Ozonieuws:
2003 - 4

Stichting Ouders Zonder Omgang

 

 

 

 

 

 

Donateursdag 26 oktober 2003

Thema: Bureau Jeugdzorg

 

Geen storm dit keer, of een warm en zonnig voorjaarsweer dat mensen weghield. Het was een mooie herfstdag waarop de bossen rond Oosterbeek zich in hun rijkste kleurenpracht toonden. Thema was dit keer Bureau Jeugdzorg, de juridische verankering ervan, de inrichting en de doelstellingen ervan en de barre realiteit van het werk der hulpverleners. Die harde werkelijkheid is zo moeilijk te pareren dat met name in de advocatenwereld, die toch al op de proef wordt gesteld door de dwang van voortdurende bijscholing en het achterna jagen van de waan van de dag, uitputting en ontgoocheling zichtbaar om zich heen grijpen. Het is de strijd van David tegen Goliath, David in dit geval met op de rug gebonden handen, en aan het been een ketting en een blok.

 

Met die handicaps was de reis naar Oosterbeek, begrijpelijk maar helaas, voor met name de van verre komende advocaten een te zware opgave. Ook mr. Prinsen, steun en toeverlaat voor elke ouder zonder omgang, was door werkdruk gedwongen zich af te melden.

Toch werd opnieuw, hoewel nipt, een record geregistreerd van 29 bezoekers.

 

Omdat de stichting langzamerhand op financieel vastere grond is beland, kon het bestuur besluiten de consumpties van de dag voor rekening van de stichting te laten zijn. Dit  ook als gebaar naar de donateurs die door hun aanwezigheid het door OZO gecoördineerde verzet de nodige steun geven.

 

Twee voordrachten op het programma van de steeds meer optimistisch getoonzette bijeenkomst. In de eerste plaats belichtte mr. Miranda Verlegh met een vlotte voordracht de juridische achtergronden van het werk en de invloed van Bureau Jeugdzorg. 

 

Uit de zaal kwamen vragen die haar bijna een uur aan het woord en het werk hielden. De tekst waarop zij haar voordracht baseerde is in deze uitgave vanaf pag. 3 opgenomen, zodat de bezoekers in de gelegenheid zijn om te beoordelen hoe vaardig zij de vragen en commentaren uit de zaal behandelde.

 

Na de pauze formuleerde Ronald Bijl een aantal karakteristieken van het praktische werk van Bureau Jeugdzorg, welke vervolgens werden getoetst aan enkele krantenartikelen en aan een voorbeeld uit de praktijk van de rapportage door Bureau Jeugdzorg. (zie pagina 5)

 

Tevens toonde hij hoe op deze rapportage een reactie werd vervaardigd die een maximum aan effect sorteert, bij een minimum aan redactie-eisen.

Het gepresenteerde voorbeeld is (bijna) op de website van de stichting op te zoeken en na te lezen.

 

De borrel na afloop was als vanouds gezellig. Dat is op het eerste gezicht tamelijk opmerkelijk, omdat het geen gemeenschappelijke hobby of activiteit is, die de bezoekers bijeen bracht, maar gedeelde ellende.

Van gezamenlijk steunen en klagen heeft echter nog nooit iemand goeie zin gekregen, en dus vindt de opgewekte en correcte fighting spirit die door ons allen wordt gepropageerd steeds meer gehoor en navolging: BJZ en RVK mogen op hun tellen gaan passen, ozo!

terug naar de top

 

“De bemoeienis van BJZ in juridisch perspectief”

door Mw. mr. W.C.G. Verlegh

advocaat/(echt)scheidings-bemiddelaar

 
Algemeen

 

Bureau Jeugdzorg dient te zorgen voor voorzieningen voor kinderen en ouders met opgroei- en opvoedingsproblemen. Deze organisatie valt onder de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Justitie.

 

Ouders en kinderen kunnen op 2 manieren in aanraking komen met het BJZ, te weten:

 

a.   via de vrijwillige hulpverlening.

         Ouders en/of kind zoeken zelf contact met het BJZ met een hulpvraag. Deze vrijwillige hulpverlening valt onder het ministerie van VWS.

b.   via de geïndiceerde hulpverlening.

      Dat wil zeggen de dwingend opgelegde hulp  van BJZ dit betreft met name jongeren die extra bescherming nodig hebben of in contact zijn gekomen met het jeugdstrafrecht. Deze hulpverlening valt onder het ministerie van justitie.

 

Ik zal het hierna met name hebben over de dwingend opgelegde hulpverlening van BJZ.

 
Nieuwe Wet op de Jeugdzorg

 

Op 1 januari 2004 zal de nieuwe Wet op de Jeugdzorg in werking treden. Jongeren krijgen dan een wettelijk recht op jeugdzorg.

 

Onderwerpen die bij de totstandkoming van deze wet zijn betrokken zijn onder meer: een betere werking van de jeugdzorg, gezinscoach als directe ondersteuner van gezinnen met meervoudige problematiek, verbetering van informatieoverdracht tussen instanties.

 

Doel van de nieuwe Wet op de Jeugdzorg is om een actievere aanpak vanuit bureau jeugdzorg te creëren.

Ik verwacht dat er in de praktijk voorlopig niet echt veel zal veranderen en dat degenen die thans reeds te maken hebben met BJZ dan ook niet veel zullen merken van de nieuwe wet.

terug naar de top  

 

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

 

De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing is in de wet geregeld in de artikelen 1:254-265 BW. De kinderrechter beslist over verzoeken tot ots en uhp en heeft de rechtsprekende taak. De Raad voor de Kinderbescherming dient toezicht te houden op de uitvoering van de ots (en de uhp) en heeft dus de uitvoerende taak.

 

Met de maatregel van ots wordt het ouderlijk gezag niet ontnomen, maar beperkt. De bedoeling van de ots is om het kind mét het gezin te redden in een situatie dat het kind in zijn geestelijke of lichamelijke belangen of gezondheid ernstig wordt bedreigd.

Een ots is er niet op gericht de band tussen het kind en zijn ouders te verbreken, maar juist om deze in stand te houden. De verzorging en opvoeding blijven in handen van de ouders, die daarin worden bijgestaan door de gezinsvoogdij-instelling.

 

Wat is de grond voor een ots? Wanneer kan een ots worden uitgesproken? Daarover gaat artikel 1:254 BW. Dit artikel bepaalt dat indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, de kinderrechter de minderjarige onder toezicht kan stellen.

 

Hoe komt zoiets nou bij de kinderrechter terecht? Met andere woorden wie kan ots vragen? Ook dat is in de wet vastgelegd. Een ots kan op verzoek van een ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt of de Raad vd Kinderbescherming, dan wel op vordering van het OM, worden uitgesproken.

 

In de wet staat dat “een ouder” het verzoek kan doen. Dat houdt in dat een ouder ook tegen de wil van de andere ouder zich tot de kinderrechter kan wenden. In de praktijk worden echter vrijwel alle verzoeken ingediend door de RvdK. De Raad zal een onderzoek hebben ingesteld voordat hij een verzoek tot ots doet.

 

De duur, verlenging en opheffing van de ots zijn eveneens wettelijk geregeld. De ots kan voor maximaal 1 jaar worden uitgesproken. De rechter kan een andere termijn vaststellen. In de praktijk is het echter standaard dat de ots voor de duur van 1 jaar wordt uitgesproken. De rechter kan telkens voor 1 jaar tot verlenging overgaan. Degenen die bevoegd zijn tot het indienen van een verzoek tot ots zijn ook bevoegd tot het indienen van een verzoek tot verlenging.

 

                                                                           4

Daarnaast is de gezinsvoogdij-instelling bevoegd. Verlenging impliceert dat de grond voor de ots nog niet is vervallen. Indien de gezinsvoogdij-instelling besluit niet over te gaan tot het indienen van verzoek tot verlenging van de ots is de gezinsvoogdij-instelling verplicht de RvdK daarover in te lichten. De RvdK kan dan nog zelfstandig beoordelen of zij verlenging wel zinvol acht. De Raad dan alsnog een verzoek tot verlenging indienen.

De kinderrechter dient de ots opheffen indien de grond daarvoor niet langer bestaat. Hij kan dit doen op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling, de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van 12 of ouder.

 

Wat is de taak van de gezinsvoogdij-instelling als er een ots is opgelegd?

Zij dient toezicht te houden op de minderjarige en dient er voor te zorgen dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder hulp en steun worden geboden om de bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige af te wenden. Die hulp en steun dient erop gericht te zijn de met het gezag belaste ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding zoveel mogelijk te laten behouden. De gezinsband dient te worden gestimuleerd.

De gezinsvoogdij-instelling kan dan aanwijzingen geven en deze zijn niet vrijblijvend, ze dienen te worden opgevolgd door ouder en/of minderjarige.

 

Tot uithuisplaatsing mag slechts worden overgegaan als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijk of lichamelijke gesteldheid.

 

Het mag ook alleen indien hetgeen wat men met de ots wil bereiken, niet kan worden bereikt als het kind bij de ouders blijft wonen. Een verzoek tot uhp kan worden gedaan door de gezinsvoogdij-instelling.

 
Klachten

 

Als iemand een klacht heeft over de hulp van BJZ wordt in eerste instantie de klacht besproken met de betreffende medewerker, eventueel gevolgd door een gesprek met de leidinggevende. Daarna kan een klachtenbrief worden geschreven aan de klachtencommissie van BJZ. De klachtencommissie dient dan binnen 7 werkdagen te berichten aan degene die de klacht heeft ingediend en ook de betreffende medewerker wordt dan ingelicht over de klacht. De klacht wordt behandeld door een commissie van 3 leden, waarvan de voorzitter niet in dienst is bij BJZ.

De klager en degene waarover het gaat mogen een toelichting geven op de klacht. Dit kan in een hoorzitting gebeuren. Op zo’n hoorzitting worden alle partijen uitgenodigd. De klager, de commissie, de medewerker en de directeur van de medewerker krijgen inzage in de gegevens. Binnen 6 weken na ontvangst van de klacht dient de commissie een uitspraak te doen of de klacht gegrond is. Als de klager het niet eens is met de uitspraak van de commissie kan hij binnen 6 weken in beroep gaan bij de provinciale klachtencommissie.

 

terug naar de top

 

                                                                       

          

“Het werk van Bureau Jeugdzorg (BJZ) in de praktijk”

door Ronald Bijl

 

In deze voordracht werden een aantal karakteristieken van de werkwijze van BJZ weergegeven.

Deze karakteristieken, die tegelijk representatief en voldoende volledig moeten zijn, laten zien waarom het zo vaak mis gaat, en wel mis moet gaan, in de gezinsvoogdij.

 

De organisatievorm van een BJZ is de stichting. Aan de stichting wordt een verzoek tot ondersteuning gedaan, binnen de stichtingsorganisatie wordt zo’n verzoek behandeld.

 

Het werk van Bureaus Jeugdzorg staat model voor veel vormen van hulpverlening. Een van de voornaamste karakteristieken daarvan is, dat de hulpverleners zelf vaststellen wie wel en geen hulpvrager is. En ook wat de aard en omvang van zijn hulpvraag is. Daarvoor ontbeert de hulpvrager namelijk, volgens BJZ, de vereiste deskundigheid.

Door intrede van de vrije markt in het sociaal maatschappelijke domein kwamen termen als vraag- en aanbodgestuurde hulpverlening in zwang. In de dagelijks praktijk is echter slechts sprake van aanbodgestuurde jeugdzorg. Dat vloeit direct voort uit die exclusieve “ deskundigheid” van de hulpverlener.

 

Het werk van BJZ is meestal ingebed in een juridisch kader. Dat impliceert een regelmatige verantwoording van de verrichte werkzaamheden bij de rechter.

 

Van die werkzaamheden wordt een schriftelijke rapportage en de reacties daarop van betrokkenen, besproken en beoordeeld in een rechtszitting.

 

Binnen Bureau Jeugdzorg zijn diverse disciplines werkzaam waaronder:

 

1)     Praktijkleiders (geven leiding aan gezinsvoogden en interne deskundigen)

2)     Gezinsvoogden (komen in beeld als een minderjarige, in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel, onder toezicht wordt gesteld)

3)     Interne deskundigen

4)     Administratief personeel

 

T.a.v. van de gezinsvoogd kan worden vermeld dat deze slechts de opvoedingssituatie van de minderjarige in de gaten houdt, dus niet de ouders maar het kind staat onder toezicht. Indien ingrijpen door een gezinsvoogd noodzakelijk wordt geacht dan zijn er een 3-tal mogelijkheden.

 

-        het maken van afspraken tussen diverse partijen (ouders)

-        het geven van een schriftelijke aanwijzing (gebeurt zelden tot nooit)

-        een verzoek indienen bij de rechtsbank voor uithuisplaatsing van de minderjarige

 

Na deze inleiding werd verder ingegaan op het functioneren van BJZ waarbij naar voren kwam dat de handelswijze van BJZ zich kenmerkt als een verdeel en heers tactiek die voor beide ouders slecht uitpakt. Duidelijk kwam naar voren dat de werkzaamheden een positieve invloed hadden op de zorgouder en een negatief effect op de omgangsouder hetgeen weer versterkt wordt door het feit dat BJZ niet aan waarheidsvinding

 

Als gevolg hiervan wordt duidelijk dat de jaarrapportage niets meer is dan een spoor volgen dat reeds eerder was uitgezet door de RvK.

 

Aan de hand van 2 recent geplaatste krantenartikelen in het Algemeen Dagblad waarin Bureau Jeugdzorg een cruciale rol speelt, werd duidelijk gemaakt waarom er inderdaad  zoveel misgaat bij BJZ.

 

Een mogelijkheid tot verzet biedt een klachtenprocedure. Inmiddels is er vanuit Stichting OZO een systeem ontwikkeld dat het mogelijk maakt om op betrekkelijk eenvoudige wijze een klachtenprocedure op te starten. Aan de hand van een reeds opgestelde jaarrapportage van BJZ kreeg een ieder te zien dat door het plaatsen van letters voor de regels en alinea’s in het rapport een inzicht wordt gegeven over de vele misvattingen, onwaarheden, beschuldigingen in zo’n rapportage. Voor velen kwam dit rapport over als een kopie van de eigen ervaringen hetgeen bevestigt dat de betrokken instanties nog weinig hebben geleerd van hun fouten uit het verleden. Hopelijk kunnen klachtenprocedures een bijdrage leveren aan verbetering van de werkwijze van BJZ.

Hiermee werd de tweede voordracht op deze wederom succesvolle donateursdag afgesloten.

 

terug naar de top

 

 

Wat doet OZO?

 

De stichting Ouders Zonder Omgang is een verzetsbeweging tegen de misstand die familierecht heet. Dat betekent: niet zeuren, maar aanpakken.

Om serieus te worden genomen moet deze wijze van aanpakken wel boven kritiek verheven zijn.

Dus van ongecontroleerde beschuldigingen, van voorbijgaan aan waarheidsvinding, van bedenkelijke deskundigheid en van onnauwkeurig taalgebruik mag geen sprake zijn, en van overtredingen van de regels van hoffelijkheid en fatsoen evenmin. Om een maximum aan effect te bereiken geldt dat juist het verzet op correcte wijze gestalte moet worden gegeven, dat er nooit onbewezen of onbewijsbare stellingen mogen worden betrokken.

 

In de statuten van OZO worden de fundamentele maatschappelijke deelgebieden genoemd waarop de stichting zich wil manifesteren: de wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht.

 

De wetgevende macht wordt gevormd door het parlement, de Tweede Kamer, en in mindere mate de provincies en de gemeenten. Voor het familierecht berust het primaat bij de Tweede Kamer. Om daar invloed uit te kunnen oefenen wordt vanuit OZO en niet-frequent contact met een aantal portefeuillehouders onderhouden. Het probleem dat hier is gesteld, be-helst het organiseren en structureren van een geregeld overleg van waaruit effectief invloed kan worden uitgeoefend, zodat OZO niet langer is aangewezen op een plaatsje in het koor der smekelingen dat zich dagelijks tot de kamerleden wendt.

 

De wensen van OZO, die met name dankzij het stuwende werk van mr. Prinsen voor een breed politiek publiek in hapklare brokken konden worden gepresenteerd, zijn allang aan de politici ter kennis gebracht. Het probleem nu is het politiek uitwerken en het actualiseren van deze wensen.

In de uitvoerende macht bevinden zich de apparaten van het Ministerie van Justitie (als Raad voor de Kinderbescherming en Bureaus Jeugdzorg) en de uitvoeringsorganen van andere ministeries als Onderwijs (scholen), en die van gemeenten. Bij die uitvoering moeten steeds ambtelijke en wettelijke zorgvuldigheidseisen in acht worden genomen. Schriftelijke vastlegging van allerlei acties, en dossiervorming, zijn daarvan de meest inzichtelijke en controleerbare.

 

In de rechtsprekende macht tenslotte wordt de afstemming tussen wet en uitvoering getoetst in het strafrecht en het civiele recht, waar het familierecht een onderdeel van is.

Dankzij de schriftelijke stukken die de uitvoerende macht produceert zijn er tal van burgerlijke interventies mogelijk, en in een aantal gevallen zelfs voorgeschreven. Wie te maken krijgt met de Raad voor de Kinderbescherming bijvoorbeeld, wordt naar zijn mening over de rapportage gevraagd.

 

Donateurs van OZO kunnen hulp krijgen bij het reageren op rapporten en het opstellen van klachtschriften. Reacties worden door de instanties wel netjes doorgestuurd en gearchiveerd, maar van invloed op het werk en de besluitvorming zijn zij bijna nooit: zo werkt de bureaucratie nu eenmaal het liefst.

 

Gelukkig kan in een klachtenprocedure het negeren van reacties en van andere inbreng aan de kaak worden gesteld. Soms komt daarbij het terrein van de rechtspraak in zicht. Dan is het zaak om de klacht en de beslissing daarop aan de advocaat door te geven. Ook daarbij kan OZO hulp verlenen.

 

In de rechtspraak worden geschillen beslecht, maar ook precedenten geschapen: jurisprudentie gemaakt. De aanleiding daartoe kan “overal” liggen, ook in een door of met OZO geëntameerde of geïnitieerde procedure: een proefproces. De financiële situatie is (nog) niet van dien aard dat OZO zich in rechtszaken grotelijks kan manifesteren, maar aan het eerste proefproces wordt op dit moment al wel gewerkt.

Waarschijnlijk kan al de volgende keer verslag worden gedaan van het eerste proefproces met OZO. Dat wordt hopelijk spectaculair nieuws.

 

Op de website wordt van elke klachtzaak, al dan niet succesvol, de beslissing geanonimiseerd weergegeven. Tevens is daar een groeiend aantal beschikkingen te vinden, uiteraard eveneens geanonimiseerd.

 

De website en in mindere mate het OZO-nieuws zijn dus de podia waarop de stichting haar bezigheden verantwoordt en waarop zij zich presenteert. Presentatie vond daarnaast plaats in enkele kranteninterviews, op de radio en in de vorm van ingezonden stukken in de pers.

 

OZO biedt hulp aan donateurs op voorwaarde dat die hun stukken per e-mail opsturen in de vorm van echte MS-Word teksten (geen faxen of andere plaatjes  van een tekst dus).

Die hulp behelsde aanvankelijk alleen het schrijven van brieven en klachtschriften, maar sedert kort is er ook een financiële expertise aan het ontstaan.

 

Last but not least houdt OZO een zeer goed bereikbare telefoondienst in de lucht waar men meer in huis heeft dan alleen maar een luisterend oor. Dat mag ook wel eens gezegd.

terug naar de top