NOB03102
Verzoeker klaagt erover dat de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming, directie Oost, geen enkel gevolg heeft verbonden aan de uitkomst van de klachtbehandeling door de directeur op 11 oktober 2000, waarbij een klacht van verzoeker over het optreden en de werkwijze van een raadsonderzoekster gedeeltelijk gegrond is bevonden. Verzoeker klaagt er in dit verband met name over dat de directeur van de Raad, ondanks de gedeeltelijke gegrondverklaring van zijn klachten en het feit dat er nog een klachtprocedure bij de klachtencommissie liep met betrekking tot het onderzoek, het raadsrapport van 1 november 2000 aan de rechtbank heeft gestuurd.
Voorts klaagt verzoeker erover dat, ondanks het feit dat enkele van zijn klachten gegrond zijn verklaard, de directeur van de Raad het zeer onwaarschijnlijk achtte dat de uitkomst van het onderzoek tot een ander resultaat zou (kunnen) leiden, dan in feite concreet was geconcludeerd, te weten dat een herstel van de contacten cq omgangsregeling niet mogelijk is.
De Nationale Ombudsman oordeelt dat de gedraging van de Raad, die kan worden aangemerkt als een gedraging van de minister van Justitie, onbehoorlijk is.