NOB0207

Klager had bij de Nationale Ombudsman een klacht ingediend, en vroeg daarna om uitbreiding van die klacht in verband met de in RVK0105 gerezen vraag: wie is er verantwoordelijk voor een psychologische rapportage door een extern bureau, die in het Raadsrapport opgenomen en naar de rechtbank gezonden is.
De ombudsman antwoordt dat volgens Normen 2000 de praktijkleider van de Raad de eindverantwoordelijheid heeft voor het rapport, zodat de klacht niet uitgebreid hoeft te worden.

 

------------------------------------------------------------------------------

De Nationale Ombudsman, iii-7-2002

Geachte Heer Nhhh,

De Nationale ombudsman heeft op 18 april 2002 het standpunt van de Minister van Justitie op uw klacht ontvangen. Kortheidshalve verwijs ik naar de inhoud van deze reactie, die u hierbij in fotokopie aantreft. De bijlagen waarnaar in de stukken wordt verwezen heb ik niet meegezonden, daar het u bekende stukken betreft.
Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen zijn op het Bureau Nationale ombudsman, volgens vast beleid van de Nationale ombudsman, de bijlagen waar nodig geanonimiseerd.
Indien u op deze informatie wilt reageren, verzoek ik u dat binnen vier weken te doen. Mocht u binnen de genoemde termijn niet hebben gereageerd, dan wordt aangenomen dat u geen commentaar hebt op hetgeen naar voren is gebracht.

Op ii november 1999 heeft de Raad het PAR verzocht een specialistisch onderzoek in te stellen met betrekking tot Z1992. In uw brief van ii januari 2002 hebt u de Nationale ombudsman gevraagd te onderzoeken wie de verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van dit onderzoek en voor de inhoud van het hierop gebaseerde rapport.
Ik kan u hierover het volgende meedelen.

Het Ministerie van Justitie heeft richtlijnen opgesteld aan de hand waarvan een door de Raad ingeschakelde externe deskundige, zoals het PAR, zijn onderzoek dient op te zetten en of te ronden. Uit hoofdstuk IV van deze Richtlijnen voor het (laten) verrichten van extern onderzoek, geldig van 1 april 1996 tot 1 juli 2002, blijkt dat de uitvoering en de methoden van het onderzoek niet onder deze richtlijnen vallen; de externe onderzoeker draagt hiervoor een eigen verantwoordelijkheid (zie bijlage).
De verantwoordelijkheid voor het onderzoek en de inhoud van het rapport liggen dus bij het PAR, respectievelijk de onderzoeker.
Klachten op dit punt kunnen niet door de Nationale ombudsman worden onderzocht omdat het PAR noch een PAR-medewerker een bestuursorgaan (overheidsinstantie) is.

Zoals impliciet uit hoofdstuk V van deze richtlijnen blijkt, draagt de Raad een eigen verantwoordelijkheid bij de besluitvorming om het PAR-rapport te gebruiken in zijn advies aan de rechter. Wanneer de Raad zou oordelen dat het PAR-rapport niet voldoet aan de door hem gestelde eisen, kan de Raad besluiten om nadere vragen te stellen of om het PAR-rapport niet te gebruiken (zie bijlage).
Dat de Raad het rapport van het PAR hierbij (eventueel) aan een marginale toetsing onderwerpt, acht de Nationale ombudsman niet onjuist. Immers, wanneer van de Raad een integrale toetsing zou worden verlangd, zou uitbesteding van het onderzoek weinig zinvol zijn.
In dit geval heeft de Raad de conclusies van het PAR onderschreven en daarmee een eigen verantwoordelijkheid voor het gebruik van dit rapport genomen.
Vervolgens heeft de Raad (onder andere) het PAR-rapport, inclusief uw schriftelijke aanvulling daarop, tezamen met zijn eigen rapport voorgelegd aan de rechter.
De Nationale ombudsman mag klachten over deze besluitvorming en gedragingen van de Raad niet in onderzoek nemen omdat sprake is geweest van wat de Wet Nationale ombudsman 'rechterlijk toezicht' noemt.
De rechter heeft van genoemde stukken kennis kunnen nemen en heeft, getuige zijn beschikking, geen reden gezien om het rapport van de Raad, dat zijn grondslag vindt in het PAR-rapport, niet te gebruiken. Aldus heeft de rechter zich impliciet over het gebruik van de rapporten uitgelaten.

Op grond van het vorenstaande heeft de Nationale ombudsman geen aanleiding gevonden om de klachtformulering uit te breiden. Het spijt mij u niet anders te kunnen meedelen.

Een afschrift van deze brief zal worden gezonden aan
de Minister van Justitie
en de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming, Directie Noord-West,
zodat zij op de hoogte zijn van deze beslissing van de Nationale ombudsman.

Voor een toelichting op het bovenstaande kunt u telefonisch contact opnemen met mevrouw mr. Aaaa, medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman.
Zij is bereikbaar op het in het briefhoofd genoemde telefoonnummer.

Met vriendelijke groet en hoogachting,
DE SUBSTITUUT-OMBUDSMAN,