MTU9802

Inleiding.

Onderstaande casus geeft een voorbeeld van medisch-bureaucratische mistvorming in een samenspel tussen een psychiater, een huisarts en een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming.
Een klacht tegen de psychiater werd in hoger beroep gegrond geacht op grond van de overweging van het Centraal Medisch College dat de deskundige gebruik had moeten maken van de door klager aangeboden informatie, en zich bewust had moeten zijn van de mogelijke consequenties van een door hem gechreven brief aan de huisarts.
Uit de beslissing blijkt voorts hoe effectief een eigen vastlegging van gebeurtenissen is (in casu: verslagen over de weekends van omgang).

-------------------------

Het Centraal Medisch Tuchtcollege heeft het navolgende overwogen en beslist op het door Klager klager/appellant, ingestelde hoger beroep van de beslissing van het Medisch Tuchtcollege te Groningen van ii november 1996, door appellant ontvangen op ii november 1996, waarbij zijn klacht tegen Psychiater, psychiater, is afgewezen.

1. Het Centraal Medisch Tuchtcollege heeft kennis genomen van de stukken van eerste aanleg; het proces-verbaal van eerste aanleg; de beslissing waarvan beroep; het beroepschrift ingekomen op ii november 1996; het verweerschrift in beroep ingekomen op ii januari 1997; reactie met bijlage van appellant op het verweerschrift ingekomen op ii februari 1997; brief van de advocaat van de arts ingekomen op ii maart 1997.

2. De zaak is in hoger beroep behandeld ter terechtzitting van het Centraal College op ii augustus 1997, alwaar zijn gehoord: appellant en aangeklaagde arts, de laatste bijgestaan door Mr xxxx.

3. Het beroep is tijdig ingesteld.

4. Kort samengevat en voorzover hier van belang zijn de volgende feiten en omstandigheden aanleiding geweest tot het indienen van de klacht:

Klager en zijn ex-echtgenote hebben verschillende procedures gevoerd over de omgangsregeling tussen de vader en zijn vier kinderen.
Bij een behandeling bij de rechtbank van een verzoekschrift tot verruiming van de omgangsregeling met zijn kinderen bleek de vader van bemoeienis van het Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie Kkkkk met zijn kinderen. Via zijn advocate werd hem na enige tijd bekend dat zijn zoon Z1983 voor twee maanden ter observatie was opgenomen in De Kkkkk.

Klager is na enige tijd op verzoek van de aangeklaagde arts naar Kkkkk gereisd voor een gesprek met de arts. Er heeft echter geen inhoudelijk terzake doend gesprek plaatsgevonden.

De arts heeft daaromtrent meegedeeld aan het Medisch Tuchtcollege dat de vertrouwensrelatie met moeder en haar nieuwe echtgenoot, de stiefvader van Z1983, gevoelig lag en de moeder inhoudelijke communicatie met de vader van Z1983 had verboden. Wel hebben gesprekken tussen de arts en de moeder en de stiefvader van Z1983 plaatsgevonden.
In de eindrapportage d.d. ii december 1994 -het advies van de arts aan de huisarts - heeft de arts aangegeven dat de conflicten tussen vader en moeder en de conflicten rond de omgangsregeling nadelig waren voor de ontwikkeling van Z1983 en dat hij daarom adviseerde om de omgangsregeling van Z1983 met diens vader op te schorten totdat Z1983 de leeftijd van 16 jaar zou hebben bereikt, omdat de behandeling van Z1983 anders zinloos zou zijn en wellicht negatief zou uitwerken. Als toelichting voor dat advies gaf de arts bij het Medisch Tuchtcollege aan dat dit voor Z1983 het beste was om de pragmatische reden dat moeder voogdes was. De moeder heeft een afschrift van het advies ontvangen. Bij het opstellen van het eindadvies was mevrouw Ddddd, medewerkster van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig. Dit werd door de arts zinvol geacht omdat zij eerder gesprekken met beide ouders had gevoerd en daardoor objectief informatie kon inbrengen. De moeder had voor haar aanwezigheid toestemming gegeven.

In latere procedures is het advies van de arts gebruikt om te komen tot een definitieve beëindiging van klagers omgang met zijn zoon.
De arts stelt dat hij uitsluitend als behandelaar van Z1983 is opgetreden en in diens belang heeft gehandeld. Er is nimmer geadviseerd of gerapporteerd aan de Raad voor de Kinderbescherming.

5. Het Medisch Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen overwegende als volgt:

De klacht behelst in hoofdzaak het verwijt aan de aangeklaagde arts dat het door hem opgestelde behandeladvies ten aanzien van klagers zoon Z1983 als breekijzer heeft gediend in een procedure tussen klager en diens ex-echtgenote betreffende de omgangsregeling van klager met deze zoon. De in het behandeladvies opgenomen zinsnede dat afgelasting van de bezoekregeling aangewezen zou zijn in het belang van Z1983 zou er rechtstreeks toe hebben geleid dat de omgangsregeling werd stopgezet.

De aangeklaagde arts heeft aangevoerd dat Z1983 naar de polikliniek van De Kkkkk was verwezen door zijn huisarts, dat hij zelf uitsluitend is opgetreden als behandelaar en nimmer enige rol als adviseur of deskundige terzake van de omgangsregeling heeft gehad. Zo al zijn advies met vorenbedoelde opmerking van betekenis is geweest in een procedure die tot stopzetting van de omgangsregeling heeft geleid, dan is dat niet op zijn instigatie dan wel in overleg met hem gebeurd. Hij heeft zoals te doen gebruikelijk de huisarts geadviseerd over de te volgen weg.

Het College, kennis genomen hebbende van de beschikbare stukken en de verklaringen die ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door partijen zijn afgelegd, ziet geen aanleiding om aan de juistheid van hetgeen aangeklaagde heeft aangevoerd te twijfelen. Het College acht het wat minder gelukkig dat aangeklaagde zich heeft laten informeren door een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, omdat het bij uitstek die instantie is die in procedures rond omgangsregelingen van advies heeft te dienen, maar gezien de omstandigheden van het geval niet verwijtbaar in de zin van de Medische Tuchtwet. Het College heeft begrip voor de moeilijke situatie waarin aangeklaagde is komen te verkeren door het absolute verbod van de moeder/voogdes om klager op enigerlei wijze bij observatie en onderzoek van Z1983 te betrekken en waardeert dat aangeklaagde een weg heeft gezocht om al te eenzijdige informatie van de kant van de moeder te doorbreken.

Mogelijk heeft aangeklaagde de positie van de Raad in procedures niet voldoende scherp in het oog gehouden, maar het College heeft niet de indruk dat aangeklaagde op enigerlei wijze zelf zijn rol van behandelaar heeft verruild voor die van deskundige in de procedure. Dat de moeder van Z1983 het advies, voortgevloeid uit de observatie, heeft gebruikt in die procedure, was voorspelbaar, maar naar het oordeel van het College niet aan aangeklaagde te verwijten.

6. Klager herhaalt in beroep zijn klacht van eerste aanleg dat de arts zich in zijn onderzoek te zeer alleen heeft laten leiden door de informatie van de moeder en te weinig oog heeft gehad voor het belang van de omgangsweekeinden voor de kinderen en hun vader. Hij heeft zich bovendien onvoldoende verdiept in de mening van de vader.

7. Daarnaast heeft klager de volgende grieven tegen de beslissing van eerste aanleg aangevoerd.

Anders dan het College overweegt is mevrouw Ddddd van de Raad voor de Kinderbescherming bij het gesprek op De Kkkkk niet aanwezig geweest voor het verschaffen van informatie, maar voor het inwinnen van informatie.

Gesprekken heeft klager met mevrouw Ddddd nooit gehad met uitzondering van een zeer kort telefoongesprek. Een objectieve inbreng -zoals het College te Groningen in zijn overwegingen trekt- kon dan ook door de arts niet worden verwacht.

Het Medisch Tuchtcollege overweegt dat het voorspelbaar was dat moeder het advies van de arts zou gebruiken voor de volgende procedure. Ten onrechte komt het College vervolgens tot de conclusie dat de arts desalniettemin niet verwijtbaar heeft gehandeld door het geven van zijn advies (dat niet stoelde op objectief onderzoek) en de wijze waarop hij dit heeft gegeven.

Uit de door klager overgelegde gegevens blijkt dat het voordat de omgangsregeling werd stopgezet, op school zowel wat betreft leerprestaties als sociale contacten goed ging met Z1983.

Uit de verslagen van de vader van de weekends met de kinderen blijkt eveneens dat deze plezierig verliepen.

Bovendien heeft klager aangegeven welke problemen zich bij moeder zijns inziens voordoen. Noch de arts noch het Medisch Tuchtcollege schenkt hieraan enige aandacht, terwijl deze gegevens toch van belang waren voor een oordeel over het welbevinden van de kinderen.

8. De arts heeft verweer gevoerd.

9. Het Centraal Medisch Tuchtcollege overweegt als volgt:

Er is geen reden te twijfelen aan de bedoeling van de arts om van mevrouw Ddddd objectieve informatie over de relatie tussen de ouders -voorzover van belang voor Z1983- te verkrijgen. Of mevrouw Ddddd ook informatie wilde inwinnen ten behoeve van de Raad voor de Kinderbescherming staat hier buiten.

 

Het Centraal Medisch Tuchtcollege is echter van oordeel dat het onderzoek van de arts onvoldoende is geweest. Voor begrip van Z1983's problematiek was meer inzicht in de conflicten tussen de ouders van belang. Een uitvoeriger contact met klager en aandacht voor diens inbreng was hiervoor aangewezen geweest. Mogelijk was een advies tot opschorting van de omgangsregeling tijdens de observatieperiode van Z1983 wenselijk.

Het was echter onjuist en onzorgvuldig ten aanzien van alle betrokkenen om een advies tot stopzetting van de omgangsregeling, totdat Z1983 16 jaar zou zijn geworden, te geven op basis van dit onvolledige onderzoek.

Toen de arts rechtstreeks aan de moeder een kopie van zijn advies aan de huisarts toezond had hij zich er van bewust behoren te zijn dat moeder dit advies mogelijk zou gebruiken in de rechtsstrijd met klager om de omgangsregeling.

Ook als behandelaar van Z1983 is hij daarmee verantwoordelijk te stellen voor de invloed die zijn advies in de procedure heeft gehad.

Uit het voorgaande volgt dat het Centraal Medisch Tuchtcollege van oordeel is dat de arts onzorgvuldig heeft gehandeld en dat de klacht van klager daaromtrent gegrond is.

De arts heeft zich aldus schuldig gemaakt aan handelingen, die het vertrouwen in de stand der geneeskundigen ondermijnen. Terzake van deze feiten kunnen maatregelen worden opgelegd overeenkomstig hoofdstuk III van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

Het Centraal Medisch Tuchtcollege acht het opleggen van de maatregel van waarschuwing passend.
Om redenen aan het algemeen belang ontleend acht het Centraal College bekendmaking van deze beslissing met in achtneming van het bepaalde in artikel 13b van de Medische Tuchtwet op hierna aan te geven wijze geboden.

 

Het Centraal Medisch Tuchtcollege beslist mitsdien als volgt:

 

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP: vernietigt de beslissing waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:R verklaart de klacht gegrond en legt de maatregel van waarschuwing op; bepaalt dat deze beslissing overeenkomstig artikel 13b van de Medische Tuchtwet bekend zal worden gemaakt door plaatsing in de Staatscourant en door toezending aan de redactie van het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en van Medisch Contact met verzoek tot plaatsing.

 

Aldus gegeven in Raadkamer door:

Mr Xxxxxx, voorzitter; Prof Dr Xxxxx, Prof Dr Xxxxxx, Dr Xxxxx, Xxxxxx leden-geneeskundigen; in tegenwoordigheid van Mr Xxxxx, secretaris; en uitgesproken ter openbare terechtzitting van ii februari 1998, door Mr Xxxxxx in tegenwoordigheid van de secretaris.