, maar dat hem ook wel werd verweten dat hij een “hired gun” was voor de ouders zonder omgang, en dat die omstandigheid toch wel een fikse streep door de PAS-rekening was.
Een “hired gun” is zoiets als een huurmoordenaar, hier dus een ingehuurde getuige tegen de door de RvK en andere adviseurs afgewezen ouder.
Het cynische toeval wil dat het Gardner zelf was die dit mogelijke verwijt bedacht, en weerlegde. Dat deed hij om zijn eigen integriteit en de robuustheid van zijn PAS-theorie te bewijzen.
Spruijt ontkrachtte dus het voor de RvK zo gevaarlijke PAS syndroom met argumenten die door Gardner zelf waren bedacht en als ondeugdelijk afgewezen.
Spruijt ontmaskerde zichzelf als hired gun voor de RvK waar de RVK meende dat de duurbetaalde Spruijt de juistheid van het raadswerk bewees.
Jaren later legde Spruijt, in het tv-programma Tegenlicht, met een bezorgd gezicht uit wat PAS is en wat de risico’s ervan zijn. Daarbij bleek dat hij de essentie van PAS echter helemaal niet had onderkend.
De brutaliteit van dit soort deskundigen doet snakken naar droge statistieken die weliswaar verkeerd kunnen worden begrepen, maar die tenminste zelf vrij zijn van smetten
_______