MTU0110

Inleiding.


Onderstaande beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is van belang vanwege de overweging van het College, dat het medisch journaal van een (huis)arts niet is op te vatten als een geneeskundige verklaring. Klager voelde zich echter terecht onaangenaam overvallen door "het bewijs" dat moeder aanvoerde voor haar beschuldigingen van incest en misbruik.

De conclusie is, dat een advocaat die zich krachtens de gedragsregels moet onthouden van het gebruik van "oneigenlijke middelen" en die "rekening dient te houden met de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij", zou moeten weigeren om een medisch journaal in echtscheidingsprocedures in te brengen.

Een klacht tegen de advocaat van moeder werd overigens, vóórdat onderstaande beslissing werd gegeven, op andere (maar verwante) gronden ingediend.

-------------------------

Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle, oordelend inzake de op ii mei 2001 ingekomen klacht van Heer Klager Tegen Huisarts, verweerder.
Gezien de stukken, waaronder het inleidend klaagschrift, voorzien van vijf bijlagen, het verweerschrift, de repliek en de dupliek, voorzien van een bijlage. Voorts gezien een tweetal brieven van de secretaris van het College d.d. ii augustus 2001 en d.d. ii september 2001, waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld om in het vooronderzoek te worden gehoord, waarvan partijen geen gebruik hebben gemaakt.

Overweegt:

1. ten aanzien van de feiten: Bij beschikking van de arrondissementsrechtbank te Breda van ii januari 1996 is tussen klager en zijn echtgenote … de echtscheiding uitgesproken. De inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand vond plaats op ii maart 1996.
Ingevolge die beschikking was moeder belast met het ouderlijk gezag over de beide minderjarige kinderen, D1991 en Z1993. Bij beschikking van de arrondissementsrechtbank te Arnhem d.d. ii maart 1996 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de Stichting Jeugd en Gezin te Arnhem. Bij beschikking van diezelfde rechtbank d.d. ii januari 1998 is een omgangsregeling vastgesteld tussen de man en de kinderen, inhoudende dat de man de kinderen onder begeleiding van de gezinsvoogdes eenmaal per maand op woensdagmiddag kon zien. Die omgangsregeling is inzet van een kortgeding procedure geweest. De betreffende vonnissen - en het arrest van het Gerechtshof te Arnhem in hoger beroep - zijn door klager in copie overgelegd bij het inleidend klaagschrift. De inhoud van die uitspraken is partijen bekend en geldt als hier herhaald en ingevoegd.
Reeds in 1995 had moeder zich met haar beide kinderen als patiënt laten inschrijven bij verweerder. Moeder heeft verweerder toen verteld, dat zij in een echtscheidings-procedure was verwikkeld. Zij maakte tegenover verweerder melding van (kinder) mishandeling en incest als reden voor de echtscheiding. In de contacten, die verweerder in de periode 1995 tot en met mei 1999 met moeder en met haar kinderen had zijn ook de problemen rondom een tot stand gekomen omgangsregeling tussen klager en zijn kinderen ter sprake gebracht. Verweerder heeft in het journaal van de beide kinderen melding gemaakt van een en ander, indien en voor zover de melding daarvan van belang zou kunnen zijn voor de gezondheidstoestand van D1991 en van Z1993. Op ii mei 1999 zijn door verweerder op verzoek van moeder de medische gegevens van haar zelf en van haar beide kinderen ter hand gesteld zulks in verband met de verhuizing van haar naar een ander deel van Arnhem. De journaalgegevens van D1991 en Z1993 zijn nu in copie door moeder overgelegd in de procedure bij het Gerechtshof te Arnhem. Ook die copieën zijn door klager bij zijn inleidend klaagschrift overgelegd.
De inhoud daarvan geldt hier evenzeer als overgenomen.

2. ten aanzien van de klacht: Klager verwijt nu dat aangeklaagde, door de bewuste journaalgegevens vrijwillig aan moeder ter hand te stellen, zijn beroepsgeheim heeft geschonden en zich aldus actief heeft bemoeid met de omgangsregeling.

3. ten aanzien van het verweer: Verweerder heeft op de gronden genoemd in het verweerschrift en in de conclusie van dupliek geconcludeerd tot afwijzing van de klacht.

4. ten aanzien van de gegrondheid van de klacht: Bij de beoordeling van de klacht is het College uitgegaan van de onder rubriek 1 van deze uitspraak als vaststaand aangenomen feiten, die berusten op de stukken. Tussen partijen bestaat daarover ook geen verschil van mening. Ingevolge de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst dient een hulpverlener als verweerder gegevens in het dossier te noteren omtrent de gezondheid van zijn patiënt, voor zover die voor een goede hulpverlening aan hem noodzakelijk zijn. De door verweerder gemaakte aantekeningen in de dossiers van D1991 en Z1993 met betrekking tot mishandeling en incest kunnen in redelijkheid voor een goed hulpverlening aan de beide kinderen noodzakelijk geacht worden. Verweerder heeft die gegevens in dit verband dan ook terecht in de dossiers van de beide kinderen opgenomen. Nu verplicht diezelfde wet de arts een patiënt of zijn wettelijk vertegenwoordiger een afschrift van het medisch dossier op diens verzoek af te geven. Bij verhuizing van een patiënt dient een huisarts bovendien het originele medisch dossier zelf over te dragen aan de opvolgende huisarts dan wel dat dossier mee te geven aan de verhuizende patiënt of diens wettelijk vertegenwoordiger. Het lijdt geen twijfel, dat moeder de wettelijk vertegenwoordiger was van de beide meergenoemde kinderen. Het medisch dossier wordt haar bij haar verhuizing op haar verzoek terecht al dan niet in copie ter hand gesteld.
Dat moeder de journaalgegevens van de beide kinderen in copie heeft ingebracht in de procedure over de hierboven genoemde omgangsregeling bij Gerechtshof te Arnhem, is haar keuze geweest als wettelijk vertegenwoordiger van D1991 en Z1993. Die keuze regardeert verweerder niet. Hij staat daar buiten. Moeder kon op grond van het hierboven overwogene beschikken over journaalgegevens. Van enige schending van zijn beroepsgeheim door verweerder kan dan echter niet worden gesproken. Evenmin kan er worden gesproken van een geneeskundige verklaring van verweerder in de zin die daaraan wordt gehecht in hoofdstuk 3 van de zogenaamde "Richtlijnen inzake het omgaan van medische gegevens" van de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, welke richtlijnen in de rechtspraak zijn aanvaard. Er is immers geen sprake van een waardeoordeel van verweerder, laat staan dat verweerder zou hebben beoogd met een dergelijk oordeel het standpunt van moeder inzake de omgangsregeling in de genoemde procedure te bevestigen.
De conclusie kan slechts luiden, dat de klacht in beide onderdelen zonder verder onderzoek als ongegrond dient te worden afgewezen.

Beslist: Wijst de klacht af.

Aldus gedaan in raadkamer op ii oktober 2001 door voorzitter, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van de secretaris. Door partijen alsmede door de betrokken Inspecteur voor de Gezondheidszorg kan binnen zes weken na verzending van het afschrift der beslissing beroep worden ingesteld bij het Centraal College te 's-Gravenhage. Het beroepschrift dient te worden ingezonden bij de secretaris van het College te Zwolle.