MTU0112

Inleiding.

Deze zaak is van algemeen belang omdat zij bewijst hoe snel fantasie tot realiteit kan worden, en hoeveel effect een klacht kan sorteren. Wanneer klager geen klacht had ingediend was hij bezoedeld gebleven door een valse beschuldiging, en was zijn dochter een echt slachtoffer - met echte kenmerken - geworden van gesuggereerde incest.

De door moeder en grootmoeder opgevoerde incest constructie werd uiteindelijk door een huisarts bezegeld met een geneeskundige verklaring. Mede op grond van deze verklaring adviseerde de Raad voor de Kinderbescherming tot een gericht "zoekend" onderzoek, en beschikte de Rechtbank tot schorsing van de omgangsregeling.

Het Tuchtcollege acht het laakbaar dat de huisarts haar verklaring uitsluitend op de uitlatingen van derden baseerde, dat zij geen navraag had gedaan bij klager, en dat zij haar verklaring niet had geadresseerd. Ter zitting verklaarde de huisarts bovendien dat eigen onderzoek geen aanwijzing van seksueel misbruik had opgeleverd.

Het Tuchtcollege legde de huisarts een maatregel van waarschuwing op.

-------------------------

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE GRONINGEN
Het College heeft het volgende overwogen en beslist over de op ii maart 2001 binnengekomen klacht van: DE HEER KLAGER, tegen HUISARTS, VERWEERSTER gemachtigde: etc.

Verloop van de procedure.
Bij brief van ii maart 2001 heeft de heer Klager, hierna te noemen klager, een klacht ingediend tegen mw drs Huisarts, huisarts. De aangeklaagde arts heeft op ii mei 2001 een verweerschrift ingediend. Ingevolge het bepaalde in art. 66 van de Wet BIG zijn partijen in de gelegenheid gesteld in het kader van een vooronderzoek te worden gehoord.
Klager heeft van deze gelegenheid gebruikt gemaakt Van het op ii juni 2001 gehouden verhoor is proces-verbaal opgemaakt. Verweerster heeft op ii augustus 2001 een conclusie van dupliek ingediend.
De behandeling ter zitting vond plaats op ii oktober 2001. Klager is in persoon verschenen. Verweerster is ook in persoon verschenen en werd daarbij vergezeld van haar gemachtigde..
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

2. De feiten.

Uit een relatie tussen klager en mevrouw Xxxxx (hiema de moeder) is op ii juni 1997 D1997 geboren. Kort daarna is de relatie verbroken. D1997 is bij haar moeder - die met het gezag belast is - blijven wonen. Klager had een omgangsregeling met D1997. De omgangsregeling is door de moeder stop gezet. Zij heeft bij de politie tegen klager aangifte gedaan wegens incest met D1997. De Rechtbank te Leeuwarden heeft bij beschikking van ii februari 2000 een voorlopige omgangsregeling vastgesteld en onderwijl een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (hiema de Raad) gelast. Deze voorlopige omgangsregeling werd door de moeder niet nagekomen, waama klager een kort geding heeft aangespannen. De President in kort geding heeft bij vonnis van ii juli 2000 beslist dat - ondanks het onderzoek van de Raad - de omgangsregeling moest worden nagekomen. De moeder is daarbij een dwangsom opgelegd.
De advocaat van de moeder heeft in het kader van de procedure inzake de omgangsregeling, op ii februari 2001 een brief aan de Rechtbank te Leeuwarden gezonden, met als bijlage een verklaring van verweerster. De inhoud van deze verklaring luidt als volgt: LS, Op verzoek van de moeder van D1997 schrijf ik u deze brief.
Uit de gesprekken met moeder en grootmoeder, deze past regehnatig op bij D1997, komt naar voren dat D1997 sexueel geladen uitlatingen doet die niet adequaat zijn voor haar leeftij d. Ook in haar spel zouden niet bij haar leeftij d passende sexueel getinte situaties voorkomen. In beide speelt de vader van D1997 een duidelijke rol. Naar aanleiding van bovenstaande is het wenselijk dat D1997 een psychologisch/psychiatrisch onderzoek ondergaat. Een bezoek aan haar vader zou naar mijn mening moeten worden vermeden tot de uitslag van dit onderzoek bekend is." Moeder en D1997 zijn beiden patiënt bij verweerster. Klager is dat niet.
Bij beschikking van de Rechtbank te Leeuwarden d.d. ii april 2001 is bepaald dat de bij beschikking van ii februari 2000 opgelegde voorlopige omgangsregeliiig tussen klager en D1997 met onmiddellijke ingang wordt geschorst totdat de rechter een andere beslissing zal nemen.

3 . De klacht.

De klacht luidt - zakelijk weergegeven - als volgt. Verweerster had de onderhavige verklaring niet mogen afleggen. Zij heeft klakkeloos - zonder enige vorm van hoor of wederhoor - de onterechte beschuldigingen van moeder overgenomen. Had verweerster de moeite genomen ook klagers kant van het verhaal te horen, dan had een en ander wellicht in een ander daglicht geplaatst kunnen worden. De verklaring is door de advocaat van moeder aan de Rechtbank gestuurd en wordt op deze wijze gebruikt om de omgang tussen klager en D1997 te verhinderen. Verweerster heeft er met haar optreden voor gezorgd dat D1997 voortaan als incest slachtoffer door het leven moet. Zij had het oordeel moeten overlaten aan deskundigen.

4. Het verweer.

Het verweer luidt - zakelijk weergegeven - als volgt. Verweerster merkt op dat zij in beginsel zeer terughoudend is met het afgeven van geneeskundige verklaringen. In dit geval heeft zij het wel gedaan omdat zij zich daartoe wegens zwaarwegende redenen gedwongen voelde. De moeder en grootmoeder van D1997 hebben verweerster in diverse gesprekken verteld dat zij het vermoeden hadden dat er sprake was van seksueel misbruik van D1997 door klager. De informatie die werd verstrekt gaf verweerster gerede aanleiding het vermoeden serieus te nemen. Verweerster heeft moeder in eerste instantie naar een aantal hulpverleningsinstellingen verwezen. Toen moeder echter bleef aandringen en zei dat de Raad voor de Kinderbescherming geen vaart zette achter het onderzoek naar D1997, heeft verweerster zelf contact opgenomen met de Raad. Verweerster had het gevoel dat de Raad de klachten niet serieus nam, waama zij de bewuste verklaring heeft geschreven. De verklaring was bedoeld voor de Raad voor de Kinderbescherming en had ten doel de Raad aan te sporen het onderzoek sneller uit te voeren. Verweerster wist niet dat deze in de procedure voor de Rechtbank zou worden gebruikt. Verweerster vond de uitspraak in kort geding onbegrijpelijk. Zij heeft D1997 willen beschermen en heeft in haar belang gehandeld. Zij heeft geprobeerd de inhoud van de brief zo neutraal mogelijk op te stellen en daarin aan te geven dat het verklaringen van de moeder en grootmoeder van D1997 betrof, waarbij zij getracht heeft zich te onthouden van een oordeel over klager. Achteraf bezien is de brief op sommige punten minder gelukkig geformuleerd.

5. Beoordeling van de klacht.

5.1 Met het schrijven van voomoemde brief heeft verweerster een geneeskundige verklaring afgegeven als bedoeld in artikel 3.1 van de 'Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens' van de 'Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst'. Daaronder moet in het algemeen worden verstaan een verklaring van een arts, waarin deze - meestal ten behoeve van een patiënt - een al dan niet op medische gegevens gebaseerd waardeoordeel geeft, welke verklaring bestemd is voor een instelling of een persoon die over een verzoek van de patiënt te beslissen heeft. In casu betreft het een verklaring die bedoeld was om door de moeder te worden gebruikt in het kader van de juridische strijd met betrekking tot de omgangsregeling. Verweerster heeft door te schrijven dat een omgangsregeling naar haar mening zou moeten worden vermeden totdat de uitslag van het onderzoek van de Raad bekend was, een waardeoordeel over klager gegeven.

5.2 Volgens paragraaf 3.1 van voomoemde richtlijn moet een geneeskundige verklaring objectief en deskundig zijn, hetgeen inhoudt dat de geneeskundige verklaring moet worden opgesteld door een onafhankelijk arts, die deskundigheid heeft op het terrein'waarop de vraagstelling zich afspeelt. De informatieverstrekkende arts wordt in de richtlijn ontraden een conclusie of een oordeel mee te delen omdat deze de normen en de criteria die aan het afgeven van een deskundige verklaring ten grondslag liggen vaak niet kent. Voorts refereert de richtlijn er aan dat het voor de behandelend arts in verband met zijn relatie tot de patiënt moeilijk zal zijn een onbevooroordeelde conclusie of oordeel te geven.

5.3 De strekking van deze richtlijn is om te bevorderen'dat medische verklaringen als de onderhavige, waarvan het ook voor verweerster duidelijk was dat deze bedoeld was om een rol te spelen in het j uridische geschil aangaande de omgangsregeling, in alle opzichten objectief en deskundig dient te zijn. Dat is niet alleen van belang om te voorkomen dat de vertrouwensrelatie tussen een arts en de patiënt wordt geschaad, maar ook vanwege het vertrouwen dat de instantie die de beslissing moet nemen en anderen die daarbij betrokken zijn, in een dergelijke verklaring moeten kunnen stellen. Dat de brief volgens verweerster enkel bedoeld zou zijn voor de Raad voor de Kinderbescherming en niet voor de Rechtbank, kan hier niet aan afdoen nu verweerster de brief heeft opgesteld zonder daarbij te vermelden aan wie deze gericht was, waarmee zij de mogelijkheid in het leven heeft geroepen dat deze brief als officieel processtuk in de gerechtelijke procedure betreffende de omgangsregeling zou worden gebruikt, hetgeen ook is gebeurd. De inhoud van de brief is naar het oordeel van het College misleidend omdat het niet een eigen verklaring van verweerster betreft, maar een verklaring die uitsluitend berust op verklaringen van. derden waarop verweerster geen op eigen waamemingen gebaseerde controle heeft uitgeoefend. Ter zitting heeft verweerster desgevraagd verklaard dat door haarzelf bij D1997, geen aanwijzingen voor seksueel misbruik zijn geconstateerd. Ook heeft verweerster klager niet gehoord omtrent de geuite beschuldigingen van incest. Het moge zo zijn dat verweerster - zoals zij ter zitting heeft betoogd - enkel bedoeld heeft weer te geven wat zij van moeder en grootmoeder had gehoord en dat zij niet bedoeld heeft een beschuldigende vinger richting klager te heffen, doch objectief valt dit niet te noemen, terwijl van de brief onmiskenbaar de suggestie uitgaat dat klager zich aan incestueuze handelingen met D1997 schuldig zou hebben gemaakt. De verklaring biedt op grond van het vorenstaande, hoewel door een huisarts ondertekend, niet de gesuggereerde wijze van objectiviteit en deskundigheid. Het College wil nog wel aannemen dat verweerster zich heeft laten leiden door de zorg over D1997, maar dit vormt geen rechtvaardiging voor haar handelswijze. Verweerster had zich als behandelend arts van het geven van een dergelijke verklaring dienen te onthouden.

5.4 Op grond van het voorgaande acht het College de handelswijze van verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar zodat de klacht terecht is voorgesteld. Nu de klacht gegrond is, is het College van oordeel dat een maatregel moet worden opgelegd.
Volstaan kan worden met
een waarschuwing.

6. De beslissing.

Het Regionaal Tuchteollege te Groningen,
Verklaart de klacht gegrond; Legt verweerster de maatregel van waarschuwing op.

Aldus gegeven door: voorzitter, lid-geneeskundige, lid-geneeskundige, lid-geneeskundige, lid-jurist, bijgestaan door de secretaris, en uitgesproken op ii december 2001 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris. Etc.