OB021212
OPEN BRIEF d.d. 12-12-2002
Aan de Minister van
Justitie
Inzake: OMGANGSONRECHT
Meneer de Minister,
Met wanhoop hebben ondergetekenden kennis genomen van uw brief aan de Tweede
Kamer inzake het experiment omgangsbemiddeling. Ondergetekenden zijn prominente
vertolkers van de gevoelens van tientallen duizenden getroffenen, vooral vaders
(voor een deel ook moeders) die zich het slachtoffer weten van een in belangrijke
mate disfunctionerend, vaak haatzaaiend familierecht.
Jaarlijks verliezen door familierechtelijk overheidsingrijpen c.q. -nalaten meer dan 16.000 kinderen geheel of grotendeels het contact met hun vader, alleen al na echtscheidingen. Daar komen bij de kinderen uit verbroken partnerrelaties. Cumulatief over de jaren is er sprake van honderdduizenden ontwrichte levens. Hoe kan het, dat dit feit u primair de vraag ontlokt of hier niet sprake is van een private aangelegenheid waarvoor de ex-partners/ouders uitsluitend zelf verantwoordelijkheid dragen?
Met het opwerpen van deze vraag komt uw brief op ons vooral over als een apologie, als een handen wassen in onschuld, alsof er geen rechters zijn die een cruciale rol behoren te spelen bij het beschermen van waarden en handhaven van normen, alsof er geen Raad voor de Kinderbescherming is die moraliserend de dienst uitmaakt in het familierecht, alsof er geen advocaten zijn die met het zaaien van tweedracht voor hun cliënt aan het langste eind trekken. Alsof het zogenaamde 'belang van het kind' niet keer op keer datzelfde kind van oogappel tot twistappel maakt, de ouders tegen elkaar uitspeelt, hen uiteindelijk monddood maakt, zodat het belang van het kind lijkt te verworden tot een dekmantel voor willekeur. Ons ontgaat uw visie op wat er fundamenteel aan de hand is in het familierecht, hoe het "werkt". Het familierecht provoceert tweedracht. Het familierecht verkwanselt waarden. Het familierecht stelt normen bij nadat waarden zijn opgegeven. Uit onmacht, om erger te voorkomen, zo denken de rechtsplegers; nee, goedbedoeld, maar uit onbedachtzaamheid het kwaad uitlokkend, zeggen ondergetekenden.
Ondergetekenden stellen
u gaarne de volgende vragen:
1. Herinnert u zich dat de Commissie De Ruiter heil zag in bemiddeling bij
(echt-)scheiding omdat zou moeten worden voorkomen dat kinderen schade ondervinden
van een scheiding van hun ouders?
2. Wat vindt u van de opvatting van uw eigen partij, dat bemiddeling geen wondermiddel is, geen machtsmiddel, maar een (zeer waardevol) hulpmiddel?
3. Wat vindt u van het standpunt van uw eigen partij dat met betrekking tot de omgangs- en scheidingsproblematiek omvattender naar de wetsartikelen moet worden gekeken en dat de gegroeide praktijk in de discussie moet worden betrokken?
4. Bent u niet van mening
dat art. 1:247 BW, luidende:
(1) Ouders hebben de plicht en het recht hun minderjarige kind te verzorgen
en op te voeden;
(2) onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid
voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen
van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid
versterkt zou moeten worden en opgeworpen zou moeten worden tegen de gegroeide
praktijk, die het beginsel van gelijkwaardig ouderschap vergeten schijnt te
zijn, althans die de gelijkwaardigheid van beide ouders - van nature ook beleefd
door het kind - geheel en al weginterpreteert?
5. Wat vindt u van onze waarneming dat de structureel ongelijkwaardige behandeling van de ouders, die ouders tegen elkaar uitspeelt en daarmee de oorzaak is van een haatzaaiend effect van het familierecht?
6. Hoe denkt u het optreden van de advocaten meer in de gewenste richting te leiden? Hoe denkt u te voorkomen dat de ouder met de sterkste positie door de eigen advocaat kan worden ingefluisterd dat zij (soms 'hij') bij de bemiddelaar of bij de rechter zonder risico de hakken in het zand kan zetten, als de verwijten aan de andere ouder maar hard genoeg gesteld zijn? Advocaten zoeken nu eenmaal de ruimte in de wet om het voordeel van hun cliënt te maximaliseren. Moet u niet, naast te bemiddelen tussen de ouders buiten de wet, ook de advocaten aanspreken via de wet? Zouden veel advocaten hun cliënten niet pas tot schikkingsbereidheid gaan bewegen zodra de wet de gelijkwaardigheid van de ouders op een niet-vrijblijvende manier waarborgt?
7. Heerst over bemiddeling niet een te euforische stemming? Neigen wij er niet te veel naar de zwakke kanten weg te redeneren? Is over de bemiddelingsexperimenten niet te rooskleurig gerapporteerd? Hebben de bemiddelingsexperimenten niet aangetoond dat van bemiddeling, hoe veel belovend ook, de gehoopte verbetering niet echt zal doorbreken, zolang niet de gelijkwaardigheid van beide ouders structureel wordt gewaarborgd, fundamenteel moralisme plaats maakt voor waarachtige autonomie, het willekeurige 'belang van het kind' als maatstaf wordt vervangen door 'waarden en normen'?
8. Denkt u niet dat er behoefte is aan wetenschappelijk, rechtspsychologisch onderzoek om te komen tot een herijking van de gegroeide praktijk, en onderzoek naar de mogelijkheid om vanuit de autonomie van ouders te komen tot een vrede uitlokkend familierecht?
Ondergetekenden hopen op een visionair antwoord.
Den Haag, 12 december 2002.
Hoogachtend,
Mr. Ir. P.J.A. Prinsen, advocaat
Drs. Peter Tromp, Stichting Kind en Omgangsrecht
Drs. Ipe Smit, actiecomité "Stop Omgangsonrecht"
Joep Zander pedagoog en publicist
Theo Richel, journalist
L.C.J. Bevaart, Stichting Dwaze Vaders
Drs. T.P. Barendse-Cornelissen, Vereniging Kinderen - Ouders - Grootouders
Dr. Th.M. Nieuwenhuizen, St. OZO (Stichting Ouders zonder Omgang)
A.J.B.A. Ross, St. OZO
D. E. Lamping
Drs. W.Q.J.M. Orbons
Ad Verdiesen, Gescheiden Vaders Nederland
Ronald Bijl
Dorrie van Uum
Bas van 't Hoff, inspecteur van politie
Wouter Hanhart
Ing. Paul Bastianen, Stichting Kind en Omgangsrecht