NOB0610

Inleiding

In deze zaak heeft klager uit NOB012 verder onrecht te verduren.
Deze klacht gaat over handelingen van de politie, of juist het ontbreken daarvan:
Een proces-verbaal werd niet aangepast,
tijdens insluiting op het bureau werden geen medicijnen en dekens verstrekt,
er werd een onjuist persbericht over hem verstrekt,
maar een aangifte dat dit smaad zou zijn, werd niet opgenomen.

 

-------------------------------------------------------------------------------

KLACHT

2006-10-17

Verzoeker, die op 10 januari 2005 is aangehouden, klaagt erover dat ambtenaren van het regionale politiekorps Brabant Zuid-Oost hebben geweigerd het proces-verbaal van zijn verhoor overeenkomstig zijn verzoek aan te passen en vervolgens opnieuw ter ondertekening aan hem voor te leggen.

Voorts klaagt verzoeker erover dat ambtenaren van het regionale politiekorps Brabant Zuid-Oost hem tijdens zijn insluiting op het politiebureau op 10 januari 2005 geen deken en geen medicijnen hebben verstrekt, ondanks zijn uitdrukkelijke verzoek daartoe.

Verzoeker klaagt er verder over dat ambtenaren van het regionale politiekorps Brabant Zuid-Oost in januari 2005 een onjuist persbericht over hem aan de media hebben verstrekt. In dit verband klaagt verzoeker er verder over dat ambtenaren van het regionale politiekorps Brabant Zuid-Oost zodanige gegevens over hem aan de pers hebben verstrekt, dat de berichtgeving naar hem was te herleiden.

Tot slot klaagt verzoeker erover dat politieambtenaren van het regionale politiekorps Brabant Zuid-Oost hebben geweigerd zijn aangifte ter zake smaad en/of laster (vanwege de inhoud van voormeld krantenartikel) op te nemen.

BEOORDELING

Algemeen

Verzoeker scheidde in 2000 van zijn echtgenote, mevrouw X. Uit dit huwelijk is op 9 november 1992 een zoon geboren, Y. Verzoeker en zijn ex-echtgenote zijn sinds de echtscheiding in een juridische strijd verwikkeld over een omgangsregeling tussen verzoeker en zijn zoon. In 2002 verhuisden de ex-echtgenote en de zoon van verzoeker naar Valkenswaard. Mevrouw X heeft vervolgens diverse malen contact opgenomen met het regionale politiekorps Brabant Zuid-Oost met de mededeling dat zij en haar zoon werden lastig gevallen door verzoeker. Dit heeft geleid tot verschillende politiecontacten met verzoeker.

Op 10 januari 2005 om 11:53 uur hielden twee ambtenaren van het regionale politiekorps Brabant Zuid-Oost verzoeker bij de basisschool van zijn zoontje aan ter zake verdenking van overtreding van artikel 285b, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr; zie Achtergrond, onder 1.). Verzoeker werd vervolgens overgebracht naar het politiebureau Valkenswaard alwaar hij werd voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Diezelfde dag werd verzoeker om 16:55 uur in vrijheid gesteld.

Verzoeker kon zich niet verenigen met het politieoptreden en heeft daarover in verschillende brieven zijn ongenoegen geuit. De korpsbeheerder verklaarde al de klachten van verzoeker ongegrond en verwees verzoeker voor een verdere behandeling van zijn klachten naar de Nationale ombudsman.

I. Ten aanzien van de weigering het proces-verbaal van verhoor aan te passen

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt erover dat politieambtenaar R. heeft geweigerd het proces-verbaal van zijn verhoor overeenkomstig zijn wensen aan te passen hoewel hij hem daarom diverse malen heeft verzocht. Verzoeker merkte in dit kader op dat de desbetreffende politieambtenaar slechts zijn eigen verhaal wilde optekenen en daarmee voorbij is gegaan aan hetgeen daadwerkelijk was gebeurd.

2. In reactie op deze klacht gaf de korpsbeheerder aan niet te begrijpen waarover verzoeker klaagde. De door verzoeker op 10 januari 2005 afgelegde verklaringen waren immers allemaal door hem ondertekend. Bovendien stond in die verklaringen duidelijk vermeld dat verzoeker van mening was onschuldig te zijn.

3. Bij zijn reactie zond de korpsbeheerder een afschrift mee van de drie verklaringen die verzoeker op 10 januari 2005 had afgelegd en ondertekend.

4. Nadat het standpunt van de korpsbeheerder voor commentaar was voorgelegd aan verzoeker, bleef verzoeker bij zijn standpunt dat de desbetreffende politieambtenaar had geweigerd zijn verklaring in de bewoordingen van verzoeker op te nemen.

5. Verzoekers klacht had betrekking op de door hem op 9 november 2004 ten overstaan van de politieambtenaren R. en B. afgelegde verklaring. Verzoeker was die dag op de basisschool van zijn zoontje aangehouden omdat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan lokaalvredebreuk en aan bedreiging en mishandeling van enkele leerkrachten. Bij aanvang van het onderzoek van de Nationale ombudsman was dit niet duidelijk omdat verzoeker tijdens een telefoongesprek met een onderzoeker van het Bureau Nationale ombudsman aangaf dat hij met zijn klacht doelde op de door hem op 10 januari 2005 afgelegde verklaring. Bovendien heeft verzoeker gedurende het onderzoek van de Nationale ombudsman nimmer laten weten dat de op dit punt in onderzoek genomen klacht niet juist was geformuleerd.

Gelet op het feit dat het hier echter geen complexe klacht betreft en het feit dat de korpsbeheerder bij toezending van het verslag van bevindingen in de gelegenheid is gesteld op deze klacht te reageren, heeft de Nationale ombudsman besloten ook recht te doen aan deze klacht van verzoeker en alsnog een oordeel te geven over de al dan niet gegrondheid hiervan.

6. Verzoeker heeft in dit kader een afschrift van het proces-verbaal van zijn verhoor op 9 november 2004 overgelegd. Onderaan deze verklaring staat vermeld: "verdachte tekent niet".

7. Daarnaar gevraagd, liet verzoeker nog weten dat in de opgestelde verklaring ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat hij naar de school van zijn zoontje was gegaan om een kennis van hem een cadeau aan zijn zoon te laten overhandigen. Volgens verzoeker had hij echter slechts met de leerkracht van zijn zoontje afgesproken dat hij een cadeau voor zijn zoon bij de school zou afleveren. Wie dit cadeau aan zijn zoontje zou overhandigen, was voor verzoeker helemaal niet belangrijk. Verder wilde verzoeker in zijn verklaring opgenomen zien dat het hoofd van de school had gezegd dat als de politie ermee akkoord ging, de school ervoor zou zorgen dat het cadeau aan verzoekers zoontje zou worden overhandigd, maar dat hij deze toezegging op het moment dat de politie ter plaatse kwam, had ingetrokken.

Beoordeling

8. Het vereiste van professionaliteit houdt in dat ambtenaren met een bijzondere training of opleiding jegens burgers overeenkomstig de standaarden van hun beroepsgroep handelen, in dit geval de standaarden voor de verslaglegging in een proces-verbaal van het verhoor van een verdachte. In artikel 29, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv; zie Achtergrond, onder 2.) wordt voorgeschreven dat de verklaring van een verdachte zoveel mogelijk in zijn eigen woorden dient te worden opgenomen in het proces-verbaal. In de toelichting op dit artikel staat verder nog vermeld dat de verklaring van de verdachte zo precies en zuiver mogelijk dient te worden weergegeven. Het is dus uitdrukkelijk de bedoeling dat de verklaring van de verdachte zo precies mogelijk op papier wordt gezet en niet de - mogelijk gekleurde - inzichten van de verhorende ambtenaar.

9. Hetgeen verzoeker op 9 november 2004 tegenover de beide politieambtenaren precies heeft verklaard, is achteraf niet meer vast te stellen. Wel is vast komen te staan dat verzoeker zijn verklaring niet heeft ondertekend. De verhorende politieambtenaren hebben echter niet aangegeven wat de reden hiervoor is geweest. Om die reden en gelet op de verklaring van verzoeker, houdt de Nationale ombudsman het erop dat verzoeker zijn verklaring niet heeft ondertekend omdat hij het niet eens was met de inhoud hiervan.
Teneinde recht te doen aan het bepaalde in artikel 29, derde lid Sv, had van de verbalisanten mogen worden verwacht dat zij de door verzoeker voorgestelde wijzigingen in het proces-verbaal hadden opgenomen. Het is de Nationale ombudsman ambtshalve bekend dat dit in de praktijk echter veelal niet gebeurt. Veelal zijn het de verbalisanten die - met het oog op een eventuele latere veroordeling - bepalen wat wel en niet in de verklaring wordt opgenomen. Dit betekent dat verklaringen van verdachten meestal niet nauwkeurig worden overgenomen maar dat vooral wordt aangesloten bij de formuleringen uit het Wetboek van Strafrecht.
In het geval een verdachte aangeeft het niet met de opgestelde verklaring eens te zijn en deze om die reden niet te willen tekenen, wordt er meestal voor gekozen de verklaring zonder ondertekening in het proces-verbaal op te nemen in plaats van de verdachte de mogelijkheid te bieden de verklaring overeenkomstig zijn wensen aan te passen. Hiermee wordt echter niet gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 29 Sv. Uiteraard is het niet de bedoeling dat het opstellen van een verklaring eindeloos wordt vertraagd omdat een verdachte keer op keer aangeeft daarin wijzigingen te willen aanbrengen. In die gevallen kan er echter voor worden gekozen de gang van zaken in het proces-verbaal van verhoor te omschrijven en daarbij nauwkeurig aan te geven wat de reden is geweest voor het feit dat de verdachte zijn verklaring uiteindelijk niet heeft willen ondertekenen.

10. Nu van dit laatste in dit geval geen sprake was, althans daarvan niets is gebleken, heeft de politie door verzoeker niet in de gelegenheid te stellen zijn verklaring overeenkomstig zijn wensen aan te passen, in strijd gehandeld met het vereiste van professionaliteit.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

II. Ten aanzien van het niet verstrekken van dekens en medicijnen

Bevindingen

1. Verzoeker geeft aan dat hij tijdens zijn insluiting op het politiebureau meermalen heeft gevraagd om zijn medicijnen. Deze medicijnen had verzoeker bij zich maar waren tijdens de insluitingsfouillering van hem afgenomen. Verder stelde verzoeker ook diverse malen te hebben gevraagd om een deken tegen de kou. Keer op keer werd tegen hem gezegd dat er zo iemand bij hem zou komen maar uiteindelijk is er niemand verschenen. Verzoeker vindt deze gang van zaken niet juist.

2. In reactie op deze klacht gaf de korpsbeheerder aan dat verzoeker op 10 januari 2005 om 11:53 uur werd aangehouden en nog diezelfde dag om 16:55 uur in vrijheid werd gesteld. Verzoeker is die dag ingesloten in een cel op het politiebureau van Valkenswaard welke volgens de korpsbeheerder op normale wijze was verwarmd zodat er geen enkele reden was om aan verzoeker een deken te verstrekken. Overigens wordt, zo merkte de korpsbeheerder op, normaal gesproken alleen een deken verstrekt bij insluitingen voor de nacht. Verder gaf de korpsbeheerder aan dat over het al dan niet verstrekken van medicijnen aan verzoeker, nergens iets stond vermeld. Gelet op het tijdstip waarop verzoeker was verhoord, ging de korpsbeheerder er echter van uit dat in het geval verzoeker daadwerkelijk om zijn medicijnen had gevraagd, hij die zonder enige twijfel zou hebben gekregen.

3. Daarnaar gevraagd liet verzoeker de Nationale ombudsman weten dat hij per dag diverse medicijnen gebruikt omdat hij een aandoening aan zijn longen heeft. Blijkens een door verzoeker overgelegde medische verklaring heeft verzoeker last van een "ernstige astma bronchiale".
Volgens verzoeker gebruikt hij voor deze aandoening een medicijn waarvan hij viermaal daags twee puffen moet nemen, een medicijn waarvan hij vier- tot zesmaal daags één puf moet nemen en een medicijn dat hij, afhankelijk van de mate van benauwdheid, twee à driemaal daags moet innemen. Ook gaf verzoeker aan éénmaal per dag een tablet in te nemen in verband met zijn maagklachten.

4. Navraag bij de korpsbeheerder wees uit dat van het verblijf van verzoeker op het politiebureau in Valkenswaard geen aantekening is gemaakt in het arrestantenregister omdat verzoeker, aldus de korpsbeheerder, in een ophoudcel ingesloten is geweest en omdat betrokkene binnen de wettelijke termijn van ophouden weer in vrijheid is gesteld.

Beoordeling

5. Het vereiste van correcte bejegening houdt onder meer in dat bestuursorganen zich in hun bejegening van burgers hulpvaardig opstellen. Het vereiste van correcte bejegening brengt in dit geval met zich mee dat de politie de omstandigheden moet creëren waarin de gezondheid en het welbevinden van personen die zijn ingesloten op onder meer het vlak van medische zorg moet zijn gewaarborgd. De politie dient er dus voor te zorgen dat aan ingeslotenen in een politiecel de noodzakelijke medische zorg wordt verleend. In dit verband bepaalt artikel 32, eerste lid van de Ambtsinstructie voor de politie, dat in het geval er aanwijzingen zijn dat een ingeslotene medische bijstand behoeft dan wel er bij deze persoon medicijnen zijn aangetroffen, de ambtenaar met de arts overlegt (zie Achtergrond, onder 3.).

6. Op het punt van de verzorging van verzoeker heeft de korpsbeheerder geen gegevens kunnen overleggen. De korpsbeheerder voerde hiertoe aan dat verzoeker niet in een cel ingesloten is geweest zodat er geen arrestantenregister met betrekking tot verzoeker is bijgehouden. Later kwam daar het argument bij dat vermelding in het arrestantenregister niet aan de orde was omdat verzoeker binnen de wettelijke termijn van ophouden weer in vrijheid was gesteld. Beide standpunten zijn niet juist. Gelet op de definitie van artikel 1 van de Ambtsinstructie (zie Achtergrond, onder 3.) was verzoeker tijdens zijn verblijf op het politiebureau in de ophoudruimte aan te merken als een "ingeslotene". Gelet hierop waren de bepalingen met betrekking tot ingeslotenen (zie Achtergrond, onder 3. en 4.) ook toen op verzoeker van toepassing. Dit brengt met zich mee dat verzoeker in het arrestantenregister diende te worden geregistreerd en dat daarin gegevens met betrekking tot de verzorging van verzoeker dienden te worden vastgelegd. Gelet op het ontbreken van verzorgingsgegevens en gelet op verzoekers stelling op dit punt, gaat de Nationale ombudsman ervan uit dat aan verzoeker, ondanks zijn verzoeken daartoe, geen medicijnen en deken zijn verstrekt.

Ten aanzien van het niet verstrekken van medicijnen

7.De Nationale ombudsman is van oordeel dat indien, zoals in dit geval, een arrestant om medicijnen vraagt, de politie zo spoedig mogelijk uitsluitsel dient te verkrijgen over de noodzaak van toediening van die medicijnen.
Voorkomen moet namelijk worden dat een arrestant de voor hem bestemde medicijnen niet of pas op een veel later tijdstip krijgt uitgereikt. Dit kan alleen middels het raadplegen van een arts. De politie is immers niet gekwalificeerd om zelfstandig te oordelen over de noodzaak en wijze van medicijnverstrekking. Dit is alleen anders in het geval het van levensbelang is om direct in te grijpen. Door in het geheel niet te reageren op het verzoek van verzoeker, heeft de politie in strijd gehandeld met het vereiste van correcte bejegening.

Op dit punt is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.

Ten aanzien van het niet verstrekken van een deken

8. Hoewel niet meer valt vast te stellen of het op het moment dat verzoeker was ingesloten warm of koud was in de cel, ziet de Nationale ombudsman niet in waarom aan arrestanten, die aangeven dat ze het koud hebben, in normale omstandigheden, geen deken kan worden verstrekt. Dit vormt namelijk slechts een kleine moeite. Door verzoeker op zijn verzoek een deken te onthouden, heeft de politie ook op dit punt gehandeld in strijd met het vereiste van een correcte bejegening.

De onderzochte gedraging is ook op dit punt niet behoorlijk.

III. Ten aanzien van het persbericht

Bevindingen

1. Op 11 januari 2005 verscheen in het Eindhovens Dagblad het volgende bericht:

"Op de (…)straat in Valkenswaard is gisteren rond het middaguur een 52-jarige man uit Boxmeer aangehouden. De man stond bij de school van zijn zoon en protesteerde daar met pamfletten tegen de omgangsregeling met zijn zoon. De man heeft zijn ex-vrouw, zijn zoon en de school in het verleden vaker lastig gevallen. Hij mag zich volgens een gerechtelijke uitspraak niet bij de school van zijn zoon ophouden. De man kreeg een proces-verbaal en is na zijn verhoor in vrijheid gesteld."

2. Verzoeker klaagt er nu over dat in het persbericht ten onrechte staat vermeld dat hij zijn ex-vrouw, zijn zoontje en de school van zijn zoontje meermalen zou hebben lastig gevallen alsmede dat hij zich volgens een gerechtelijke uitspraak niet bij de school van zijn zoontje mocht ophouden. Verder klaagt verzoeker erover dat in dit krantenartikel zodanige persoonsgegevens staan vermeld, dat het artikel gemakkelijk naar hem is te herleiden.

3. Tijdens de interne klachtenprocedure bij de politie heeft politieambtenaar Bx per brief van 22 maart 2005 gereageerd op deze klacht van verzoeker. In die brief staat, voor zover van belang voor het onderzoek, het volgende vermeld:

"Resteert derhalve nog het krantenartikel. Ik wil u daarop het volgende mededelen.

Het moge duidelijk zijn dat zaken waarmee de politie in het dagelijks werk geconfronteerd wordt, in de media kunnen verschijnen. De speciaal daarvoor in het leven geroepen afdeling "persvoorlichting" bekijkt dagelijks de zogeheten dagrapporten van alle politieafdelingen en destilleert daar zaken uit die vervolgens in beknopte vorm aan de media worden verstrekt. Dit vindt plaats in het kader van openheid van beleid. Een uitzondering daarop vindt slechts plaats als publicatie een onderzoeksbelang zou doorkruisen, of als een publicatie een privacybelang ernstig zou schaden. Ik stel mij op het standpunt dat daar in dit geval geen enkele sprake van was. Gelet op uw positie realiseer ik mij wel dat de vermelding van het negeren van een straatverbod bij u de nodige reactie kan hebben opgeroepen. In dat licht wil ik u wel wijzen op het feit dat ten tijde van het verschijnen van het artikel hier de mening heerste dat u wel degelijk een straatverbod had.
Deze mening was ingegeven door een verkregen afschrift van een gerechtelijk vonnis waarin een en ander vermeld was. Een ten behoeve van de Nationale ombudsman ingesteld onderzoek (zie Achtergrond, onder 5.; N.o.) rond die tijd door de al genoemde inspecteur heeft overigens inmiddels voldoende duidelijkheid verschaft over de juiste stand van zaken en is nu bij de juiste mensen binnen mijn afdeling bekend. Mocht u - voor zover dat gelet op de verstreken tijd nog door u relevant geacht worden - toch nog een rectificatie wensen, dan zal u zich overigens dienen te richten tot de redactie van genoemde krant."

4. In reactie op deze klacht gaf de korpsbeheerder aan dat de politie Brabant Zuid-Oost een open en transparante organisatie is waarbij een mediavoorlichting past die inhoudt dat de politie melding maakt van hetgeen zij doet. Dit geldt zeker voor zaken die een relatie hebben met stalking of huiselijk geweld omdat die zaken momenteel volop in de belangstelling staan en de impact hiervan op slachtoffers zeer groot is. Het beleid is dat met respect voor de privacy van betrokkenen, slechts feitelijke informatie wordt verstrekt tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet of het belang van de betrokkene daardoor ernstig wordt geschaad. Nu de verstrekte informatie niet herleidbaar was naar verzoeker, was van dit laatste volgens de korpsbeheerder geen sprake. Slechts zij die bekend zijn met de situatie zullen volgens de korpsbeheerder beseffen dat het om verzoeker ging. Daar heeft verzoeker aldus de korpsbeheerder kennelijk geen probleem mee omdat hij zelf regelmatig in de publieke ruimte optreedt om aandacht te vragen voor zijn situatie. Ter illustratie hiervan legde de korpsbeheerder een krantenartikel over waarin verzoeker met naam en foto staat vermeld.

Beoordeling

5. Behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen heeft een ieder recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Dat brengt met zich mee dat een bestuursorgaan bij berichtgeving aan de media de identiteit van personen in beginsel geheim houdt. Conform de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging is het voor het Openbaar Ministerie en de politie mogelijk om informatie over personen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek ten behoeve van de media te verstrekken, waarmee een inbreuk op het hiervóór genoemde recht wordt gerechtvaardigd. De Wet openbaarheid van bestuur (Wob) vormt de grondslag voor de voorlichting. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de daarop gebaseerde Aanwijzing Wbp van het Openbaar Ministerie bepalen (mede) de grenzen van de voorlichting. Het uitgangspunt is het beginsel "openbaar, tenzij". De mededelingen dienen te berusten op uit het strafrechtelijk onderzoek gebleken feiten en omstandigheden en er mogen geen conclusies aan deze feiten worden verbonden. Ook moet ervoor worden gewaakt dat de verstrekte gegevens (in)direct herleidbaar zijn tot de verdachte, getuige, slachtoffers of nabestaanden. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat een combinatie van gegevens als initialen, leeftijd, geslacht en woonplaats ertoe kan leiden dat een betrokkene in diens directe woonomgeving als zodanig wordt herkend. Het Openbaar Ministerie en de politie moeten zich er dan ook steeds van bewust zijn dat publiciteit over een strafrechtelijk onderzoek diep kan ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van de bij de strafzaak betrokken personen. Zij hebben dan ook een eigen verantwoordelijkheid voor de informatie die zij naar buiten brengen.

Ten aanzien van de onjuiste berichtgeving

6. Blijkens de reactie van de politie bekijkt de afdeling persvoorlichting van de politie dagelijks de dagrapporten waarna wordt besloten welke zaken vervolgens in beknopte vorm aan de media worden verstrekt. Gebleken is dat in de van het incident op 10 januari 2005 opgestelde rapportages staat vermeld dat verzoeker volgens een gerechtelijke uitspraak niet in de buurt van de school van zijn zoontje mocht komen op grond waarvan is besloten hem aan te houden. Blijkens de brief van politieambtenaar Bx aan verzoeker is het de politie pas achteraf duidelijk geworden dat deze zienswijze niet juist was en dat er helemaal geen rechterlijke uitspraak was die verzoeker verbood zich in de buurt van de school van zijn zoontje op te houden. De Nationale ombudsman overweegt in dit verband als volgt.

7. Het feit dat een verdachte is aangehouden is een objectief gegeven. De politie schendt niet de persoonlijke levenssfeer door deze informatie aan de media door te geven. Daarbij moet de politie zich echter wel bewust zijn van het feit dat op het moment dat de politie iemand aanhoudt, nog niet vast staat dat die persoon zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan het feit waarvan hij wordt verdacht. Daarover beslist uiteindelijk de rechter.

Dit brengt met zich mee dat de politie in de informatieverstrekking aan de media niet de indruk mag wekken dat de strafbare feiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en zich dus terughoudend moet opstellen. Indien de vastgelegde informatie (achteraf) niet (geheel) blijkt te kloppen, kan dat de politie in beginsel niet worden verweten indien blijkt dat zij de vastgelegde informatie op objectieve wijze heeft verstrekt. Uiteraard dient de politie geen informatie aan de media te verstrekken waarvan het direct duidelijk is dat deze niet op waarheid berust. Van dit laatste is in dit geval overigens niets gebleken. Ook is in dit geval niet gebleken dat de politie bewust verkeerde informatie heeft verstrekt. Niet juist is echter dat er bij het opstellen van het persbericht van uit is gegaan dat verzoeker een gerechtelijke uitspraak had overtreden en dat hij zijn zoontje en ex-echtgenote reeds meermalen had lastig gevallen. Het opsporingsonderzoek bevond zich op dat moment nog in de beginfase, zodat er slechts sprake was van een verdenking jegens verzoeker. Het persbericht had op dit punt dan ook terughoudender moeten worden geformuleerd. Door op dit punt niet de vereiste objectiviteit in acht te nemen maar te vergaande conclusies te trekken, heeft de politie een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verzoeker.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

8. De Nationale ombudsman merkt in dit verband verder nog op dat het door de politie in haar brief van 22 maart 2005 ingenomen standpunt, inhoudende dat verzoeker zich voor rectificatie tot de redactie van de krant moest wenden, op grond van de Aanwijzing niet juist is. De aanwijzing bepaalt immers dat in het geval de verstrekte informatie achteraf onjuist blijkt te zijn, hiervan door de politie actief mededeling dient te worden gedaan aan de media (zie Achtergrond, onder 7.). De Nationale ombudsman is dan ook van oordeel dat de politie, nadat vast was komen te staan dat aan verzoeker geen straatverbod was opgelegd, dit zelf aan de media had moeten melden.

Ten aanzien van de herleidbaarheid van het persbericht

9. De Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging vermeldt onder meer dat van slachtoffers geen gegevens aan de media worden verstrekt die er toe kunnen leiden dat de identiteit van deze personen bekend wordt, tenzij de identiteit al dusdanig bekend is dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in redelijkheid niet meer te verzekeren valt.
Dit betekent dat in de regel dient te worden volstaan met de vermelding van leeftijd, geslacht en woonplaats (zie Achtergrond, onder 7.). Nu in het krantenartikel slechts verzoekers leeftijd, geslacht en woonplaats zijn gemeld, is overeenkomstig het bepaalde in de Aanwijzing gehandeld en kan de politie niet worden verweten dat hiermee een inbeuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verzoeker.

Op dit punt is de onderzochte gedraging behoorlijk.

IV. Ten aanzien van het weigeren van het opnemen van verzoekers aangifte

Bevindingen

1. Naar aanleiding van het krantenartikel in het Eindhovens Dagblad wilde verzoeker bij de politie klacht ter zake smaad en/of laster doen omdat in het artikel ten onrechte wordt gesuggereerd dat hij een gerechtelijke uitspraak zou hebben genegeerd. De politie heeft echter geweigerd deze aangifte op te nemen "omdat de daartoe benodigde strafrechtelijke elementen voor die feiten gewoonweg niet aanwezig zijn". Verzoeker is het hiermee niet eens en legde deze klacht ter beoordeling voor aan de Nationale ombudsman.

2. In antwoord op deze klacht liet de korpsbeheerder weten dat meermalen was gebleken dat verzoeker van mening was dat er sprake is van laster en/of smaad in het geval iemand een andere mening was toegedaan dan hijzelf. Ook in dit geval was daarvan volgens de korpsbeheerder weer sprake. Verzoeker is meermalen te kennen gegeven dat er in dit geval geen sprake was van laster en/of smaad omdat de elementen voor die strafbare feiten niet aanwezig waren. Het Wetboek van Strafrecht geeft immers aan dat er sprake moet zijn van opzettelijk handelen en dat dit opzettelijk handelen gericht moet zijn op het aanranden van iemands eer of goede naam. Nu persvoorlichting een onderdeel is van de politietaak en het krantenartikel bovendien niet herleidbaar was naar verzoeker, was er volgens de korpsbeheerder dit geval geen sprake van een strafbaar feit.

Beoordeling

3. Het beginsel van fair play houdt voor bestuursorganen in dat zij burgers de mogelijkheid geven hun procedurele kansen te benutten. Artikel 161 Sv geeft een ieder die kennis draagt van een strafbaar feit de bevoegdheid daarvan aangifte te doen. Op grond van artikel 163 Sv zijn opsporingsambtenaren verplicht om een aangifte van een strafbaar feit op te nemen (zie Achtergrond, onder 2.). Deze plicht tot het opnemen van de aangifte staat los van de vraag of aan die aangifte verder vervolg zal worden gegeven. Twijfel bij de betrokken opsporingambtenaar over de vraag of al dan niet sprake is van een strafbaar feit mag er niet aan in de weg staan dat hij gevolg geeft aan zijn wettelijke plicht tot het opnemen van een aangifte. In het geval van dergelijke twijfel dient hij het over te laten aan de officier van justitie om ter zake een standpunt te bepalen en dat kenbaar te maken aan de persoon die aangifte deed. Voor betrokkene staat dan, in het geval van een besluit tot niet-vervolging, de mogelijkheid open van beklag bij het gerechtshof, ingevolge artikel 12 Sv. Gelet hierop, acht de Nationale ombudsman weinig ruimte aanwezig voor een uitzondering op de verplichting om zo'n aangifte op te nemen. Dit heeft te maken met het feit dat toetsing door de voor opsporing verantwoordelijke instantie, het Openbaar Ministerie, bij voorbaat onmogelijk is als gebeurtenissen die mogelijk voor een strafrechtelijke afdoening in aanmerking komen, niet in een aangifte worden opgenomen.

Een uitzondering op het voorgaande kan alleen worden aangenomen in het geval dat al op voorhand, zonder enig verder onderzoek, en zonder de minste twijfel, kan worden vastgesteld dat de gedraging of gebeurtenis die ter kennis van de politie wordt gebracht niet is te kwalificeren als een strafbaar feit.

4. Smaad is het opzettelijk aanranden van iemands eer of goede naam, door - toegespitst op dit geval - tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, aldus artikel 261 Sr. Smaad kan zowel mondeling als schriftelijk plaatsvinden. In het laatste geval spreekt men van smaadschrift. Artikel 262 Sr spreekt van laster, wanneer iemand smaad pleegt terwijl hij weet dat het ten laste gelegde feit in strijd is met de waarheid (zie Achtergrond, onder 1.).

5. Smaad en laster zijn klachtdelicten. Dit betekent dat een officier van justitie pas tot vervolging kan overgaan nadat de klachtgerechtigde een aangifte met verzoek tot vervolging heeft ingediend. Iedere officier van justitie en hulpofficier van justitie is verplicht tot het in ontvangst nemen van zo'n klacht(schrift). Het in ontvangst nemen van de klacht hoeft niet tot een opsporingsonderzoek of tot het instellen van vervolging te leiden.

6. Voldoende vast is komen te staan dat verzoeker de wens heeft geuit om aangifte te doen en dat aan die wens niet tegemoet is gekomen. Verzoeker wilde aangifte doen omdat in genoemd krantenartikel werd gesuggereerd dat hij op grond van een gerechtelijke uitspraak niet in de buurt van de school van zijn zoontje mocht komen. Zoals hiervóór reeds is overwogen, heeft de afdeling persvoorlichting van de politie een persbericht opgesteld waarbij zij zich heeft gebaseerd op de door de politie opgestelde dagrapporten. Gebleken is dat op dat moment nog het idee bij de politie bestond dat verzoeker op grond van een gerechtelijke uitspraak niet bij de school van zijn zoontje mocht komen. Dit staat ook op die manier vermeld in de van het incident op 10 januari 2005 opgestelde rapportage welke ten grondslag lag aan het opgestelde persbericht en genoemd krantenartikel. Eerst achteraf werd het de politie duidelijk dat er helemaal geen rechterlijke uitspraak bestond die verzoekers nabijheid in de school van zijn zoontje verbood. Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat het reeds op voorhand en zonder enig verder onderzoek en zonder de minste twijfel duidelijk was dat het doel van publicatie niet was gelegen in het opzettelijk krenken van verzoeker, is de Nationale ombudsman van oordeel dat het publiceren van genoemd krantenartikel niet was te kwalificeren als strafbaar feit. Dit betekent dat door geen aangifte op te nemen, niet is gehandeld in strijd met het beginsel van fair play.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

V. Ten aanzien van verzoekers aanhouding

Bevindingen

1. Behalve de hiervoor genoemde klachten, klaagde verzoeker er in zijn brief van 24 mei 2005 aan de Nationale ombudsman ook over dat hij op 10 januari 2005 is aangehouden. Volgens verzoeker was daar geen enkele reden voor omdat hij slechts een protestactie uitvoerde bij de school van zijn zoontje. Volgens verzoeker was hij aangehouden omdat de politie er ten onrechte van uit was gegaan dat aan hem een straatverbod was opgelegd.

2. In de van de aanhouding opgemaakte mutatie en het proces-verbaal van aanhouding staat vermeld dat verzoeker is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 285b Sr (stalking/belaging). Tevens staat in de mutatie vermeld:

"Dhr. T. (verzoeker; N.o.) mag zich volgens gerechtelijke uitspraak niet bij basisschool (…) ophouden. Hierop hebben wij verbalisanten dhr T. aangehouden en hebben wij pamfletten (3 stuks) in beslag genomen."

3. In zijn brief van 12 juli 2005 liet de Nationale ombudsman verzoeker weten dat naar deze klacht van verzoeker vooralsnog geen onderzoek werd ingesteld omdat de officier van justitie nog geen vervolgingsbeslissing had genomen en de kans bestond dat de strafrechter zich te zijner tijd over de aanhouding zou uitspreken.

4. Gedurende het onderzoek van de Nationale ombudsman liet verzoeker weten dat de officier van justitie te 's-Hertogenbosch had besloten hem te dagvaarden. Aan verzoeker werd ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 13 januari 2004 tot en met 10 januari 2005 schuldig had gemaakt aan belaging van zijn zoontje.

5. Bij uitspraak van 23 mei 2006 sprak het gerechtshof te 's-Hertogenbosch verzoeker vrij van het aan hem ten laste gelegde. Daarbij overwoog het Hof het volgende:

"Uit de gedingstukken blijkt dat de incidenten betreffende Y, op basis waarvan door voornoemde X aangifte is gedaan, in of nabij de school van voornoemde Y hebben plaatsgevonden. Niet voldoende is vast komen te staan dat het slachtoffer wetenschap heeft gehad van deze incidenten of getuige van deze incidenten is geweest, dan wel dat hij daar merkbaar hinder van zou hebben ondervonden."

6. Met de uitspraak van het gerechtshof was het beletsel voor een onderzoek door de Nationale ombudsman weggenomen.

Beoordeling

7. Het aanhouden van een persoon alsmede het overbrengen en ophouden van die persoon op het politiebureau is een vorm van vrijheidsontneming. Het verbod van onrechtmatige vrijheidsontneming houdt voor bestuursorganen in dat zij buiten de bij of krachtens de wet bepaalde gevallen niemand van zijn vrijheid mogen ontnemen. In artikel 15 van de Grondwet (zie Achtergrond, onder 8.) is het verbod van onrechtmatige vrijheidsontneming neergelegd. Dat verbod brengt mee dat de politie alleen in de bij of krachtens de wet bepaalde gevallen iemand mag staande houden, aanhouden en ophouden op het politiebureau. In geval van ontdekking op heterdaad bepaalt artikel 53 Sv dat een politieambtenaar bevoegd is om een verdachte van een strafbaar feit aan te houden en voor verhoor over te brengen naar het politiebureau (zie Achtergrond, onder 2.). Artikel 27 Sv omschrijft de verdachte als degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit, maar eist wel dat het vermoeden van schuld moet steunen op objectieve feiten en omstandigheden en dat dit vermoeden bovendien naar objectieve maatstaven gemeten redelijk dient te zijn.

8. Blijkens de in dit verband opgestelde mutatie hebben politieambtenaren S. en V. ter plaatse geconstateerd dat verzoeker met een aantal pamfletten heen en weer liep bij de school van zijn zoontje. Omdat de politieambtenaren van mening waren dat verzoeker zich krachtens een gerechtelijke uitspraak niet bij deze school mocht ophouden, is besloten verzoeker ter zake belaging/stalking aan te houden. Zoals hiervóór al meermalen is opgemerkt, was op dat moment van een straatverbod o.i.d. helemaal geen sprake.
Hierdoor bleef slechts de omstandigheid over dat verzoeker zich met enkele pamfletten bij de school van zijn zoontje bevond. Nu het gerechtshof heeft geoordeeld dat deze omstandigheid onvoldoende grondslag oplevert om aan te nemen dat verzoeker zich schuldig maakte aan het herhaaldelijk hinderlijk lastig vallen van zijn zoontje, de situatie zoals bedoeld in artikel 285b Sr, gaat de Nationale ombudsman er vanuit dat er geen grond was voor vrijheidsontneming. Door verzoeker niettemin aan te houden is dan ook in strijd gehandeld met het verbod van onrechtmatige vrijheidsontneming.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

CONCLUSIE

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Brabant Zuid-Oost is

gegrond ten aanzien van:
- de weigering het proces-verbaal van verhoor aan te passen, wegens schending van het vereiste van professionaliteit;
- het niet verstrekken van dekens en medicijnen, wegens schending van het vereiste van correcte bejegening;
- het onjuiste persbericht, wegens schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
- de aanhouding van verzoeker, wegens schending van het verbod van onrechtmatige vrijheidsontneming.

niet gegrond ten aanzien van de:
- herleidbaarheid van het persbericht;
- de weigering om verzoekers aangifte op te nemen.

 

ONDERZOEK

Op 24 mei 2005 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer T. uit Boxmeer, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Brabant Zuid-Oost. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Brabant Zuid-Oost, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de korpsbeheerder verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. In verband met zijn verantwoordelijkheid voor justitieel politieoptreden werd ook de hoofdofficier van Justitie te 's-Hertogenbosch over de klacht geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was. De genoemde hoofdofficier maakte van deze gelegenheid geen gebruik. Tijdens het onderzoek kregen de korpsbeheerder en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Tevens werd zowel aan de korpsbeheerder als aan verzoeker een aantal specifiek vragen gesteld.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag aan te vullen. De korpsbeheerder deelde mee zich met de inhoud van het verslag te verenigen.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie.

1. Het verzoekschrift van 24 mei 2005 aan de Natioanale ombudsman met bijlagen over de interne klachtprocedure bij het regionale politiekorps Brabant Zuid-Oost;

2. Het schriftelijke standpunt van de korpsbeheerder van 22 september 2005. Bij zijn reactie zond de korpsbeheerder onder meer de volgende stukken mee:

- een door de meldkamer gemuteerde melding van 10 januari 2005;
- een door politieambtenaren S. en V. op 10 januari 2005 opgemaakt proces-verbaal van bevindingen;
- een op 10 januari 2005 door politieambtenaar R. en Ru. opgemaakt proces-verbaal van aangifte;
- een mutatie betreffende het incident op 10 januari 2005;
- een op 10 januari 2005 opgemaakt proces-verbaal van aanhouding;
- twee processen-verbaal van verhoor van verzoeker;
- een door politieambtenaar R. op 6 april 2005 opgemaakt proces-verbaal;

3. De schriftelijke reactie van verzoeker, ontvangen op 17 oktober 2005;

4. Een brief met bijlagen van verzoeker van 11 oktober 2005;

5. Een brief met bijlagen van verzoeker van 10 december 2005;

6. Een brief met bijlagen van verzoeker van 19 december 2005;

7. Het schriftelijke antwoord van de korpsbeheerder van 16 januari 2006 op enkele vragen van de Nationale ombudsman;

8. Een brief met bijlagen van verzoeker van 7 februari 2006;

9. Een brief met bijlagen van verzoeker van 14 februari 2006;

10. Een brief van verzoeker van 15 februari 2006;

11. Een nadere schriftelijke reactie met bijlagen van de korpsbeheerder van 4 april 2006;

12. De schriftelijke reactie van verzoeker van 5 mei 2006, met daarbij gevoegd onder meer een afschrift van het proces-verbaal van verhoor van verzoeker van 9 november 2004;

13. Een brief met bijlagen van verzoeker van 26 mei 2006 met daarbij gevoegd het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 mei 2006.

BEVINDINGEN

Zie onder Beoordeling.

ACHTERGROND

1. Wetboek van Strafrecht

Artikel 261

"1. Hij die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
2. Indien dit geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen, verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen, of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore wordt gebracht, wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
3. Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zover de dader heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging, of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het te last gelegde waar was en dat het algemeen belang de telastlegging eiste."

Artikel 262

"Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is, wordt als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie. (...)"

Artikel 285b

"1. Hij die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.
2. Vervolging vindt niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan."

2. Wetboek van Strafvordering

Artikel 27, eerste lid

"Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan eenig strafbaar feit voortvloeit."

Artikel 29, derde lid

"De verklaringen van den verdachte, bepaaldelijk die welke eene bekentenis van schuld inhouden, worden in het proces-verbaal van het verhoor zooveel mogelijk in zijne eigen woorden opgenomen. De mededeling bedoeld in het tweede lid wordt in het proces-verbaal opgenomen."

Artikel 53

"1. In geval van ontdekking op heeter daad is ieder bevoegd den verdachte aan te houden.
2. In zoodanig geval is de officier van justitie of de hulpofficier bevoegd den verdachte, na aanhouding, naar eene plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook diens aanhouding of voorgeleiding bevelen.
3. Geschiedt de aanhouding door een anderen opsporingsambtenaar, dan draagt deze zorg dat de aangehoudene ten spoedigste voor den officier van justitie of een van diens hulpofficieren wordt geleid.
(...)"

Artikel 161

"Ieder die kennis draagt van een begaan strafbaar feit is bevoegd daarvan aangifte of klachte te doen."

Artikel 163, vijfde lid

"Tot het ontvangen van de aangiften bedoeld in de artikelen 160 en 161, zijn de opsporingsambtenaren, en tot het ontvangen van de aangiften bedoeld in artikel 162, de daarbij genoemde ambtenaren verplicht."

3. Ambtsinstructie voor de politie, de koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar

Artikel 1, vierde lid

"In dit besluit wordt onder ingeslotene verstaan degene die rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Onder ingeslotene wordt mede verstaan degene die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op het politie- of brigadebureau is ondergebracht."

Artikel 26

"1. De ambtenaar handelt jegens de ingeslotene overeenkomstig het gestelde bij of krachtens artikel 15 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen.
2. De ambtenaar registreert de gegevens die krachtens artikel 15, zesde lid, van het Besluit beheer regionale politiekorpsen zijn aangewezen."

Artikel 32, eerste lid

"In het geval er aanwijzingen zijn dat een ingeslotene medische bijstand behoeft dan wel er bij deze persoon medicijnen zijn aangetroffen, overlegt de ambtenaar met de arts. De ambtenaar overlegt eveneens met de arts indien de ingeslotene zelf om medische bijstand of medicijnen vraagt."

4. Artikel 15, eerste en zesde lid Besluit beheer regionale politiekorpsen
"1. De korpsbeheerder treft voorzieningen opdat de ingeslotene in ieder geval beschikt over:
a. slaapgelegenheid,
b. eten en drinken in overeenstemming met medische en levensbeschouwelijke of godsdienstige eisen,
c. sanitair,
d. de noodzakelijke medische zorg en
e. informatie over de gang van zaken in het politiecellencomplex. (...)
6. Onze Minister en Onze Minister van Justitie wijzen de gegevens aan die worden geregistreerd over ingeslotenen."

5. Rapport 2006/28

"III. Ten aanzien van het ten onrechte aannemen dat jegens verzoeker een straatverbod gold

Bevindingen

1. Verzoeker klaagt erover dat de politie bij zijn aanhouding op 29 december 2003 ten onrechte heeft aangenomen dat er jegens hem een straatverbod gold.

2. Verzoeker is op 29 december 2003 om 6.55 uur aangehouden op verdenking van stalking/belaging. De officier van justitie te 's-Hertogenbosch heeft op 23 december 2003 toestemming gegeven om verzoeker op 29 december buiten heterdaad aan te houden.

3. De korpsbeheerder acht de klacht niet gegrond. Verzoeker was namelijk op 29 december 2003 aangehouden voor "stalken" en niet voor het overtreden van een straatverbod. Overigens sluit het al dan niet van kracht zijn van een straatverbod het strafbare feit van belaging niet uit, aldus de korpsbeheerder.

4.1. Uit de stukken die zich in het dossier bevinden, blijkt dat de Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant op 27 november 2002 een schriftelijke aanwijzing op grond van artikel 1:258 Burgerlijk Wetboek (…) heeft gegeven aan verzoeker, waarbij verzoeker is opgedragen zich niet op of in de omgeving van de school van zijn zoon op te houden op tijden dat zijn zoon daar verblijft. Verzoeker diende op 9 december 2002 een verzoek tot vervallenverklaring van deze aanwijzing in bij de rechtbank te 's­Hertogenbosch. De rechtbank wees het verzoek van verzoeker af.

4.2. Gezinsvoogdijwerker (…) van Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant liet de Nationale ombudsman weten dat een schriftelijke aanwijzing zoals verzoeker die heeft gekregen, geldig blijft zolang deze niet wordt ingetrokken. De aanwijzingen aan verzoeker zijn nooit officieel ingetrokken. Een schriftelijke aanwijzing kan volgens (…) alleen gegeven worden aan een ouder met gezag (…). Op 8 juli 2004 heeft het gerechtshof het tweehoofdig gezag gewijzigd in eenhoofdig gezag ten gunste van de ex-echtgenote van verzoeker. Vanaf die datum was de aanwijzing niet meer geldig. Uit de stukken die Bureau Jeugdzorg aan de Nationale ombudsman zond, blijkt dat de schriftelijke aanwijzing van 27 november 2002 de enige aanwijzing is die aangeeft dat verzoeker zich niet meer op bepaalde plekken mag ophouden.

5. Verder is komen vast te staan dat verzoeker op 20 februari 2004 is veroordeeld door de rechtbank te 's-Hertogenbosch voor belaging (…) van zijn ex-echtgenote in de periode van 18 november 2002 tot en met 22 december 2003. Verzoeker en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechter. Op 10 december 2004 veroordeelde het gerechtshof te 's-Hertogenbosch verzoeker tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en stelde hierbij als bijzondere voorwaarde dat verzoeker zich gedurende zijn proeftijd niet in de buurt van de school van zijn zoontje mag bevinden, tenzij hij een afspraak heeft met de school. Het vonnis van het gerechtshof is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verzoeker stelde cassatie in tegen het vonnis van het hof. De cassatieprocedure was tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman nog niet afgerond.

6. Tijdens een telefoongesprek dat een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman op 11 augustus 2005 met verzoeker voerde, gaf verzoeker aan dat de politieambtenaren bij zijn aanhouding op 29 december 2003 tegen hem hebben gezegd dat hij werd aangehouden vanwege het feit dat hem een straatverbod was opgelegd en voor ontvoering van zijn zoon.

Beoordeling

7. Uit het proces-verbaal van aanhouding en het proces-verbaal van inverzekeringstelling blijkt dat verzoeker is aangehouden op verdenking van stalking/belaging en niet voor overtreding van een straatverbod. Er gold namelijk op 29 december 2003 geen straatverbod. Er moet dus van worden uitgegaan dat de politie niet heeft aangenomen dat er een straatverbod gold. De klacht mist feitelijke grondslag."

6. Wet openbaarheid van bestuur

Artikel 8, eerste lid

"Het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, verschaft uit eigen beweging informatie over het beleid, de voorbereiding en de uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering."

Artikel 10

"1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: (...)
d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.
2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
(...)
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;"

7. Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging

"De basis voor de voorlichting over opsporing en vervolging is de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
(…)
In verband met de Wet bescherming persoonsgegevens is de Wet openbaarheid van bestuur gewijzigd. In de Wob geldt nu een absolute weigeringsgrond voor het verstrekken van bijzondere persoonsgegevens. De Wbp bepaalt dat strafrechtelijke persoonsgegevens vallen onder die bijzondere persoonsgegevens. Deze wettelijke bepalingen betekenen voor de persvoorlichting van OM en politie een wijziging ten opzichte van het verleden. Waar ten aanzien van de persvoorlichting op basis van de Wob eerst een belangenafweging plaatsvond, kan deze niet meer plaatsvinden ten aanzien van strafrechtelijke persoonsgegevens. Het OM en de politie mogen deze gegevens als het gaat om persvoorlichting in het algemeen niet verstrekken wanneer deze verstrekking kan leiden tot de identificatie van de persoon. Strafrechtelijke persoonsgegevens zijn die gegevens die direct of indirect redelijkerwijs tot de identificatie van een persoon als verdachte of dader kunnen leiden. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden die de ontvanger van de informatie heeft om de identificatie tot stand te brengen. Het Openbaar Ministerie en de politie dienen dus te overwegen dat journalisten over veel meer bronnen beschikken en dat die bronnen, gecombineerd met de door het OM of de politie verstrekte informatie, kunnen leiden tot identificatie. Daarbij gelden uiteraard grenzen van redelijkheid.

(…)

Personen en zaken

De wettelijke ontwikkelingen leiden ertoe dat het OM en de politie in de voorlichting ten aanzien van strafrechtelijke persoonsgegevens nog zorgvuldiger moeten zijn dan daarvoor.
Dat geldt voor passieve en actieve voorlichting. Bij het verstrekken van een combinatie van gegevens, zoals bijvoorbeeld leeftijd, geslacht, beroep en woonplaats, dient te worden bekeken of juist deze combinatie niet indirect kan leiden tot identificatie. Dat geldt zowel bij het uitbrengen van een persbericht door OM of politie als in antwoord op vragen van journalisten om bepaalde gegevens te bevestigen of ontkennen.
(…)
Publicatie van persoonsgegevens, die leiden tot identificatie van een verdachte of dader, is de verantwoordelijkheid van de media en niet die van politie en OM, ook als het gaat om mensen van wie de identiteit al bekend is. Alleen wanneer een verdachte zelf verantwoordelijk is voor het bekend worden van zijn identiteit, wordt kennelijk geen inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer door voorlichting door het OM of politie.

Aandachtspunten

Aan de hand van wetgeving, jurisprudentie en beleidskeuzes is het mogelijk puntsgewijs een aantal aandachtspunten te formuleren waarmee rekening dient te worden gehouden bij persvoorlichting door het Openbaar Ministerie, politie, bijzondere opsporingsdiensten en KMar.
(…)
* Bij persvoorlichting door de politie en het OM dient de vereiste objectiviteit steeds te worden gehandhaafd en dient deze te worden gekenmerkt door een zakelijke toonzetting. Zo moet steeds worden benadrukt dat (bij bijvoorbeeld een aanhouding of een dagvaarding) er slechts sprake is van een verdenking.
* De mededelingen dienen te berusten op de uit het desbetreffende strafrechtelijk onderzoek gebleken feiten en hieraan mogen niet onnodig op enigerlei wijze als (strafrechtelijk) kwalificerend te beschouwen conclusies worden verbonden.
* Het OM en de politie verstrekken geen gegevens die (in-)direct herleidbaar zijn tot de persoon van de verdachte(n). Dat geldt bijvoorbeeld voor informatie als initialen, leeftijd, beroep, woonomgeving of andere omstandigheden waardoor betrokkene gemakkelijk herkenbaar wordt voor zijn woon- en werkomgeving. Indien persoonlijke of functionele gegevens bekend worden gemaakt, dan zijn dat slechts die gegevens die een duidelijke relatie hebben met het feit waarbij iemand betrokken is.
(…)
* Wanneer voorlichting over een verdachte heeft plaatsgevonden, dient - indien de verdenking niet (langer) wordt ondersteund door feiten en omstandigheden en de verdachte niet langer als zodanig wordt aangemerkt - hierover zo mogelijk in overleg met de verdachte of diens raadsman, eveneens door middel van actieve voorlichting aan de media mededeling worden gedaan.
* Wanneer voorlichting door politie of OM achteraf (gedeeltelijk) onjuist is gebleken en heeft geleid tot onjuiste berichten in de media, dient hiervan actief mededeling te worden gedaan aan de media."

8. Artikel 15, eerste lid van de Grondwet

"Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand van zijn vrijheid worden ontnomen."