MTU0208
Inleiding.
Deze zaak
laat zien hoe een ouder in de mangel genomen kan worden door een extern bureau.
Moeder had valse beschuldigingen geuit, vader
verzocht er een te controleren bij Psychiater2. De onderzoeker van het PAR
beweerde dat als psycholoog niet te mogen doen (...), waarna Psychiater1 ingeschakeld
werd. Die legde vader en moeder op de pijnbank, maar nam geen contact op met
Psychiater2. Vader verzette zich vergeefs tegen zijn rapportage.
In latere rechtszaken werd vooral deze ongevraagde rapportage gebruikt om
vader de omgang met Z1992 te ontzeggen.
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE AMSTERDAM
Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op ii juni 2001 binnengekomen klacht van:
Vader, geboren op ii juni 1955, wonende te Amsterdam, klager,
tegen
Psychiater1, geboren ii november 1935, wonende te Amersfoort, verweerder.
1. Het verloop van de procedure.
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift
met de bijlagen;
- het verweerschrift van ii september 2001 met de bijlagen;
- de repliek van ii oktober 2001;
- de brief van verweerder van ii oktober 2001 waarin hij afziet van dupliek;
- het proces-verbaal van het mondeling verhoor van ii december 2001;
- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming over Z1992 van ii mei
2001;
- de beschikking van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van ii juni 1999.
De klacht is in raadkamer
van ii augustus 2002 behandeld.
2. De feiten.
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
Klager heeft samen met Moeder (hierna te noemen Moeder) een zoon Z1992. geboren op 3 juli 1992. Z1992 is door klager erkend als zijn zoon. Z1992 verblijft bij Moeder die het ouderlijk gezag over hem heeft. Tussen klager en Moeder zijn problemen gerezen met betrekking tot de omgang van klager met Z1992. Op 19 januari 1999 heeft de Arrondissementsrechtbank te Haarlem een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen klager en Z1992. Klager heeft vervolgens een aanvullend verzoek tot uitbreiding van de omgang gedaan. Bij beschikking van 1 juni 1999 heeft de Arrondissementsrechtbank te Haarlem aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna De Raad) verzocht een onderzoek in te stellen en de rechtbank te adviseren omtrent de mogelijkheden van een omgangsregeling tussen klager en Z1992. Voorts is in de beschikking een nieuwe voorlopige omgangsregeling tussen klager en Z1992 vastgesteld inhoudende dat klager en Z1992 gerechtigd zijn tot omgang eenmaal per twee weken op zondag van 13.00 tot 17.00 uur in de woning van de grootouders (mz). Voorts is klager gerechtigd tot wekelijks telefonisch contact met Z1992 zoals vermeld in de beschikking. Op 29 juni 1999 is De Raad begonnen met het verzochte onderzoek. Op die datum zijn ook de standaardvoorlichtingsfolders aan de ouders toegestuurd. Voorts is er op 5 juli 1999 aan klager en op 15 juli 1999 aan Moeder voorlichting gegeven over het verloop van het onderzoek. De vragen die De Raad in het kader van het onderzoek heeft onderzocht luiden als volgt: "1. Levert de omgang tussen vader en Z1992 ernstig nadeel op voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van Z1992; 2. Moet de vader kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat worden geacht tot omgang; 3. welke zijn de conclusies van De Raad naar aanleiding van het onderzoek. " Tijdens het onderzoek is vervolgens door De Raad besloten tot een deskundigenonderzoek omdat sprake was van zorgpunten in de ontwikkeling van Z1992.
Dit deskundigenonderzoek
is in opdracht van De Raad verricht door het PAR en vond plaats in de periode
ii november 1999 tot ii april 2000. Voor dit onderzoek werden de volgende
vragen geformuleerd:
1. Hoe is de sociaal - emotionele ontwikkeling van Z1992 tot nu toe verlopen?
2. Hoe kan de relatie tussen Z1992 en zijn moeder omschreven worden? Hoe ervaart
Z1992 zijn moeder?
3. Hoe kan de relatie tussen Z1992 en zijn vader omschreven worden? Hoe ervaart
Z1992 zijn vader?
4. Welke mogelijkheden hebben vader en moeder om een omgangsregeling tussen
vader en Z1992 te hanteren en te accepteren? In hoeverre is moeder in staat
Z1992 voldoende ruimte te geven in het contact met vader? In hoeverre is vader
in staat een contact met Z1992 op een niet-belastende wijze vorm en inhoud
te geven?
5. Zijn de belemmeringen in het gedrag en/of de persoonlijkheid van beide
ouders waar te nemen die een soepellopend contact van Z1992 met de vader (in
het kader van een omgangsregeling) dan wel een positieve beleving van Z1992
van het contact met vader, in de weg kunnen staan ?
6. Zijn er van uit Z1992 contra- indicaties aan te wijzen voor omgang met
zijn vader? In hoeverre vindt u in uw onderzoek aanwijzingen dat omgang ernstig
nadeel op zal leveren voor Z1992s geestelijke of lichamelijke ontwikkeling
?
7. Met welke gedragswetenschappelijke overwegingen zowel ten aanzien van vader,
moeder als Z1992, zou de Raad rekening moeten houden bij het vormen van een
advies ten aanzien van vorm en frequentie van een vast te stellen omgangsregeling
?
8. Acht u hulpverlening en/of opvoedingsondersteuning voor (een van de) betrokkenen
geïndiceerd?
Het PAR heeft aan de ouders de brochure "zo werkt het PAR" toegezonden. Deze brochure luidt voor zover hier van belang als volgt:
"Wat doet het PAR - Het PAR is een onafhankelijk adviesbureau. Voor onze medewerkers (psychologen, pedagogen, psychiaters) staan de belangen en het welzijn van uw kind(eren) voorop. Daar is het aangevraagde onderzoek ook op gericht. De opdrachtgever, de Raad voor de Kinderbescherming of de (kinder)rechter, gebruikt het PAR - advies bij de beslissing over wat er moet gebeuren.. " (...) Hoe is de gang van zaken - De raad voor de Kinderbescherming of de (kinder)rechter heeft met u gesproken over de opdracht voor onderzoek aan het PAR. In de aanmeldingsbrief van deze opdrachtgever staat te lezen welke vragen aan het PAR gesteld zijn. Van de Raad of de (kinder)rechter krijgt u een kopie van de aanmeldingsbrief. Bij het PAR legt een medewerker u uit hoe het onderzoek plaatsvindt. U kunt zich tijdens dit deel van het gesprek, dus voordat het eigenlijke onderzoek begint, laten bijstaan door een vertrouwenspersoon. Na dit eerste deel van het gesprek wordt u verzocht een handtekening te zetten om te bevestigen dat u deze folder gekregen heeft en dat u er een mondelinge toelichting op gehad heeft. Het onderzoek start pas als u het eens bent met de geschetste gang van zaken. Wat houdt het onderzoek in - In het gesprek met u en later met de overige betrokkenen probeert de PAR - medewerker antwoord te vinden op de vragen die gesteld zijn door de Raad voor de Kinderbescherming of de (kinder)rechter. Mogelijk wordt u ook gevraagd een aantal vragenlijsten met betrekking tot uw kinderen) of uzelf in te vullen. (...) Gesprek over het advies Vervolgens krijgt u het gehele rapport thuisgestuurd. Tot één week hierna kunt u schriftelijk uw visie op het rapport aan het PAR opsturen. Dit wordt door ons, zonder commentaar, toegevoegd aan het rapport. Daarna gaat het PAR - rapport naar de Raad voor de Kinderbescherming of de (kinder)rechter. Die beslist wat er met het advies gebeurt. "
In het kader van het onderzoek door het PAR zijn beide ouders gehoord door verweerder. Verweerder heeft vader in zijn gespreksverslag omschreven als "een intelligente man met een afstandelijk affect en narcistische trekken, maar niet psychiatrisch gestoord. "
De Raad heeft op 14 mei 2001 het rapport uitgebracht over Z1992. Daarin staat als besluit vermeld dat De Raad de Arrondissementsrechtbank te Haarlem adviseert om omgang tussen vader en Z1992 toe te wijzen gedurende eenmaal per maand voor minimaal een uur en maximaal twee uur gedurende zes maanden onder begleiding van het Ambulant Bureau Jeugdwelzijnszorg. Daarna zal de situatie door De Raad opnieuw worden geëvalueerd.
Verweerder heeft zijn visie op het rapport aan De Raad toegestuurd die dit stuk zonder commentaar als bijlage heeft toegevoegd aan het rapport.
3. Het standpunt van
klager en de klacht.
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat klager geen toestemming heeft
gegeven tot het opstellen van een rapportage waarin zijn psychische gesteldheid
aan de orde zou komen. Klager wilde dat verweerder slechts contact zou opnemen
met collega/psychiater Psychiater2 over enkele uitspraken van Moeder. Verweerder
is hiertoe echter niet overgegaan. Integendeel, hij heeft de psychiatrische
gesteldheid van klager onderzocht waaruit had kunnen blijken dat klager niet
geschikt zou zijn voor omgang, terwijl De Raad hierover geen twijfel had.
Klager heeft zich bovendien tegen het door verweerder opgestelde rapport verzet
maar dit protest is in de wind geslagen. Voorts schendt de rapportage het
medisch beroepsgeheim, aldus klager.
4. Het standpunt van
verweerder.
Verweerder heeft aangevoerd dat hij geen behandelrelatie heeft gehad met klager.
Klager was vervolgens verweerder voldoende geïnformeerd over de werkwijze
van het PAR. Verweerder heeft zelf ook nog bij klager geverifieerd of dit
het geval was. Dat klager het niet eens is met de rapportage is zijn goed
recht. Klager heeft zijn visie op het rapport kunnen geven en dit is bij het
uiteindelijke rapport gevoegd, aldus verweerder.
5. De overwegingen van het college.
Uit hetgeen klager en verweerder hebben aangevoerd over de gang van zaken
bij De Raad en met name het PAR, alsmede het feit dat klager vier gesprekken
met medewerkers van het PAR heeft gevoerd, moet worden geconcludeerd dat klager
toestemming heeft gegeven voor het verrichte onderzoek. Klager was op de hoogte
van de geformuleerde onderzoeksvragen. Het kan dan ook geen verrassing voor
hem zijn geweest dat ook zijn gedrag en persoonlijkheid bij dit onderzoek
aan de orde zouden komen. Het is daarbij aan de onderzoeker te bepalen of
en in hoeverre hij behoefte heeft aan nadere informatie van derden. Nu verweerder
meende dat klager niet psychiatrisch gestoord was, kon hij in redelijkheid
menen geen behoefte te hebben aan inlichtingen van de psychiater bij wie klager
in behandeling was. De omstandigheid dat klager wenste dat verweerder contact
met zijn behandelend psychiater zou op nemen, teneinde te laten vaststellen
dat Moeder over hem onjuiste mededelingen had gedaan, brengt niet mee dat
verweerder verplicht was aan die wens gevolg te geven. Dat klager op enig
moment zonder zijn toestemming aan medisch diagnostisch handelen van verweerder
zou zijn onderworpen, is dan ook niet gebleken. Tenslotte heeft verweerder
zijn kritiek op het rapport van De Raad en daarmee ook de rapportage van verweerder
schriftelijk kenbaar kunnen maken. Deze kritiek is ongewijzigd aan het rapport
toegevoegd. Derhalve kan de rechter rekening houden met de visie van klager
op het rapport. Hiermee is voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor.
Tenslotte kan niet gezegd worden dat verweerder het medisch beroepsgeheim
heeft geschonden. Klager is akkoord gegaan met de verstrekking door verweerder
van inlichtingen aan anderen gelet op het doel waartoe het rapport over Z1992
werd opgesteld. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in al haar
onderdelen ongegrond is. Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen
verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg worden gemaakt.
6. De beslissing.
Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht zonder verder onderzoek als kennelijk
ongegrond af.
Aldus gewezen op ii augustus 2002 door:
mr. L1, voorzitter, L2 en L3, leden - arts, met mr. L4 als secretaris.