NOB06011

Inleiding.

Klager had bij het het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) melding gemaakt van mogelijke mishandeling door de verzorgende ouder. De raadsmedewerkers hadden verklaard het AMK-rapport niet te hebben gelezen om zo onpartijdig onderzoek te doen. Nergens in de verslaglegging van de Raad was verder verwezen naar het AMK-rapport. Het raadsonderzoek is onprofessioneel, misleidend, partijdig en manipulatief gebleken, aldus verzoeker.

Ook klaagde hij over gedragingen van de Directeur.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Openbaar rapport

rapportnummer:

datum:

Verzoekschrift

van de heer X te Rhenen

met een klacht over een gedraging van

a. de Raad voor de Kinderbescherming, Directie Oost, vestiging Arnhem
b. de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming, Directie Oost te Zutphen


Bestuursorgaan

ad a. en b.: de minister van Justitie

 

KLACHT

Verzoeker klaagt erover dat de Raad voor de Kinderbescherming, Directie Oost, vestiging Arnhem, de bevindingen van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling, niet of onvoldoende heeft betrokken bij zijn advies van 6 maart 2002, waarin de rechter ten aanzien van de omgangsregeling van het kind van verzoeker is geadviseerd.

Verzoeker klaagt verder over de wijze waarop de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming, Directie Oost, te Zutphen, zijn aan verzoeker gerichte brief van 17 juli 2003 heeft opgesteld.
De directeur heeft deze brief opgesteld om te voldoen aan een bepaling in de klachtenregeling van de Raad voor de Kinderbescherming, die voorschrijft dat de directeur van de Raad aan een klager behoort aan te geven welke gevolgen binnen de organisatie worden verbonden aan beslissingen van een klachtencommissie van de Raad voor de Kinderbescherming.
Verzoeker klaagt er met name over dat de directeur in zijn brief:
- de door de Klachtencommissie II gegrond geachte klachten niet per onderdeel heeft behandeld, maar slechts in twee zinnen heeft samengevat;
- heeft meegedeeld dat zijn korte en bondige reactie in de lijn ligt van de wijze waarop de Klachtencommissie II de klachten van verzoeker op de hoorzitting van 14 mei 2003 heeft behandeld, terwijl deze hoorzitting juist drie en een half uur had geduurd;
- in het geheel niet is ingegaan op de door de Klachtencommissie II gegrond geachte klachten over zijn eigen gedragingen;
- slechts één gevolg heeft verbonden aan de beslissing van de Klachtencommissie II, namelijk dat hij deze beslissing met zijn raadsmedewerkers zou bespreken om herhaling te voorkomen, en;
- heeft aangegeven dat hij zijn raadsmedewerkers al vóór de beslissing van de Klachtencommissie II had aangesproken op de gemaakte fouten, terwijl hij zelf de meeste klachten van verzoeker niet gegrond had verklaard.

Verzoeker klaagt er ten slotte over dat de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming, Directie Oost, te Zutphen, hem niet nader heeft ingelicht over de gevolgen van de beslissing van de Klachtencommissie II, waardoor de effecten van deze beslissing voor verzoeker niet controleerbaar zijn.

 

BEOORDELING

I. Feiten

1. Verzoeker heeft een dochter Z, geboren in 1997. De moeder van Z, mevrouw Y, heeft het ouderlijke gezag over haar. In 1999 besloten verzoeker en Y uit elkaar te gaan. Eind 1999 werd een omgangsregeling voor Z vastgesteld. Omdat verzoeker bezorgd was over Z, deed hij in 2000 een melding bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Vanaf 7 december 2000 werkte Y niet meer mee aan de omgangsregeling voor Z, zodat verzoeker geen omgang meer met haar had. Op 15 december 2000 vroeg verzoeker de rechter om wijziging van het ouderlijke gezag. De kantonrechter te Tiel vroeg de Raad voor de Kinderbescherming, directie Oost (verder: Raad), hierop bij brief van 7 februari 2001 om advies uit te brengen over de vraag of een nader onderzoek naar aanleiding van het vermoeden van verzoeker dat Z seksueel zou zijn misbruikt, was geïndiceerd en zo ja, welke instantie een dergelijk onderzoek zou kunnen doen en aan welke voorwaarden een dergelijk onderzoek zou moeten voldoen. De kantonrechter voegde bij zijn brief van 7 februari 2001 het verzoekschrift van verzoeker en het verweerschrift van mevrouw Y. Bij het verweerschrift van mevrouw Y was als productie 21-1 het dossier van het AMK gevoegd.

2. Naar aanleiding van het verzoek van de kantonrechter deed onderzoeker K. van de Raad vervolgens onderzoek. Hij voerde onder meer gesprekken met verzoeker en mevrouw Y. Raadsonderzoeker K. was tijdens het onderzoek, waaronder de gesprekken, niet op de hoogte van de inhoud van de bijlagen van het verzoek van de kantonrechter, waaronder het dossier van het AMK. Hij had de stukken niet bestudeerd, omdat hij van mening was dat hij de essentie van de problematiek directer en beter uit een gesprek met de partijen kon halen dan uit schriftelijke informatie die door de partijen was ingebracht.

3. Op grond van een advies van de Raad van 6 maart 2002, besloot de rechter op 18 maart 2002 om tussen partijen een omgangsregeling vast te stellen. Verzoeker had zijn verzoek om een gezagswijziging ingetrokken.

4. Verzoeker diende bij brief van 29 juni 2002 een klacht in bij de directeur van de Raad, bestaande uit veertien klachtonderdelen. De directeur handelde deze klacht bij brief van 17 februari 2003 af. Hij achtte één klachtonderdeel gegrond en één klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond.

5. Vervolgens diende verzoeker bij brief van 22 april 2003 een klacht in bij de Klachtencommissie II van de Raad voor de Kinderbescherming, met veertien klachten over de Raad en veertien klachten over de directeur van de Raad. In haar beslissing van 26 juni 2003 achtte de klachtencommissie acht klachten over de Raad en drie klachten over de directeur van de Raad gegrond. Verder werden twee klachten over de Raad gedeeltelijk gegrond geacht. De klachtonderdelen werden puntsgewijs behandeld. De klachtencommissie kwam in haar beslissing onder meer tot de conclusie dat raadsonderzoeker K., door het niet lezen van de bijlagen bij het verzoek van de kantonrechter, niet (voldoende) op de hoogte was van de schriftelijke stukken. Hierdoor ontstond het risico dat K. uitging van verkeerde veronderstellingen wat doorwerkte bij zijn inbreng in het multidisciplinaire overleg en interne rapportage. Naar het oordeel van de klachtencommissie had verzoeker dan ook terecht de indruk kunnen krijgen dat K. met onvoldoende feitenkennis had deelgenomen aan het multidisciplinair overleg, waardoor het stopzetten van de omgang door moeder wellicht een vertekend beeld had opgeleverd. Verder besloot de klachtencommissie dat de directeur had verzuimd om aan te geven welke gevolgen hij aan de eerder door hem gegrond verklaarde klachten had verbonden, en dat hij twee keer de termijn van klachtafhandeling had overschreden.

6. Ter uitvoering van artikel 6, vijfde lid, van het Besluit klachtbehandeling Raad voor de Kinderbescherming (zie Achtergrond) schreef de directeur van de Raad verzoeker op 17 juli 2003 een brief, waarin hij inging op de uitkomst van de klachtprocedure (zie Bevindingen, onder A.7.). De directeur gaf daarin allereerst aan dat hij had gekozen voor een korte, op de hoofdzaak toegesneden, reactie op de beslissing van de klachtencommissie, die in de lijn lag met de behandeling ter zitting. Vervolgens kwam hij tot de constatering dat de door de kantonrechter aan de Raad voorgelegde vraag in de eerste fase van de bemoeienis van de Raad niet correct was opgepakt. In het vervolgens door de heer K. uitgevoerde onderzoek werd in een aantal opzichten niet de vereiste zorgvuldigheid jegens verzoeker in acht genomen. De directeur vermeldde ten slotte dat de medewerkers waren aangesproken op fouten en dat hij de beslissing van de klachtencommissie nog met alle betrokkenen zou bespreken.

 

II. Ten aanzien van de bevindingen van het AMK

1. Verzoeker klaagt erover dat de Raad de bevindingen van het AMK niet of onvoldoende heeft betrokken bij zijn advies van 6 maart 2002, waarin de rechter ten aanzien van de omgangsregeling van het kind van verzoeker is geadviseerd. Verzoeker is van mening dat de Raad de bevindingen van het AMK tijdens de gehéle periode van raadsbemoeienis niet heeft gebruikt.

2. De minister van Justitie acht de klacht op dit punt niet gegrond. Directeur P. van de Raad had in zijn brief van 17 februari 2003 gesteld dat de bevindingen van het AMK juist aanleiding en uitgangspunt waren geweest voor het psychologisch onderzoek van Z door de Raad. Ook de klachtencommissie heeft zich over deze kwestie gebogen en is in haar beslissing van 26 juni 2003 tot het oordeel gekomen dat onvoldoende was gebleken dat de bevindingen van het AMK door de Raad niet serieus waren genomen, aangezien de Raad Z psychologisch had onderzocht. Bovendien had de klachtencommissie overwogen dat de Raad voor wat betreft het (geen) aandacht schenken aan de bevindingen van het AMK niet was afgeweken van het beleid, nu er immers geen eigen melding van het AMK bij de Raad was binnengekomen op grond waarvan deze tot actie had moeten overgaan. Gezien het bovenstaande is de minister van mening dat de Raad op bovengenoemde wijze de zorgen van verzoeker, zoals door hem gemeld aan het AMK, voldoende heeft meegenomen in zijn advies van 6 maart 2002.

3. Verzoeker deelde tijdens het onderzoek mee dat hij een gezagswijziging had aangevraagd op advies van het AMK, dat problemen in de omgeving van moeder had geconstateerd. Daarna begon een lange periode van raadsbemoeienis. De Raad keek vanaf het begin niet naar wat de rechter had gevraagd of naar wat het AMK al had gevonden. De raadsmedewerkers hadden verklaard het AMK-rapport niet te hebben gelezen om zo onpartijdig onderzoek te doen. Nergens in de verslaglegging van de Raad was verder verwezen naar het AMK-rapport. Het raadsonderzoek is onprofessioneel, misleidend, partijdig en manipulatief gebleken, aldus verzoeker.

4. Het vereiste van actieve en adequate informatieverwerving houdt in dat bestuursorganen bij de voorbereiding van hun handelingen de relevante informatie verwerven.

5. Gedurende een onderzoek krijgt de Raad veelal de beschikking over een grote hoeveelheid aan informatie. De Nationale ombudsman acht het aan de Raad om in beginsel te bepalen welke informatie hij in het kader van het (doel van het) onderzoek op dat moment relevant acht. Betrokkenen kunnen immers zowel bij de inzage van het concept-rapport als voor de rechter nog naar voren brengen hetgeen zij van belang achten voor de uiteindelijk te nemen rechterlijke beslissing. Slechts wanneer de Raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om af te zien van het bestuderen van bepaalde informatie, is het nalaten hiervan in strijd met het vereiste van actieve en adequate informatieverwerving.

6. Tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman is komen vast te staan dat bij de adviesaanvraag van de rechter aan de Raad ook het dossier van het AMK was gevoegd. Verder is gebleken dat raadsonderzoeker K. deze stukken in het geheel niet heeft bestudeerd, omdat hij van mening was dat hij de essentie van de problematiek directer en beter uit een gesprek met de ouders haalde dan uit schriftelijke informatie die door partijen was ingebracht. Hoewel het aan de Raad is om in beginsel te bepalen welke informatie hij in het kader van een onderzoek van belang acht, is de Nationale ombudsman van oordeel dat een verzoek van een rechter om advies inzake een gezagswijziging/omgangsregeling als essentiële informatie kan worden gezien voor eventueel onderzoek. Nu bij het verzoek van de rechter het AMK-rapport was gevoegd, had deze informatie als relevant voor het onderzoek moeten worden aangemerkt. De Raad heeft daarom niet in redelijkheid kunnen besluiten om de bevindingen van het AMK niet bij zijn onderzoek en het advies te betrekken. Hiermee is gehandeld in strijd met het vereiste van actieve en adequate informatieverwerving.

De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk.


III. Ten aanzien van de brief van de directeur

1. Verzoeker klaagt verder over de wijze waarop de directeur van de Raad zijn aan verzoeker gerichte brief van 17 juli 2003 heeft opgesteld.

2.1. Verzoeker klaagt er met name over dat de directeur in zijn brief de door de Klachtencommissie II gegrond geachte klachten niet per onderdeel heeft behandeld, maar slechts in twee zinnen heeft samengevat, en heeft meegedeeld dat zijn korte en bondige reactie in de lijn ligt van de wijze waarop de Klachtencommissie II de klachten van verzoeker op de hoorzitting van 14 mei 2003 heeft behandeld, terwijl deze hoorzitting juist drie en een half uur had geduurd.

2.2. De minister van Justitie acht de klacht op deze punten niet gegrond. Hij voert daartoe het volgende aan. In artikel 6, vijfde lid, van het Besluit klachtbehandeling Raad voor de Kinderbescherming is bepaald dat indien een klachtencommissie de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond acht, de directeur aan de klager meedeelt of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie aan de beslissing van de klachtencommissie door hem daaraan worden verbonden. In dit Besluit is niet vermeld, anders dan verzoeker mogelijk meent, hoe en op welke wijze een directeur gevolg moet geven aan de beslissing van de klachtencommissie; daarin heeft hij een eigen beleidsvrijheid. De duur van een zitting heeft geen invloed op de lengte van de reactie van de directeur in deze. De minister stelt verder dat hij de betreffende brief van de directeur nauwkeurig heeft bestudeerd en dat hij van mening is dat de directeur met zijn gevolgtrekking adequaat heeft gehandeld. Hij heeft duidelijk gemotiveerd aangegeven waarom hij heeft gekozen voor de vorm waarin de brief is geschreven. Hij heeft daarom recht gedaan aan de kern van de klachten van verzoeker en de beslissing van de klachtencommissie en heeft gehandeld binnen het kader van het Besluit klachtbehandeling, aldus de minister.

2.3. Het motiveringsvereiste houdt in dat het handelen van bestuursorganen feitelijk en logisch wordt gedragen door een kenbare motivering. Voor de Raad voor de Kinderbescherming is het Besluit klachtenregeling Raad voor de Kinderbescherming van kracht. Op grond hiervan kunnen klachten over de Raad worden voorgelegd aan een onafhankelijke klachtencommissie. Op basis van artikel 6, vijfde lid, van dit besluit, deelt de directeur aan de klager mee of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie worden verbonden aan de door de klachtencommissie geheel of gedeeltelijk gegrond verklaarde klacht(en). Het motiveringsvereiste impliceert dat de directeur deze mededeling deugdelijk en kenbaar motiveert en ingaat op alle gegrond verklaarde klachten.

2.4. Nu de directeur zijn reactie slechts in twee zinnen heeft samengevat en als reden hiervoor slechts heeft verwezen naar de wijze waarop de hoorzitting van de klachtencommissie is verlopen, kan niet worden gesteld dat de mededeling van de directeur deugdelijk en kenbaar is gemotiveerd, en daarbij is ingegaan op de geheel of gedeeltelijke gegrond verklaarde klachten. Hiermee is gehandeld in strijd met het motiveringsvereiste.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

3.1. Verzoeker klaagt er voorts over dat de directeur in zijn brief in het geheel niet is ingegaan op de door de Klachtencommissie II gegrond geachte klachten over zijn eigen gedragingen.

3.2. De minister van Justitie acht de klacht op dit punt eveneens niet gegrond. De directeur heeft tijdens de hoorzitting in het bijzijn van verzoeker reeds erkend dat hij niet juist had gehandeld. Hoewel het mogelijk beter was geweest als hij een en ander schriftelijk had bevestigd, is de algemeen directeur van mening dat hij voldoende en op correcte wijze gevolg heeft gegeven aan de gegrondverklaring door de Klachtencommissie II, aldus de minister.

3.3. Gelet op hetgeen hiervóór, onder 2.3., is overwogen, behoort de directeur aan de klager mee te delen of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie worden verbonden aan de door een klachtencommissie geheel of gedeeltelijk gegrond verklaarde klacht(en). Daarbij dient op elke gegrond verklaarde klacht te worden ingegaan. In de brief van 17 juli 2003 heeft de directeur erkend dat hij eerder had verzuimd om aan te geven welke gevolgen hij aan de gegrond verklaarde klachten over hemzelf had verbonden. Hij heeft vervolgens aangegeven dat het gevolg is geweest dat de betreffende medewerkers over deze klachten al waren en nog zullen worden aangesproken. Hij heeft echter verzuimd om in te gaan op de gegrond verklaarde klachten over de termijnoverschrijding. Hiermee is gehandeld in strijd met het motiveringsvereiste.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

4.1. Verzoeker klaagt er ook over dat de directeur in zijn brief slechts één gevolg heeft verbonden aan de beslissing van de Klachtencommissie II, namelijk dat hij deze beslissing met zijn raadsmedewerkers zou bespreken om herhaling te voorkomen.

4.2. De minister van Justitie acht de klacht op dit punt eveneens niet gegrond. Het is niet nodig om meer dan één gevolg te verbinden of om aan ieder onderdeel van beslissing van een klachtencommissie een afzonderlijk gevolg te verbinden, tenzij de beslissing daartoe aanleiding geeft. In dit geval heeft de directeur in zijn brief van 17 juli 2003, gelet op de aard van de klachten en de beslissing van de Klachtencommissie II, gemeend zich te kunnen beperken tot één gevolg op hoofdlijnen, namelijk het aanspreken van de betrokken medewerkers over de beslissing van de klachtencommissie om herhaling te voorkomen, aldus de minister.

4.3. Gelet op het vereiste zoals hiervóór, onder 2.3., is omschreven, dat de directeur op grond van het Besluit klachtenregeling Raad voor de Kinderbescherming aan de klager behoort mee te delen of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie worden verbonden aan de door een klachtencommissie geheel of gedeeltelijk gegrond verklaarde klacht(en), heeft hij voldoende gereageerd. Hoewel summier, heeft hij deugdelijk en kenbaar genoeg gemotiveerd welke maatregelen binnen de organisatie waren getroffen om herhaling te voorkomen, namelijk dat de medewerkers waren en nog zouden worden aangesproken op de gemaakte fouten. Het feit dat verzoeker zich niet in de maatregel kan vinden, omdat hij meerdere maatregelen had verwacht, doet hieraan niet af. Er is gehandeld conform het motiveringsvereiste.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

5.1. Verzoeker klaagt er verder over dat de directeur in zijn brief heeft aangegeven dat hij zijn raadsmedewerkers al vóór de beslissing van de Klachtencommissie II had aangesproken op de gemaakte fouten, terwijl hij zelf de meeste klachten van verzoeker niet gegrond had verklaard.

5.2. De minister van Justitie acht de klacht op dit punt eveneens niet gegrond. Volgens hem is de handelwijze van de directeur correct geweest. Naar aanleiding van zijn klachtbeslissing van 17 februari 2003 had de directeur de betrokken medewerkers al aangesproken op hun in zijn ogen onjuiste handelingen, ook al leidde dat niet tot gegrondverklaring van de klacht, aldus de minister.

5.3. De Nationale ombudsman merkt hierover allereerst op dat de directeur de klacht wél op een enkel punt gegrond heeft verklaard, zodat diens mededeling dat hij medewerkers daarop heeft aangesproken niet onbegrijpelijk is. Daarnaast is denkbaar dat de directeur het van belang vond om aspecten van de klachten die eerder niet gegrond waren verklaard, toch met zijn medewerkers te bespreken. Ook op dit punt is gehandeld conform het motiveringsvereiste.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.


IV. Ten aanzien van de gevolgen van de beslissing

1. Verzoeker klaagt er ten slotte over dat de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming, directie Oost, hem niet nader heeft ingelicht over de gevolgen van de beslissing van de Klachtencommissie II, waardoor de effecten van deze beslissing voor verzoeker niet controleerbaar zijn.

2. De minister van Justitie acht deze klacht niet gegrond. Het Besluit klachtbehandeling Raad voor de Kinderbescherming bepaalt dat indien de klachtencommissie de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond acht, de directeur aan de klager meedeelt of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie aan de beslissing van de klachtencommissie door hem daaraan worden verbonden. Hierin wordt niet bepaald dat de effecten van de beslissing controleerbaar moeten zijn. In dit geval heeft de directeur aangegeven dat hij met de betrokken medewerkers de beslissing van de Klachtencommissie II zou bespreken. Het is niet gebruikelijk om van dat soort gesprekken verslagen te maken, aldus de minister. De minister is van mening dat de directeur in deze correct heeft gehandeld en dat deze handelwijze voldoende zekerheid biedt ten aanzien van de vraag of de betrokken medewerkers hier ook daadwerkelijk in de toekomst naar zullen handelen. Bovendien wordt jaarlijks een landelijke inventarisatie van alle klachten gemaakt, waarover door de directeuren met hun middenkader wordt gesproken om te leren van de klachten en hoe deze te voorkomen. Voorts leiden diverse klachten vaak tot aanscherping van onderdelen van het landelijk beleid, aldus de minister.

3. Het vereiste van actieve en adequate informatieverstrekking houdt in dat bestuursorganen burgers met het oog op de behartiging van hun belangen actief en desgevraagd van adequate informatie voorzien. Aan dit vereiste is onder meer invulling gegeven in artikel 6, vijfde lid, van het Besluit klachtenregeling Raad voor de Kinderbescherming. Daarin is bepaald dat de directeur aan de klager meedeelt of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie worden verbonden aan de door een klachtencommissie geheel of gedeeltelijk gegrond verklaarde klacht(en).

4. De directeur heeft aan verzoeker meegedeeld welke gevolgen aan de gegrond verklaarde klachten zijn verbonden. Het is vervolgens aan het bestuursorgaan om de resultaten van de genomen maatregelen te beoordelen. In dit proces is geen plaats meer voor de burger die de klacht indiende.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

 

CONCLUSIE

De klacht over de onderzochte gedraging van de Raad voor de Kinderbescherming, Directie Oost, vestiging Arnhem, is gegrond, wegens schending van het vereiste van actieve en adequate informatieverwerving. De klacht over de onderzochte gedraging van de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming, Directie Oost, te Zutphen is gegrond ten aanzien van:
- het samenvatten van de door de Klachtencommissie II gegrond geachte klachten, en het meedelen dat zijn korte en bondige reactie in de lijn ligt van de wijze waarop de Klachtencommissie II de klachten van verzoeker op de hoorzitting van 14 mei 2003 heeft behandeld, wegens schending van het motiveringsvereiste;
- het in het geheel niet ingaan op de door de Klachtencommissie II gegrond geachte klachten over zijn eigen gedragingen, wegens schending van het motiveringsvereiste;
en niet gegrond ten aanzien van:
- het slechts één gevolg verbinden aan de beslissing van de Klachtencommissie II;
- het niet nader inlichten over de gevolgen van de beslissing van de Klachtencommissie II, waardoor de effecten van deze beslissing voor verzoeker niet controleerbaar zijn;
- het aangeven dat zijn raadsmedewerkers al vóór de beslissing van de Klachtencommissie II zijn aangesproken op de gemaakte fouten, terwijl de directeur zelf de meeste klachten van verzoeker niet gegrond heeft verklaard.

DE NATIONALE OMBUDSMAN, dr. A.F.M. Brenninkmeijer

 

ONDERZOEK

Op 14 juli 2004 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer X te Rhenen, met een klacht over een gedraging van de Raad voor de Kinderbescherming, Directie Oost, vestiging Arnhem, alsmede met een klacht over een gedraging van de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming, Directie Oost, te Zutphen.
Naar deze gedragingen, die worden aangemerkt als een gedraging van de minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld. In het kader van het onderzoek werd de minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.
Tijdens het onderzoek kregen de minister en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Tevens werd de minister een aantal specifieke vragen gesteld. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Zowel de reactie van de minister van Justitie als de reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen en aan te vullen.

BEVINDINGEN

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. FEITEN

1. Verzoeker heeft een dochter Z, geboren in 1997. De moeder van Z, mevrouw Y, heeft het ouderlijke gezag over haar. In 1999 besloten verzoeker en Y uit elkaar te gaan. Eind 1999 werd een omgangsregeling voor Z vastgesteld. Omdat verzoeker bezorgd was over Z, deed hij in 2000 een melding bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Vanaf 7 december 2000 werkte mevrouw Y niet meer mee aan de omgangsregeling voor Z, zodat verzoeker geen omgang meer met haar had.
Op 15 december 2000 vroeg verzoeker de rechter om een gezagswijziging. De kantonrechter te Tiel verzocht de Raad voor de Kinderbescherming, directie Oost, te Zutphen (verder: Raad), hierop bij brief van 7 februari 2001 om advies uit te brengen over de vraag of een nader onderzoek naar aanleiding van het vermoeden van verzoeker dat Z seksueel zou zijn misbruikt, is geïndiceerd en zo ja, welke instantie een dergelijk onderzoek zou kunnen doen en aan welke voorwaarden een dergelijk onderzoek zou moeten voldoen. De kantonrechter voegde bij zijn brief van 7 februari 2001 het verzoekschrift van verzoeker en het verweerschrift van mevrouw Y. Bij het verweerschrift van mevrouw Y was als productie 21-1 het dossier van het AMK gevoegd.

2. Op grond van een advies van 6 maart 2002 van de Raad, besloot de rechter op 18 maart 2002 om tussen partijen een omgangsregeling vast te stellen. Inmiddels had verzoeker zijn verzoek om een gezagswijziging ingetrokken.

3. Naar aanleiding van het advies van de Raad van 6 maart 2002 aan de rechter diende verzoeker bij brief van 29 juni 2002 een klacht in over de Raad bij de directeur van de Raad, bestaande uit veertien klachtonderdelen. In deze klachtbrief is onder meer het volgende opgenomen:
"Dhr K. (raadsonderzoeker; N.o.) is niet op de hoogte van de feiten uit de door de Kantonrechter bijgevoegde stukken met daarin de vraag van vader naar onderzoek van Z. (…)
De bevindingen van het AMK, dat vooronderzoek deed en problemen constateerde in moeders omgeving, worden door de Raad niet serieus genomen. De raadsmedewerkers noemen het AMK niet professioneel, terwijl de raad zelf zich niet eens aan de eigen 'Normen 2000' houdt en zich slechts bezig houdt met de goodwill van moeder. Inhoudelijke vragen van mij betreffende bevindingen van het AMK moeten nog steeds beantwoord worden. Doordat de Raad zich in eerste instantie voornamelijk gericht heeft op het opvallende seksuele gedrag van Z zijn de andere belangrijke zaken niet (goed) belicht."

4. Bij brief van 17 februari 2003 besliste de directeur van de Raad op de klacht van verzoeker. De klacht over het niet serieus nemen van de bevindingen van het AMK achtte hij niet gegrond. De brief hield voorts onder meer het volgende in:
"Voor wat betreft het kennisnemen van de heer K. van de door de Kantonrechter bijgevoegde stukken heb ik uit het gesprek met de heer K. begrepen dat hij u en moeder tijdens het eerste gesprek op 19 juni 2001 heeft voorgelegd dat hij geen kennis had genomen van die stukken, omdat hij de informatie direct van u beiden uit een gesprek wilde vernemen. Als het nodig mocht blijken tijdens dat gesprek kon hij alsnog die stukken lezen, zo heeft hij u ook gezegd. Volgens de heer K. haalt hij als raadsonderzoeker de essentie van de problematiek directer en beter uit een gesprek met de ouders dan uit schriftelijke informatie die door partijen is ingebracht. (…)
In het gesprek met de betrokken medewerkers lieten de heer K., de heer G. alsmede mevrouw T. (raadsonderzoekers; N.o.) mij weten dat zij nooit beschuldigingen hebben geuit richting AMK.
Kijkend naar het verloop en de uitkomsten van het gesprek van u beiden op 19 juni 2001 zijn uw zorgen over Z juist aanleiding en uitgangspunt geweest voor het psychologisch onderzoek van de Raad."

Verder achtte de directeur in bovengenoemde brief één klacht gegrond en één klacht gedeeltelijk gegrond.

5.1. Vervolgens diende verzoeker bij brief van 22 april 2003 een klacht in over de Raad bij de Klachtencommissie II van de Raad voor de Kinderbescherming. Deze klacht bestond eveneens uit veertien klachtonderdelen. In de klachtbrief is onder meer het volgende opgenomen:
"- Na de zomer van 2000 vertoont Z steeds vreemder gedrag, ze wordt onder andere steeds banger voor moeder.
- Vader bespreekt dit gedrag met een kinderpsychiater die hem aanraadt het AMK te bellen.
- In oktober en november 2000 heeft vader vier lange gesprekken met het AMK. Het gedrag van Z wordt steeds extremer. De gesprekken resulteren in een melding. De heer H. van het AMK voorspelt dat moeder hoogstwaarschijnlijk de omgang zal stoppen als het AMK de zaak gaat onderzoeken. Hij adviseert vader om dan een gezagswijziging aan te vragen, waarbij de raad voor de kinderbescherming gebruik kan maken van het onderzoek van het AMK.
- Het AMK start onderzoek medio november 2000.
- Het AMK adviseert lichamelijk onderzoek naar Z op 2 december 2000.
- Het AMK adviseert met spoed hulp voor Z op 7 december 2000.
- Het AMK adviseert moeder om voor haar onverwerkte jeugdproblematiek ook hulp in te schakelen op 7 december 2000.
- Moeder laat op 7 december 2000 weten de omgang te stoppen.
- Hierna dient vader op 15 december 2000 een verzoekschrift in tot wijziging ouderlijk gezag. (...)

4. Dhr K. is niet op de hoogte van de feiten uit de door de Kantonrechter bijgevoegde stukken met daarin de vraag van vader naar onderzoek van Z. In de stukken van moeders kant staat dat Z dol is op haar vader. Moeder herhaalt in het eerste gesprek dat Z dol is op haar vader en dat ze vader nergens van beschuldigt. Vanaf dit moment is duidelijk dat er geen belemmeringen zijn voor omgang. In zijn verslaglegging draait dhr K. de zaken echter om op een vreemde wijze zodat het lijkt alsof er onderzoek naar de relatie Z - vader gedaan zou moeten worden, wat niet aan de orde is, zoals veel later ook door mevrouw T. wordt geconstateerd. (…)

12. De bevindingen van het AMK, dat vooronderzoek deed en problemen constateerde in moeders omgeving, worden door de Raad niet serieus genomen. De raadsmedewerkers noemen het AMK niet professioneel, terwijl de Raad zichzelf niet eens aan de eigen 'Normen 2000' houdt en zich slechts bezig houdt met de goodwill van moeder. (…)

Klacht 12.2
Bij deze klacht is mijn toelichting van belang. "Tijdens de lezing van het conceptpsychologisch rapport (26 november 2001) en de bespreking daarvan kon geen bevredigend antwoord gegeven worden op mijn vraag over de angst van Z tijdens het teruggaan naar moeder. De verslaglegging van het AMK onder andere over het decompenseren van moeder lijkt niet door de Raad opgemerkt. De uitleg en adviezen die ik hierover van het AMK heb gekregen worden als "slecht" advies van het AMK afgedaan. Nu blijkt dat het onderzoek van de Raad hoofdzakelijk in het teken stond van het kweken van goodwill bij moeder, is duidelijk dat de bevindingen van het AMK niet bij deze Raadsstrategie pasten, waardoor ze zonder degelijke onderbouwing als "slecht advies" van tafel zijn geveegd.

Tijdens de bespreking van het concept rapport met de ouders (...) komt de aanleiding voor deze klacht aan de orde. Ik vertel onder andere dat het AMK mij het advies had gegeven om een gezagswijziging aan te vragen als moeder de omgang stopt naar aanleiding van het AMK onderzoek. De bevindingen van het AMK zouden dan gebruikt kunnen worden door de raad. Mevrouw T. zegt dat ze het een zeer slecht advies vindt van het AMK om te adviseren tot een gezagswijziging. Mevrouw T. noemt dit "niet professioneel".

Dit wordt ondersteund door het feit dat de bevindingen van het AMK niet gebruikt worden bij het raadsonderzoek en de heer H. van het AMK niet door de raad wordt gebeld, hoewel mijn vrouw op 4 mei 2001 en ik op 19 juni 2001 hebben aangegeven dat de heer H. gebeld kon worden en het voor de raad toch deel van het onderzoek moet zijn, bronnen na te trekken."

5.2. Verzoeker diende in dezelfde brief van 22 april 2003 ook nog veertien klachten bij de Klachtencommissie II in over de directeur van de Raad.

6. Na een hoorzitting op 14 mei 2003 nam de Klachtencommissie II bij brief van 26 juni 2003 een beslissing. In deze beslissing werden tien klachten over de Raad geheel of gedeeltelijk gegrond verklaard en drie klachten over de directeur van de Raad gegrond verklaard. Voorts werden twee klachten over de Raad gedeeltelijk gegrond verklaard. De klachtonderdelen werden puntsgewijs behandeld. In de beslissing van de Klachtencommissie II is verder onder meer het volgende opgenomen:
"De voorzitter heeft klager en de raad voorgesteld om gelet op het aantal klachten en de uitgebreide toelichting van klager die punten van de klachten te behandelen die naar het oordeel van de commissie kunnen worden beschouwd als de kern van de klachten. Een behandeling van alle onderdelen afzonderlijk zoals die door klager in zijn toelichting van 22 april 2003 zijn opgesteld achtte de commissie niet werkbaar. Klager en de raad hebben met dat voorstel ingestemd, zij het dat klager zowel bij het begin en het eind van de behandeling zijn zorg heeft uitgesproken dat nu mogelijk niet alle punten worden behandeld. (…)
5. (…)
Naar het oordeel van de klachtencommissie kan worden geconcludeerd dat nu de raadsonderzoeker, die zoals hij ook zelf heeft aangegeven niet alle stukken heeft gelezen, niet (voldoende) op de hoogte was van de schriftelijke stukken, het risico bestond dat hij is uitgegaan van verkeerde vooronderstellingen en dat dat heeft doorgewerkt in zijn input voor het multidisciplinair overleg en de interne rapportage.
(…)
Naar het oordeel van de commissie heeft klager (…) terecht de indruk kunnen krijgen dat de raadsonderzoeker met onvoldoende feitenkennis heeft deelgenomen aan het multidisciplinair overleg, waardoor het stopzetten van de omgang door moeder wellicht een vertekend beeld opleverde. De klachtencommissie acht deze klachten gegrond.
(…)
12. (…)
Naar het oordeel van de commissie is onvoldoende gebleken, dat de bevindingen van het AMK door de raad niet serieus worden genomen, aangezien de raad Z psychologisch heeft onderzocht. Ter zitting is wel gebleken dat voor de raad een directe melding van het AMK de ernst van de situatie benadrukt. Verder is niet komen vast te staan dat de raadsmedewerkers zich op genoemde wijze over het AMK hebben uitgelaten. Deze klacht is ongegrond.
Inzake het tweede gedeelte van deze klacht, dat door de directeur niet behandeld is, overweegt de klachtencommissie dat de raad voor wat betreft het (geen) aandacht schenken aan de bevindingen van het AMK niet is afgeweken van het beleid, nu er immers geen eigen melding van het AMK bij de raad was ingekomen op grond waarvan de raad tot actie had moeten overgaan.
(…)

De klachten tegen de directeur.
(…)

P 2 De directeur geeft bij de gegrond verklaarde klachten niet aan welke gevolgen deze hebben.Ter zitting heeft de directeur erkend dat hij heeft verzuimd aan te geven welke gevolgen hij aan de gegrond verklaarde klachten verbindt. De klachtencommissie acht deze klacht gegrond.
(…)

P 10a Afhandeling klacht van 16 januari 2003 en P 12 Termijnoverschrijding klacht van 9 februari 2003
Zoals door de directeur ter zitting erkend, is hier sprake van een termijnoverschrijding, zodat deze klachten gegrond zijn."

7. Bij brief van 17 juli 2003 liet de directeur van de Raad het volgende aan verzoeker weten:

"…Op 27 juni 2003 ontving de raad de beslissing van de Klachtencommissie inzake uw klacht tegen medewerkers van de vestiging Arnhem. In artikel 6 lid 5 van de Klachtenregeling (zie Achtergrond; N.o.) is bepaald, dat indien de commissie de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond acht, de directeur binnen 3 weken na de ontvangst van de beslissing aan de klager meedeelt of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie aan de beslissing van de commissie door hem daaraan worden verbonden.
Met deze brief voldoe ik aan die bepaling.

Bij de behandeling ter zitting heeft de commissie, ook met uw instemming, ervoor gekozen niet alle klachten afzonderlijk te behandelen, maar een aanpak te volgen waarbij het verloop van de zaak op hoofdlijnen het onderwerp van gesprek vormde. In de beslissing van de commissie is echter deze lijn niet doorgetrokken en wordt mijn beslissing als leidraad gehanteerd. De commissie heeft onmiskenbaar forse kritiek op de gang van zaken in het raadsonderzoek.

Aanvankelijk had ik voor wat betreft mijn reactie aan u gekozen voor een aanpak waarbij ik de beslissing van de commissie per onderdeel op de voet zou volgen. Bij het schrijven van die reactie werd mij gaandeweg duidelijk dat ik daarmee moeilijk uit de voeten kon: bij een aantal door de commissie weergegeven visies en standpunten meende ik namelijk toch een aantal vraagtekens en nuanceringen te kunnen en moeten plaatsen. Ik besefte evenwel dat ik daarmee het risico zou lopen de indruk te wekken uw belang en gevoelens in deze te miskennen, alsmede het beeld op te roepen op de essentie van het standpunt van de commissie te willen afdingen. Dat nu is geenszins mijn bedoeling.

Vandaar dat ik toen heb besloten tot een korte en bondige - op de hoofdzaak toegesneden - reactie, die meer ligt in de lijn van de behandeling ter zitting, in de veronderstelling daarmee (meer) recht te doen aan de kern van uw klachten en de beslissing van de klachtencommissie.

Het geheel overziende kom ik dan tot de volgende constatering. De door de kantonrechter aan de raad voorgelegde vraag wordt in de eerste fase van de bemoeienis van de raad niet correct opgepakt. In het vervolgens door de heer K. uitgevoerde onderzoek wordt in een aantal opzichten en situaties niet de vereiste zorgvuldigheid jegens u in acht genomen. Soms gaat het daarbij om procedurele aspecten, soms om inhoudelijke aangelegenheden.

In mijn afhandeling van uw klacht heb ik verzuimd aan te geven welke gevolgen ik aan de door mij gegrond verklaarde klachten heb verbonden. Ter zitting heb ik aangegeven dat de betreffende medewerkers zijn aangesproken op de gemaakte fouten. Na afloop van de vakanties van alle betrokkenen zal ik met hen de beslissing van de commissie bespreken, met als oogmerk herhaling te voorkomen. Zorgvuldigheid in de naleving van bestaande voorschriften is daarbij opnieuw een belangrijke invalshoek…"

B. STANDPUNT VERZOEKER

1. Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder Klacht.

2. Verzoeker liet tijdens het onderzoek nog in een brief van 23 april 2005 weten dat hij van mening is dat de Raad de bevindingen van het AMK tijdens de gehéle periode van raadsbemoeienis niet heeft gebruikt.

C. STANDPUNT MINISTER

Bij brief van 16 februari 2005 achtte de minister van Justitie de klachten van verzoeker niet gegrond. Voor de motivering van zijn standpunt verwees hij naar een ambtsbericht van de algemeen directeur van de Raad voor de Kinderbescherming van 24 januari 2005. In dit bericht is onder meer het volgende opgenomen:

"De aanleiding tot de bemoeienis van de Raad voor de Kinderbescherming met de heer X (verzoeker; N.o.) is het verzoek van de Kantonrechter op 7 februari 2001 aan de Raad in het kader van een verzoek tot wijziging ouderlijk gezag over de minderjarige Z (…), geboren (…) uit de relatie van de heer X en mevrouw Y, om advies over de vraag of een nader onderzoek naar aanleiding van het vermoeden van seksueel misbruik van Z geïndiceerd is en zo ja welke instantie een dergelijk onderzoek zou kunnen doen en aan welke voorwaarden een dergelijk onderzoek zou moeten voldoen (…).
(…)

De klacht
(…)
A. Verzoeker klaagt erover dat de Raad voor de Kinderbescherming, directie Oost, de bevindingen van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) niet of onvoldoende heeft betrokken bij zijn advies van 6 maart 2002, waarin de rechter ten aanzien van de omgangsregeling van het kind van verzoeker is geadviseerd.

Deze klacht, hoewel iets anders geformuleerd, is ook aan de orde geweest bij de klachtbehandeling door de directeur van de directie Oost, de heer mr. P. In zijn brief van 17 februari 2003 (…) is daaromtrent door hem gesteld dat de bevindingen van het AMK juist aanleiding en uitgangspunt zijn geweest voor het psychologisch onderzoek van Z door de Raad (…).
Ook de Klachtencommissie II heeft zich over deze kwestie gebogen en komt in zijn beslissing van 26 juni 2003 (…) tot het oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de bevindingen van het AMK door de Raad niet serieus zijn genomen, aangezien de Raad Z psychologisch heeft onderzocht. Bovendien overweegt de commissie dat de Raad voor wat betreft het (geen) aandacht schenken aan de bevindingen van het AMK niet is afgeweken van het beleid, nu er immers geen eigen melding van het AMK bij de Raad was ingekomen op grond waarvan de raad tot actie had moeten overgaan (…).

Als er een melding door het AMK bij de Raad voor de Kinderbescherming wordt gedaan, neemt de Raad naar aanleiding van zo'n melding de zaak altijd in onderzoek. In dit geval heeft de Raad, zoals ook reeds geconstateerd door de Klachtencommissie, geen melding van het AMK ontvangen.
Maar de zorgen van de heer X over Z, zoals door hem gemeld bij het AMK, zijn door de Raad wel serieus genomen: zij zijn, zoals gesteld door de directeur, de heer mr. P., de reden en de aanleiding geweest voor het psychologisch onderzoek van Z door de Raad. Dat zorgvuldig uitgevoerde onderzoek, waarvan de uitkomst met de heer X is besproken, heeft de zorgen van de heer X niet bevestigd. Naar aanleiding daarvan heeft de heer X besloten zijn verzoek tot wijziging van het ouderlijk gezag in te trekken (…). De Raad heeft daarop wel de Kantonrechter bij brief van 6 maart 2002 (…) geadviseerd tot het vastleggen van een omgangsregeling tussen Z en de heer X. Bij beschikking van de Kantonrechter van 18 maart 2002 is zulks gebeurd.

Ik ben dan ook van mening dat de Raad op bovengenoemde wijze de zorgen van de heer X, zoals door hem gemeld aan het AMK, voldoende heeft meegenomen in zijn advies van 6 maart 2002.

B. Verzoeker klaagt over de wijze waarop de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming, directie Oost, zijn aan verzoeker gerichte brief van 17 juli 2003 heeft opgesteld. (...).
Verzoeker klaagt er met name over dat de directeur in zijn brief:
- de door de Klachtencommissie II gegrond geachte klachten niet per onderdeel heeft behandeld, maar slechts in twee zinnen heeft samengevat;
- heeft medegedeeld dat zijn korte en bondige reactie in de lijn ligt van de wijze waarop de Klachtencommissie II de klachten van verzoeker op de hoorzitting van 14 mei 2003 heeft behandeld, terwijl deze hoorzitting juist drie en een halfuur heeft geduurd;
- in het geheel niet is ingegaan op de door de Klachtencommissie II gegrond geachte klachten over zijn eigen gedragingen;
- slechts één gevolg heeft verbonden aan de beslissing van de Klachtencommissie II, namelijk dat hij deze beslissing met zijn raadsmedewerkers zou bespreken om herhaling te voorkomen, en;
- heeft aangegeven dat hij zijn raadsmedewerkers al vóór de beslissing van de Klachtencommissie II had aangesproken op de gemaakte fouten, terwijl hij zelf de meeste klachten van verzoeker niet gegrond heeft verklaard.

In art 6 lid 5 van het Besluit klachtbehandeling Raad voor de Kinderbescherming (…) is bepaald dat indien de Klachtencommissie de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond acht, de directeur aan de klager meedeelt of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie aan de beslissing van de klachtencommissie door hem daaraan worden verbonden.

In dit Besluit wordt niet vermeld, anders dan de heer X mogelijk meent, hoe en op welke wijze een directeur gevolg moet geven aan de beslissing van de Klachtencommissie; daarin heeft hij een eigen beleidsvrijheid. Het is derhalve niet nodig om meer dan één gevolg te verbinden of om aan ieder onderdeel van de beslissing van de Klachtencommissie een afzonderlijk gevolg te verbinden, tenzij de beslissing daartoe aanleiding geeft. Ook de duur van een zitting heeft geen invloed op de lengte van de reactie van de directeur in deze.

In dit geval heeft de directeur, de heer mr. P., in zijn brief van 17 juli 2003 (…), gelet op de aard van de klachten en de beslissing van de klachtencommissie, gemeend zich te kunnen beperken tot één gevolg op hoofdlijnen, namelijk het aanspreken van de betrokken medewerkers over de beslissing van de Klachtencommissie om herhaling te voorkomen.

Ik heb de betreffende brief van de heer P. nauwkeurig bestudeerd en ik ben van mening dat de heer P. met zijn gevolgtrekking adequaat heeft gehandeld. Hij geeft duidelijk gemotiveerd aan waarom hij heeft gekozen voor de vorm waarin de brief geschreven is. Hij heeft mijns inziens recht gedaan aan de kern van de klachten van de heer X en de beslissing van de Klachtencommissie en heeft gehandeld binnen het kader van het Besluit klachtbehandeling, met name art 6 lid 5.

Naar aanleiding van zijn klachtbeslissing van 18 februari 2003 (bedoeld wordt: 17 februari 2003; N.o.) had de directeur, de heer mr. P., de betrokken medewerkers al aangesproken op hun in zijn ogen onjuiste handelingen, ook al leidde dat niet tot gegrondverklaring van de klacht. Ik ben van mening dat dit een correcte handelwijze is geweest van de directeur.

Wat betreft de klachten tegen de directeur zelf, die door de Klachtencommissie zijn gegrond verklaard, heeft de heer P. ter zitting, in het bijzijn van de heer X reeds erkend dat hij niet juist gehandeld heeft. Hoewel het mogelijk beter was geweest als hij een en ander schriftelijk had bevestigd, ben ik van mening dat hij voldoende en op correcte wijze gevolg heeft gegeven aan de gegrondverklaring van de Klachtencommissie.

C. Verzoeker klaagt erover dat de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming, directie Oost, hem niet nader heeft ingelicht over de gevolgen van de beslissing van de Klachtencommissie II, waardoor de effecten van deze beslissing voor verzoeker niet controleerbaar zijn.

Zoals gezegd bepaalt het Besluit klachtbehandeling Raad voor de Kinderbescherming dat indien de Klachtencommissie de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond acht, de directeur aan de klager meedeelt of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie aan de beslissing van de Klachtencommissie door hem daaraan worden verbonden. Niet wordt bepaald dat de effecten van de beslissing controleerbaar moeten zijn.

In dit geval heeft de directeur, de heer mr. P., zoals gezegd, aangegeven dat hij met de betrokken medewerkers de beslissing van de Klachtencommissie zal bespreken. (…)

Ik ben van mening dat de directeur in deze correct heeft gehandeld en dat deze handelwijze voldoende zekerheid biedt ten aanzien van de vraag of de betrokken medewerkers hier ook daadwerkelijk in de toekomst naar zullen handelen.

Bovendien wordt jaarlijks een landelijke inventarisatie van alle klachten gemaakt, waarover door de directeuren met hun middenkader wordt gesproken om te leren van de klachten en hoe deze te voorkomen. Voorts leiden diverse klachten vaak tot aanscherping van onderdelen van het landelijk beleid."

D. REACTIE VERZOEKER

Verzoeker reageerde bij brief van 23 april 2005 onder meer als volgt:

"(In zijn brief; N.o.) geeft de minister aan dat naar zijn mening mr. P. recht heeft gedaan aan de kern van mijn klachten. Echter de minister geeft daar geen inhoudelijke argumenten voor.
De minister vervolgt (…) dat mr. P. slechts gemotiveerd heeft waarom hij voor de vorm van zijn brief heeft gekozen. Echter deze motiva
tie van mr. P. is niet in overeenstemming met de feiten, zoals ik in mijn klacht (…) al uitvoerig heb aangetoond.

(…) (Verder; N.o.) gaat de minister in op wat 'de heer X mogelijk meent'. Het gaat er mij niet om of er één, twee of honderd gevolgen aan ieder gegrond verklaard klachtonderdeel worden verbonden, ook verwacht ik niet dat de duur van een zitting recht evenredig is aan het aantal gevolgen. Waar het wel om gaat is dat de gevolgen in verhouding staan tot de klachtbeslissing en dat dit deugdelijk gemotiveerd wordt. Zo zou ik mij bijvoorbeeld beter kunnen vinden in één gevolg, als dat gevolg een onderzoek naar de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: raad) zou zijn, met als doel vast te stellen of de begane ernstige mistappen alleen bij de betrokken medewerkers spelen of dat dit soort ernstige mistappen veelvuldig plaatsvinden (De raadsmedewerkers verklaarden namelijk tijdens de zitting dat hun handelwijze (waar naar later bleek de klachtencommissie forse kritiek op had) niet afweek van de gangbare werkwijze binnen de raad).

(…) (Voorts; N.o.) geeft de minister aan dat hij van mening is dat de handelwijze van mr. P. 'voldoende zekerheid biedt ten aanzien van de vraag of de betrokken medewerkers hier ook daadwerkelijk in de toekomst naar zullen handelen'. Echter de minister geeft ook hier geen argumenten voor. In de voorafgaande alinea's geeft de minister slechts aan dat het niet gebruikelijk is om 'van dat soort gesprekken' verslagen te maken en bovendien dat effecten niet controleerbaar hoeven te zijn. Hierdoor is er juist in het geheel geen zekerheid. Het is hierbij van belang om de ernst van de gegrond verklaarde klachten nogmaals te beseffen, en het feit dat een aantal fouten zeer bewust is gemaakt.
(…)
Het niet vastleggen van gesprekken over klachten en het niet controleerbaar zijn van beslissingen minimaliseert de effectiviteit van de door de minister benoemde landelijke inventarisatie van klachten, omdat niet duidelijk is welke maatregelen effect hebben gehad en welke niet.
Betreffende de gegrond verklaarde klachten over de gedragingen van mr. P. zelf wil ik opmerken dat het erkennen van een fout niet hetzelfde is als het verbinden van een gevolg daaraan.

De minister doet (…) een suggestieve mededeling die ik wil rechtzetten: 'de directeur had de betrokken medewerkers al aangesproken op hun in zijn ogen onjuiste handelingen, ook al leidde dat niet tot gegrondverklaring van de klacht'. Door de veertien klachtpunten als één klacht te zien suggereert de minister dat mr. P. zijn medewerkers over alle klachtpunten heeft aangesproken, wat niet juist is. Van de veertien klachtpunten is door mr. P. slechts één punt geheel gegrond verklaard, zijn medewerkers hebben in de ogen van mr. P. maar op één punt onjuist gehandeld. Vóór de beslissing van de klachtencommissie II heeft mr. P. zijn medewerkers blijkbaar aangesproken op dit ene punt, en niet op de gehele klacht zoals de minister suggereert.
(…)
Door mr. P. werd ter verdediging aangewend dat het intern gebruikelijk is dat de raad AMK rapportages niet gebruikt als er geen officiële melding door het AMK is gedaan. In 'normen 2000' vind ik dit niet terug, het lijkt dus geen officieel beleid, zoals mr. P. tijdens de zitting wel deed geloven. Aan mij is deze werkwijze bovendien eerder nooit medegedeeld. Ook niet toen ik de contact informatie van de AMK vertrouwenspersoon aan de raad doorgaf met de mededeling dat deze vertrouwenspersoon gebeld kon worden, en ook niet toen ik de raad vragen stelde over het AMK rapport (vragen die overigens nooit beantwoord zijn door de raad).
(…) Ik heb een gezagswijziging aangevraagd op advies van het AMK, dat problemen in de omgeving van moeder constateert. Daarna begint een lange periode van raadsbemoeienis. De raad kijkt vanaf het begin niet naar wat de rechter vraagt of naar wat het AMK al heeft gevonden. De raadsmedewerkers verklaarden het AMK rapport niet te hebben gelezen om onpartijdig onderzoek te doen. Nergens in verslaglegging van de raad wordt verder verwezen naar het AMK rapport. Het raadsonderzoek blijkt onprofessioneel, misleidend, partijdig en manipulatief. Ik werd door de raadsbemoeienis gedwongen mijn verzoek tot gezagswijzing in te trekken om nog enig zicht te houden op toekomstig contact met mijn kind. Ik ben ervan overtuigd dat deze zaak niet zo uit de hand was gelopen als de raadsmedewerkers zich direct op de hoogte hadden gesteld van de inhoud van het AMK rapport."

ACHTERGROND

Artikel 6, vijfde lid, van het Besluit van 24 juni 1996, houdende regels ter zake van de behandeling van klachten bij de Raad voor de Kinderbescherming, Stb. 1996, 330 (Besluit klachtbehandeling Raad voor de Kinderbescherming)

"Indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is bevonden, deelt de directeur binnen drie weken na ontvangst van de beslissing van de klachtencommissie aan de klager mee of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie daaraan worden verbonden."