MTU0212

 

Inleiding.
Een arts stelt zich na zijn pensionering op als luisterdokter voor patiënten die daar behoefte aan hebben. Hij overschat de kracht van zijn goede bedoelingen en verkijkt zich op de reikwijdte daarvan, als hij ten behoeve van één van zijn patiënten een verklaring afgeeft voor gebruik in een echtscheidingsprocedure. Volgens deze verklaring worden de angsten van de patiënte veroorzaakt door bedreigingen door haar ex-echtgenoot.
Laatstgenoemde dient een klacht in bij het Medisch Tuchtcollege.
Het Regionaal Tuchtcollege uit in bedekte termen twijfels ten aanzien van de competentie van de arts. Maar de eenzijdigheid van de verklaring, alsook de betwijfelbare objectiviteit van die verklaring omdat deze werd afgegeven door een behandelend arts, brengen het College tot het opleggen van de maatregel van een waarschuwing.

 

-------------------------

 

Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle, oordelend inzake de op ii juni 2002 ingekomen klacht van
De man, wonende te Eeee, klager,

- tegen -

De arts , arts, wonende te Oooo, verweerder.

Gezien de stukken, waarvan met name het inleidend klaagschrift, voorzien van bijlagen en een aanvulling daarop, voorzien van bijlagen, het verweerschrift, de repliek en het schrijven van klager d.d. ii november 2002 voorzien van een bijlage. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid te dupliceren.
Voorts gezien een tweetal brieven van de secretaris van het College d.d. ii en jj september 2002, waarin partijen in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord, van welke gelegenheid zij geen gebruik hebben gemaakt.
Gelet op het verhandelde ter zitting van ii december 2002, waar klager en verweerder in persoon zijn verschenen.

Overweegt:

1. ten aanzien van de feiten:

Klager en zijn echtgenote, mevrouw Hhhh, zijn verwikkeld geweest in een echtscheidingsprocedure. Samenhangend met die procedure heeft klagers echtgenote een kort geding procedure tegen klager aangespannen teneinde hem een contact- en straatverbod op te laten leggen. In het kader van die procedure heeft klagers echtgenote een beroep gedaan op een verklaring die opgesteld is door verweerder. De verklaring, gedateerd ii februari 2002, bevindt zich in kopie bij de stukken en luidt als volgt:
"Bovengenoemde patiënte is van 1995 tot heden bij mij onder behandeling voor de psychische gevolgen t.g.v. de scheiding.
Door de spanning rond dit gebeuren en de bedreigingen naar haar geuit was ze extreem angstig waardoor zij niet goed kon functioneren. Zij gaf mij een reëel beeld van het gebeuren."
Verweerder heeft deze verklaring geschreven op zijn briefpapier, waarop vermeld staat dat hij arts is en hij heeft de verklaring ondertekend. Hij wist of begreep dat de verklaring bestemd was om overgelegd te worden in een gerechtelijke procedure tussen zijn patiënte en haar echtgenoot, klager.
Verweerder is huisarts geweest, daarna schoolarts, en tot zijn VUT is hij verpleeghuisarts geweest. Nadien voert verweerder gesprekken met patiënten over problemen die bij hen leven. Verweerder noemt dit luistertherapie. Klagers echtgenote bezocht verweerder van 1995 tot 1997 voor gesprekken. De frequentie was 1 maal per week of 1 maal per 2 weken. Van 1997 tot 2001 vonden geen gesprekken plaats. Eind 2001 vond er weer een gesprek plaats tussen verweerder en klagers echtgenote en tijdens het gesprek op ii februari 2002 heeft klagers echtgenoot verweerder gevraagd een verklaring te schrijven. Verweerder heeft aan klaagsters verzoek met het afgeven van bovenvermelde verklaring voldaan, omdat hij een morele steun voor haar wilde zijn. Verweerder heeft klager vóór 1995 éénmaal voor een gesprek gezien.

2. ten aanzien van de klacht:

Klager verwijt verweerder dat hij de verklaring heeft afgegeven. Klager is van oordeel dat verweerder aldus de tuchtnorm en de KNMG-regel terzake heeft geschonden.

3. ten aanzien van het verweer:

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij het risico van het afgeven van geneeskundige verklaringen inziet, dat hij er spijt van heeft dat hij deze verklaring heeft afgegeven en dat hij, indien het College tot het oordeel komt dat hij deze verklaring niet had mogen afgeven, zich bij dat oordeel neer zal leggen.

4. ten aanzien van de gegrondheid van de klacht:

Verweerder heeft een geneeskundige verklaring afgegeven. In de verklaring signaleert hij extreme angst bij zijn patiënte, schrijft hij die angst toe aan de spanning rond de scheiding en aan jegens zijn patiënte geuite bedreigingen, en komt hij tot de bevinding/conclusie dat zijn patiënte door haar angst niet goed kon functioneren. Afgifte van een dergelijke verklaring valt onder het bereik van artikel 47, lid 1, aanhef en onder b. van de Wet BIG. De door verweerder afgegeven verklaring had de strekking invloed uit te oefenen op de uitkomst van een procedure tussen klager en de patiënte van verweerder. Zij was verder eenzijdig in die zin dat zij gebaseerd was op contact met uitsluitend die patiënte. Tenslotte kon het feit dat zij door verweerder als behandelend arts werd afgegeven, tenminste twijfel wekken aan haar objectiviteit.
Bij afgifte van verklaringen als de onderhavige kan de uitoefening van de individuele gezondheidszorg door conform de Wet BIG ingeschreven artsen, bij andere betrokkenen dan de patiënt van de arts gemakkelijk in diskrediet brengen. Alleen daarom al hoort een arts zich van de afgifte van zulke verklaringen te onthouden.
Op verweerder toegepast betekent het vorenstaande dat afgifte van de onderhavige verklaring in strijd was met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg als bedoeld in artikel 47, lid 1, onder b. van de Wet BIG. Voor die conclusie is niet ook nodig na te gaan of verweerder met het oog op afgifte van de verklaring over voldoende deskundigheid en feitelijke informatie beschikte.

5. ten aanzien van de op te leggen maatregel:

Dat laatste kan wel van belang zijn voor de vraag welke maatregel aan verweerder moet worden opgelegd. Het College is van de deskundigheid en het genoegzaam geïnformeerd zijn van verweerder niet overtuigd, maar gunt hem het voordeel van de twijfel. In zijn nadeel laat het College gelden dat de verklaring opgevat kan worden als suggererend dat klager de patiënte van verweerder heeft bedreigd. Al met al acht het College de maatregel van waarschuwing op zijn plaats.

 

Beslist:

Waarschuwt verweerder.

Aldus gedaan in raadkamer op ii december 2002 door mr. Www, voorzitter, Mmmm en Tttt, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. Pppp, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van ii januari 2003, door mr. Uuuuu, voorzitter, in tegenwoordigheid van Dddd, gerechtssecretaris.

voorzitter, w.g. mr. Wwww secretaris, w.g. mr. Pppp

Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege.

Door verweerder alsmede door de betrokken Inspecteur voor de Gezondheidszorg kan binnen zes weken na verzending van het afschrift der beslissing beroep worden ingesteld bij het Centraal College te Den Haag.
Het beroepschrift dient te worden ingezonden bij de secretaris van het College te Zwolle.