MTU0008
Inleiding.
In de onderhavige
zaak voldeed een door de Rechtbank aangewezen psychiater naar mening van de
klager niet aan het verzoek om een onderzoek bij beide ouders uit te voeren.
In hoger beroep werd de klacht in augustus 2000 gegrond verklaard, mede omdat
de psychiater niet in staat was de claim te weerleggen dat met de andere ouder
helemaal geen gesprek was gevoerd, terwijl desalniettemin verslag van het
onderzoek werd uitgebracht aan de Rechtbank.
Op grond van dit, gebrekkige, verslag werd de omgang in februari 1997 geschorst.
-------------------------
CENTRAALTUCHTCOLLEGE voor de Gezondheidszorg
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft de navolgende beslissing
gegeven inzake het hoger beroep van:
Klager ,
tegen
Psychiater, verbonden aan xxxx te xxxx, verweerder, hierna te noemen: de arts,
gemachtigde: Mr XXX xxxxx
1. Het verloop van het geding
Klager heeft op ii
september 1997 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen tegen de arts een
klacht ingediend. Bij beslissing van ii maart 1999 heeft dat college de klacht
afgewezen. Tegen die beslissing is klager tijdig in beroep gekomen. Hij heeft
een aanvullend beroepschrift ingediend waarbij de klacht in zijn geheel aan
het Centraal Tuchtcollege is voorgelegd. De arts heeft een verweerschrift
in hoger beroep laten indienen. Op ii oktober 1999 is een brief van klager
ingekomen, waarbij nadere stukken zijn overgelegd.
De klacht is in hoger beroep behandeld ter zitting van het Centraal Tuchtcollege
van ii mei 2000. Partijen zijn ter zitting verschenen. De arts werd bijgestaan
door zijn gemachtigde. Ter zitting is de partner van klager, mevrouw xxxxx,
als getuige gehoord.
2. De beslissing in eerste aanleg
Voor de weergave van de in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer, alsmede voor de overwegingen die het Regionaal Tuchtcollege aan zijn voormelde beslissing ten grondslag heeft gelegd, verwijst het Centraal College naar die beslissing.
3. De klacht
De klacht betreft de handelwijze van de arts, die bij de beschikking van de arrondissementsrechtbank te Assen van ii april 1996 tot deskundige was benoemd in de procedure tussen klager en zijn ex-echtgenote, mevrouw xxxx over de omgang tussen klager en zijn drie minderjarige zonen. Bij beschikking van de rechtbank van ii februari 1997 is hem de omgang ontzegd met twee van de zonen en is de omgangsregeling met de derde zoon stopgezet. Klager verwijt de arts dat het door de rechtbank bevolen psychiatrisch onderzoek van hem en zijn exechtgenote ten onrechte niet heeft plaatsgevonden, en dat de arts desalniettemin negatieve informatie over hem aan de rechtbank heeft verstrekt, die tot de gewraakte beslissing hebben geleid. Bovendien verwijt klager de arts dat de procedure door de arts ten nadele van de klager en de kinderen onnodig is vertraagd.
4. De beoordeling van het hoger beroep
Het Centraal Tuchtcollege
gaat uit van de volgende feiten.
Er is een psychiatrisch onderzoek van klager en zijn ex-echtgenote bevolen
als laatste poging om de ontstane impasse in de procedure te doorbreken. De
arts kende de ex-echtgenote van een intakegesprek. Hij heeft zich voorafgaand
aan zijn benoeming tot deskundige op ii april 1996 bereid verklaard het onderzoek
in te stellen, en klager en zijn ex-echtgenote hebben verklaard medewerking
daaraan te zullen verlenen. Een op ii juni 1996 gepland gesprek tussen klager
en de arts moest worden afgezegd wegens ziekte van de arts. Op ii juli 1996
heeft een kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen klager en de arts, dat
volgens klager en zijn partner 1 uur duurde. Op ii augustus 1996 heeft de
arts aan klager een brief geschreven, waarin klager ter overweging is gegeven
of hij de expertise tot een eind wilde brengen. Aan klager werd gesuggereerd
zijn toestemming tot het psychiatrisch onderzoek in te trekken. KIager schreef
op ii september aan de arts dat hij wilde dat de expertise werd afgemaakt.
Op ii oktober 1996 schreef de arts aan klager dat hij zijn opdracht aan de
rechtbank had teruggegeven. De brief van de arts aan de rechtbank van diezelfde
datum, waarin hij meedeelde dat het onmogelijk was om een psychiatrisch rapport
op te stellen en de hem gestelde vragen te beantwoorden, had als bijlagen
diverse correspondentiestukken tussen hem en klager. Daarbij bevond zich ook
voormelde brief van ii augustus 1996.
Op grond van het voorgaande overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. De omstandigheid dat de arts geruime tijd voordat hij de opdracht van de rechtbank aanvaardde, een intakegesprek had gehad met de ex-echtgenote van klager, acht het Centraal College geen grond om die opdracht te weigeren. Zoals de arts ter zitting naar voren bracht, krijgt hij geregeld opdrachten van de rechtbank om te bemiddelen, hetgeen hij meestal tot een goed einde brengt. Als psychiater heeft hij voldoende ervaring om zich niet door één intakegesprek te laten bevooroordelen.
De arts omschrijft
het enige gesprek dat hij met klager in het bijzijn van diens partnerheeft
gevoerd als een "kennismakingsgesprek". Van dat gesprek is geen verslag gemaakt,
althans, de weergave van dat gesprek in de brief van ii augustus 1996 kan
niet als zodanig bestempeld worden. In die brief laat de arts zich zeer negatief
uit over de persoon van klager. Hij bezigt daarin termen die niet op enige
diagnostische methode zijn gebaseerd. Niettemin heeft de arts deze brief aan
de rechtbank overgelegd, zonder dat klager de gelegenheid was gegeven commentaar
te leveren op die brief. De arts heeft in die brief op een aantal karaktereigenschappen
gewezen, die hem bij de kennismaking waren opgevallen en die, indien hij moest
rapporteren, een negatieve betekenis voor klager zouden kunnen hebben. Niet
duidelijk is geworden of de arts ook de ex-echtgenote van klager heeft onderzocht.
De arts stelt weliswaar dat dit is geschied, maar kan dat op geen enkele wijze
onderbouwen. Klager betwist dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden.
De klacht van klager, dat de arts negatief over hem heeft gerapporteerd zonder
dat daaraan deugdelijk onderzoek ten grondslag lag, is derhalve gegrond. Bij
de teruggave van zijn opdracht had de arts moeten volstaan met de neutrale
mededeling, dat het hem niet was gelukt om een rapport op te stellen, dan
wel had hij de opdracht moeten uitvoeren door middel van een deugdelijk onderzoek
van beide partijen en overlegging van een deugdelijk rapport.
Op grond van het voorgaande
komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat de arts tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld en dat hem de maatregel van een waarschuwing dient
te worden opgelegd.
T.a.v. het tweede onderdeel van de klacht, inhoudende dat de arts de procedure
tussen klager en zijn ex-echtgenote onnodig heeft vertraagd, overweegt het
Centraal College dat gerechtelijke procedures waarin een expertise is gevraagd
helaas veelal geruime tijd in beslag nemen, en dat de onderhavige procedure
niet zo uitzonderlijk lang heeft geduurd, dat de arts hiervan een verwijt
kan worden gemaakt.
Het Centraal College acht geen termen aanwezig om uit 's Rijks kas aan klager
of aan de arts kosten te vergoeden die voortvloeien uit de behandeling van
deze zaak.
5. De beslissing.
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg beslist mitsdien als volgt:
vernietigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Groningen van ii
maart 1999, en opnieuw rechtkomende
verklaart het beroep
van klager gegrond;
legt de arts de maatregel van een waarschuwing op.
bepaalt dat uit 's Rijks kas aan de klagers of aan de arts geen kosten zullen worden vergoed voortvloeiend uit de behandeling van deze zaak.
Aldus gegeven in Raadkamer door: Mr xxxxx, voorzitter; Mw xxxx, Mw Dr xxxxx, Prof.Dr xxxxxx, Dr xxxxx, leden-geneeskundigen, Mr xxxxxx, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van ii augustus 2000 door Mr xxxxx in tegenwoordigheid van de secretaris.