NR040506

Weg met de katteluikjes, weg met de bepoteling door de overheid.
NRC 2004-05-06

Elk voorjaar zijn door scheiding verbroken ouder-kindrelaties een vast onderwerp op de politieke agenda en dus in de media. Elk voorjaar ontspruiten goed bedoelde ideeën en maatregelen uit de breinen der beleids- en nieuwsmakers, maar steeds wendt God zich wenend af want elke keer weer drijven de dommen Hem tot wanhoop.

Verbroken ouderrelaties zorgen in de hele wereld voor problemen. Er is geen land dat een sluitende wetgeving heeft met een passende handhaving van de wetten. In Nederland-gidsland werd in 1971 eerst de echtscheiding sterk vereenvoudigd. Emancipatie, feminisme, democratisering, persoonlijke ontwikkeling en vrijheid waren de golven waarop het volk meteen ook maar werd bevrijd van de knellende banden van het huwelijk. Mat als gevolg een explosie van het aantal verbroken ouderrelaties en van het aantal kinderen dat alle contact met een ouder verloor.

Twintig jaar lang was de omgangsproblematiek het domein van deskundigen en hulpverleners die de rechtbanken adviseerden. Zij lokten strijd tussen de ouders uit door hun open oor voor o.a. valse beschuldigingen, en faalden. In 1990 greep de wetgever in: omgang werd een recht, een wettelijk erkend belang van het kind. Maar de deskundigen, nooit vies van goede bedoelingen, zorgden voor katteluikjes in de wet opdat zielige uitzonderingen niet het slachtoffer zouden worden van wat voor de meerderheid was uitgedacht: er kwamen wettelijke uitzonderingsbepalingen. Deze nieuwe kans om de andere ouder te dwarsbomen werd meteen massaal benut. Aldus leverde de wetswijziging een voortzetting van de oude cultuur op, niet een leniging van omgangsnood.

Dat het middel inderdaad erger was dan de kwaal, bleek toen de wetgever in 1998 nogmaals de wet aanscherpte om het verbreken van ouder-kind relaties te voorkomeb: voortzetting van het ouderlijk gezag na echtscheiding werd toen de wettelijke norm.

Ook dat hielp niet. Het primaat van wet en rechtspraak was in verval geraakt door het doorschuiven van de problematiek naar het domein der hulp-deskundigen, en dit verval werd door handhaving van het ouderlijk gezag niet gestuit. Het was eerder andersom: het ouderlijk gezag werd door de hulpsector juist vaak gepresenteerd als een hindernis op weg naar een oplossing. Eerst werd soms een ouder zonder omgang van het ouderlijk gezag ontheven, maar al spoedig veranderde dat: het ouderlijk gezag bleef gehandhaafd terwijl in de praktijk ouders verstoken bleven van omgang en informatie over hun kinderen omdat dat, volgens de hulpsector, in het belang was van het kind. Het ouderlijk gezag werd dus uitgekleed, met het belang van het kind als vertrouwd katteluikje om aan wet en recht te ontsnappen – wij waren terug bij Af.

Het aanmodderen duurt voort. De rechtspraak laat zich nog steeds adviseren door hulpverleners die hun goede bedoelingen benadrukken maar niet aan waarheidsvinding doen. Die klinkklare onzin in hun rapporten schrijven, die niet weten aan wie het laatste woord toekomt, die de wet niet kennen. Omdat de rechtspraak dat allemaal onbewogen duldt, blijven de problemen bestaan en blijft het onderwerp elk jaar weer terugkeren op de agenda.

Dit keer heeft een groepje hoogleraren gepleit voor een betere bescherming van de kinderen bij echtscheiding. Het zal wel. Brave pleidooien zijn net zo ongenaakbaar als goede bedoelingen, en net zo ineffectief.

De maatregelen die Kamer en kabinet overwegen komen ook niet verder. Het landelijke netwerk van omgangshuizen dat D66 voorstelt, behelst de institutionalisering van verdachtmaking en bepoteling van de relatie tussen het kind en zijn ouder, op last van de andere ouder. Dit netwerk zal de strijd na de scheiding slechts meer uitlokken.

Van bemiddeling en ouderschapsplannen, die (ook) door andere fracties worden gepropageerd, is al vastgesteld dat zij niet werken. De Raad voor de Kinderbescherming bijvoorbeeld, doet al jaren aan bemiddeling, en tevergeefs. Dat beklijvende convenanten zeldzaam zijn, bewijst de nieuwe vondst van ouderschapsplannen zelf al.

Goede bedoelingen werken niet bij burgers die met de handen in de zakken toekijken hoe in Venlo, Leeuwarden en Amsterdam hun medeburgers een man doodschopten. Wat werkt is een wet die geen knieval maakt voor de uitzondering, is een rechtspraak die de wet toepast in plaats van uitholt, is een consequente handhaving van rechterlijke uitspraken. En stevig verzet tegen de uitvoerende instanties natuurlijk, eh, in het belang van het kind.

 

Arthur Ross, Stichting Ouders Zonder Omgang