HOF0211

 

Inleiding

Onderstaande beschikking demonstreert haarscherp hoe gemakkellijk de Rechtbank en het Hof door de knieën gaan voor een onwillige zorgouder (moeder). Er was een omgangsregeling, moeder komt met een beschuldiging van incest en zij stopt de omgang. Vader verzet zich. De RvK rapporteerde negatief, met als doekje voor het bloeden een advies om moeder een informatie regeling op te leggen. Zonder deze nader in te vullen. De informatieplicht van moeder spruit voort uit de wet, dus vader vond het advies van de RvK en de beschikking van de Rechtbank een "onthullend overbodige" dooie mus. De beschikking van het Hof bevestigt alle vooroordelen.

 

Beschikking d.d. ii november 2002

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

beschikking in de zaak van Vader,
appellant, hierna ook te noemen: de man,

tegen Moeder,
geïntimeerde, hierna ook te noemen: de vrouw


Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van ii december 2001 heeft de rechtbank te Groningen - op het daartoe strekkende verzoek van de vrouw - onder wijziging van haar (tussen)beschikking van ii november 1996 de daarbij vastgestelde voorlopige omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen D1992 en D1994 stopgezet en het (zelfstandig) inleidend verzoek d.d. ii februari 1996 van de man om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en voornoemde minderjarigen (alsnog) afgewezen. De rechtbank heeft aan de vrouw voorts een informatieplicht opgelegd inhoudende dat zij de man dient te informeren met betrekking tot belangrijke ontwikkelingen (gezondheid, vorderingen op school, schoolrapporten e.d., eenmaal per jaar enkele recente foto's) betreffende D1992 en D1994.

Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op ii februari 2002, heeft de man verzocht de beschikking van ii december 2001 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de man alsnog toe te wijzen en een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de minderjarige kinderen van partijen (thans) inhoudende dat de man gerechtigd is de minderjarige kinderen bij zich te ontvangen gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag 17:00 uur tot zondagavond 19:00 uur en voorts de helft van alle schoolvakanties en tot slot afwisselend de feestdagen.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op ii maart 2002, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en gesteld zich te refereren aan het oordeel van het hof op het punt van de informatieplicht, een en ander met compensatie van de kosten.

Ter zitting van ii mei 2002 is de zaak behandeld.

De beoordeling

1. Partijen zijn op ii november 1992 in het huwelijk getreden. Uit de relatie van de man en de vrouw respectievelijk het huwelijk van partijen zijn geboren D1992 en D1994. Partijen zijn in de loop van 1995 feitelijk gescheiden gaan leven. Bij beschikking van ii juli 1996 van de rechtbank Groningen is op het daartoe strekkende verzoek van de vrouw - onder meer - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de vrouw met uitsluiting van de man met het gezag over de minderjarige kinderen belast. De echtscheidingsbeschikking is op ii augustus 1996 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2. in de echtscheidingsprocedure heeft de man bij zijn verweerschrift d.d. ii februari 1996 tegen het inleidend verzoekschrift d.d. ii december 1995 van de vrouw tot echtscheiding, het (zelfstandig) verzoek gedaan een omgangsregeling tussen hem en de beide minderjarige kinderen vast te stellen.

3. Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking d.d. ii juli 1996 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling vastgesteld inhoudende dat de minderjarige kinderen een weekend per veertien dagen alsmede een maandag dan wel een woensdag in de bezoekweek bij de man zullen verblijven. Deze voorlopige omgangsregeling is enkele weken later stopgezet door de vrouw.

4. Bij beschikking van ii november 1996 heeft de rechtbank te Groningen in afwachting van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming naar een definitieve omgangsregeling, wederom een voorlopige omgangsregeling vastgesteld inhoudende dat de man de minderjarige kinderen een weekend per veertien dagen bij zich mag ontvangen.

5. Bij beschikking van ii december 1996 heeft de rechtbank D1992 en D1994 onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar met het (beperkte) doel om met behulp van de zogenaamde BOR-methodiek - de communicatie tussen de ouders te verbeteren en uitvoering te geven aan de (door de rechter vastgestelde voorlopige) omgangsregeling.

6. De vrouw is in de zomer van 1998 met de kinderen verhuisd. De vrouw heeft toen de - moeizaam verlopende - omgangsregeling tussen de man en de kinderen (definitief) stopgezet.

7. Na eerdere verlengingen in 1997 en 1998 voor telkenmale de duur van een jaar is de (termijn van de) ondertoezichtstelling van D1992 en D1994 in december 1999 niet verder verlengd.

8. Bij beschikking van ii februari 2000 heeft de rechtbank - in vervolg op haar beschikking van ii november 1996 en na de beëindiging van de ondertoezichtstelling - de beslissing omtrent de definitieve vaststelling van de omgangsregeling alsmede het verzoek van de vrouw tot stopzetting van de bij beschikking van ii november 1996 vastgestelde omgangsregeling aangehouden met het verzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek in te (laten) stellen,. waarbij door het CGG (het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg Groningen-Zuid) een psycho-diagnostisch onderzoek van D1992 en D1994 wordt verricht, en indien uit dit onderzoek geen contra-indicaties voor een omgang blijken, te starten met proefcontracten tussen de man en de kinderen, eventueel onder begeleiding van het CGG.

9. Bij rapport van ii oktober 2001 heeft de Raad voor de Kinderbescherming over het verzochte onderzoek gerapporteerd en advies uitgebracht. Het rapport d.d. ii april 2001 van het door het CGG verrichte psycho-diagnostisch onderzoek van D1992 en D1994 is als bijlage bij het rapport van de Raad gevoegd.

10. Bij beschikking van ii december 2001 heeft de rechtbank te Groningen de bij beschikking van ii november 1996 vastgestelde voorlopige omgangsregeling stopgezet en het - in het kader van de echtscheidingsprocedure gedane - zelfstandig verzoek van de man van ii februari 1996 om een omgangsregeling vast te stellen alsnog afgewezen en bepaald dat de vrouw de man dient te informeren met betrekking tot belangrijke ontwikkelingen betreffende D1992 en D1994.

11. De man is van de beschikking van de rechtbank te Groningen van ii december 2001 in beroep gekomen.

 

De omgangsregeling

De standpunten 12.

De man stelt dat er geen gronden zijn om aan hem de omgang met de kinderen te ontzeggen.

13. De man betwist dat hij D1992 seksueel heeft misbruikt en wijst erop dat daarvoor geen enkele aanwijzing is. De man stelt dat er geen aanwijzingen zijn dat omgang tussen de man en de kinderen schadelijk is voor de kinderen. Ook uit het rapport van het CGG blijkt zulks niet. De man kan zich daarom niet verenigen met de conclusie van het CGG. Volgens de man ziet het CGG in de omstandigheid dat de moeder zich naar alle waarschijnlijkheid zeer negatief zal opstellen ten opzichte van een omgangsregeling ten onrechte aanleiding om te adviseren geen omgangsregeling vast te stellen, terwijl uit hetzelfde rapport is op te maken dat de kinderen geen bezwaar hebben tegen omgang met de vader.

14. De man voert voorts aan dat uit het rapport van het CGG niet is af te leiden dat de hervatting van de omgangsregeling de belangen van de kinderen (ernstig) zal schaden. Bij D1992 is slechts sprake van een zekere scheefgroei die, zo meent de man, is terug te voeren tot de opstelling van de vrouw jegens D1992. Met betrekking tot (de belangen van) D1994 is er op grond van het CGG-rapport in het geheel geen aanleiding tot zorg.

15. De man vreest dat juist de opstelling van de vrouw, die al geruime tijd stelselmatig - ook bij de ingeschakelde hulpverlening(sinstanties) - iedere medewerking aan het (opnieuw) tot standbrengen van een omgang weigert, schadelijk is voor (de belangen van) de kinderen. Zij weigert immers, zoals de Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd, om zich te laten behandelen teneinde het inzicht te verkrijgen dat juist haar negatieve houding ten aanzien van een omgangsregeling tussen de man en de kinderen, voor de kinderen schadelijk is.

16. De vrouw voert hiertegen aan dat uit het CGG-rapport afdoende blijkt dat zwaar-wegende belangen van de kinderen zich verzetten tegen een omgang. De vrouw meent, dat, ook ingeval enkel haar opstelling ten aanzien van de omgang tussen de man en de beide kinderen de oorzaak is van het feit dat thans geoordeeld wordt dat (de uitvoering van) een omgangsregeling schadelijk is voor de (belangen van de) kinderen, de belangen van de kinderen dienen te prevaleren.

17. De vrouw wijst er op dat zij nog steeds ervan overtuigd is dat er sprake is geweest van seksueel misbruik van D1992 door de man. De vrouw voert voorts aan dat het thans redelijk goed gaat met D1992, juist omdat er geen omgang (meer) is. Wel bevindt D1992 zich volgens het verslag van het CGG in een loyaliteitsconflict, aldus de vrouw. Bij (een poging tot) herstel van het contact tussen de man en D1992 zal dit loyaliteitsconflict schadelijke gevolgen hebben. Voor D1994 geldt, hoewel zij vanwege haar leeftijd minder bewust bij de gebeurtenissen in het verleden is betrokken, door haar kwetsbare positie hetzelfde.

18. De medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming heeft ter zitting medegedeeld dat uit het in opdracht van de Raad door het CGG uitgevoerde psycho-diagnostich Onderzoek van de beide kinderen blijkt dat een Omgangsregeling bij D1992 en D1994 Opnieuw Spanning en Onrust teweeg zal brengen. In de onderhavige Omstandigheden acht de Raad Omgang tussen de man en de beide kinderen in strijd met de zwaarwegende belangen van de kinderen.

 

De Overwegingen

19. in het algemeen is het in het belang van een kind te achten dat het omgang heeft met de niet met het gezag belaste ouder. Dienovereenkomstig heeft de wetgever dan ook bepaald dat het kind en de niet met gezag belaste ouder recht op Omgang met elkaar hebben. Dat recht kan slechts worden Ontzegd op de in artikel 1:377a lid 3 BW omschreven gronden.

20. De vader heeft sinds de zomer van 1998 geen contact meer gehad met D1992 en D1994. D1992 en D1994 zijn thans respectievelijk tien en zeven jaar oud.

21. De door de vrouw meermalen geuite beschuldiging dat de man D1992 seksueel heeft misbruikt, is op geen enkele wijze komen vast te staan. Ook Overigens is het hof niet gebleken van enige andere contra-indicatie aan de zijde van de man op grond waarvan aan de man de omgang met de minderjarigen dient te worden ontzegd.

22. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de kinderen sinds 1996 inzet zijn geweest van het conflict tussen de man en de vrouw. Gedurende de afgelopen jaren is van de zijde van de man en de Raad voor de Kinderbescherming bij voortduring gepoogd een Omgangsregeling tot stand te brengen. De vrouw heeft iedere Omgangsregeling, hetzij bij rechterlijke beschikking vastgelegd, hetzij door partijen (mondeling) -al dan niet door bemiddeling van de daarbij ingeschakelde hulpverlening(sinstanties) -overeengekomen, gefrustreerd. Ook de begeleiding door de gezinsvoogdij-instelling in het kader van de (beperkte) ondertoezichtstelling van D1992 en D1994 heeft niet geleid tot het tot stand brengen van een (goed lopende) omgangsregeling.

23. Uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat de vrouw een grote invloed heeft op de kinderen en hen in haar (eigen) conflict met de man betrekt. Verwacht moet worden, gezien haar huidige opstelling met betrekking tot een omgangsregeling tussen de kinderen en de man en haar opstelling dienaangaande in het verleden, dat de vrouw zal blijven pogen iedere omgang tussen de man en de kinderen tegen te houden.

24. Uit het raadsrapport van ii oktober 2001 en het daartoe behorende rapport van het CGG van ii april 2001 blijkt omtrent D1992 het volgende. D1992 is voor haar leeftijd (te) zeer betrokken bij de problemen tussen haar vader en moeder. Zij voelt zich verantwoordelijk voor haar moeder en D1994 en laat zich zowel positief als negatief uit over haar vader. D1992 bevindt zich thans in een ernstig loyaliteitsconflict. Een opnieuw vastgestelde omgangsregeling zal leiden tot een situatie die D1992 in een nog groter loyaliteitsconflict zal brengen.

25. Uit het raadsrapport van ii oktober 2001 en het daarbij behorende rapport van het CGG van ii april 2001 blijkt omtrent D1994 het volgende. Op D1994 lijken de problemen tussen haar ouders minder vat te hebben dan op D1992. D1994 heeft, onder invloed van de houding van haar moeder, een eenzijdig negatief beeld van haar vader en kent geen loyaliteitsconflict. Een omgangsregeling zal D1994, gezien de verhouding tussen de moeder en de vader en gelet op het effect daarvan op D1992, zeer waarschijnlijk ook in een loyaliteitsconflict brengen.

26. In aanmerking nemende, dat D1992 en D1994 reeds jarenlang in de conflictsituatie tussen hun ouders hebben verkeerd, dat de vrouw sterk gekant is en blijft tegen omgang tussen de man en de kinderen, alsmede gelet op het grote belang van D1992 en D1994 om niet (verder) in een loyaliteitsconflict te geraken, is het hof van oordeel dat op dit moment voor D1992 en D1994 aan rust en stabiliteit in de opvoeding- en verzorgingsituatie de voorkeur dient te worden gegeven boven omgang met de man. Dit belang van D1992 en D1994 dient thans te prevaleren boven hun belang omgang te hebben met hun vader en ook boven het recht van de vader op omgang met hen.

27. Het vorenstaande in acht genomen is het hof van oordeel dat een omgangsregeling tussen de man en D1992 en D1994 onder de huidige omstandigheden in strijd is met zwaarwegende belangen van (elk van) beide kinderen.

 

De informatieplicht

28. De man meent dat de informatieplicht van de met het gezag belaste ouder, in de onderhavige zaak de vrouw, uit de wet voortvloeit en derhalve niet behoeft te worden vastgesteld. De man stelt dat de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, nu hij in eerste aanleg niet heeft verzocht een regeling met betrekking tot de (invulling van de) informatieplicht vast te stellen, terwijl een zodanige regeling wel in de beschikking is opgenomen.

29. De vrouw heeft in haar verweerschrift en ter zitting aangegeven zich op dit punt aan het oordeel van het hof te refereren.

30. In artikel 1: 377b lid 1 BW is neergelegd -kort gezegd- de informatie- en consultatieplicht van de met gezag belaste ouder jegens de niet met gezag belaste ouder en voorts dat de rechter op verzoek van een ouder terzake een regeling kan vaststellen.

31. Aangezien de man zodanig verzoek in eerste aanleg niet heeft gedaan en in hoger beroep uitdrukkelijk heeft aangegeven zodanig verzoek ook niet te willen indienen, is er geen plaats voor het vastleggen van zodanige informatieplicht, zodat het hof de beschikking van de rechtbank voorzover daarbij een informatieplicht is vastgesteld, zal vernietigen.

 

De slotsom

32. Gelet op het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd voor zover daarin een informatieplicht aan de vrouw is opgelegd. Voor het overige dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

33. De proceskosten worden, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep.

De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij een informatieplicht is vastgesteld; bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige; bepaalt dat elke partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep draagt.

 

Aldus gegeven door mrs Bbbb, voorzitter, Mmmm en Lllll, raden,
en uitgesproken door mr Mmmm, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer,in tegenwoordigheid van mevrouw Hhhhh als griffier
ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag ii november 2002

VOOR AFSCHRIFT etc.