HOF0205

 

Inleiding

De omgang met Z1992, geboren uit een korte LAT-relatie, vond plaats onder toezicht van moeder. Vader vroeg eind 1998 om een uitbreiding van de omgangsregeling, gewoon bij hem thuis. De rechtbank legde een proefomgangsregeling op in aanwezigheid van de grootouders van moederszijde en beloofde indien het enigzins mogelijk was in de vervolgzitting het verzoek in te willigen.
In plaats daarvan werd de Raad werd ingeschakeld, die fout op fout stapelde, zoekend naar ontzeggingsgronden, hoewel de rechtbank al geconstateerd had dat die er niet waren. De omgang werd direct stopgezet.
Een extern bureau kwam tot cryptische uitspraken als "Er is in Z1992's ontwikkeling geen moment geweest dat de moeder op een positieve wijze tegenover de vader kon staan" en "Om een contact tussen de vader en Z1992, wat op zich niet als beschadigend kan worden aangemerkt, kans van slagen te geven, is het noodzakelijk dat de ouders met terugwerkende kracht een "inhaalslag" maken teneinde een dergelijke basis alsnog te creëren".
De Raad beloofde voortzetting van de omgang te begeleiden, maar kwam die belofte niet na. Na een jaar kwam er een raadsadvies tot professioneel begeleide omgang en aldus werd beschikt. De rechtbank legde echter geen dwang op en moeder veinsde slechts medewerking.
In plaats van de omgang te begeleiden, bracht een pastoor, alweer een jaar later, Z1992 in een loyaliteitsconflict door hem (vooraf) te laten beslissen over het al dan niet verkrijgen van omgang met zijn vader.
Vader vroeg wederom om het inzetten van dwangmiddelen maar omgang werd hem ontzegd wegens zwaarwegende belangen van het kind.

De beschikking van het Hof bevestigt alle vooroordelen.

 

 

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
EERSTE MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van ii mei 2002 in de zaak van

Vader, wonende te Aaaa,

DE VADER,

tegen

Moeder,

wonende gemeente Zzzz,

DE MOEDER,


1. Het geding in hoger beroep

1.1. De vader is in hoger beroep gekomen van een beschikking van ii november 2001 van de rechtbank te Haarlem, met rekestnummer.
1.2. De moeder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3. De zaak is op ii april 2002 ter zitting behandeld.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben korte tijd een relatie gehad. De vader heeft er, nadat de relatie van partijen was beëindigd, in toegestemd de kinderwens van de moeder te vervullen. Zodoende is geboren Z1992. (....) De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over Z1992. De vader heeft Z1992 erkend.
Partijen hebben na de geboorte van Z1992 in onderling overleg een regeling getroffen waarbij de vader omgang had met Z1992 in de woning van de moeder gedurende omstreeks twee uur per week. Deze regeling is op ii augustus 1998, na een incident op een camping, door de moeder beëindigd.
De vader heeft op ii november 1998 ter griffie van de rechtbank zijn inleidend verzoek tot het treffen van een omgangsregeling ingediend, inhoudende dat hij Z1992 eenmaal per twee weken een weekend, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en de feestdagen voor bezoek bij zich heeft, alsmede dat hij eenmaal per twee weken met Z1992 telefonisch contact heeft.


Bij beschikking van ii januari 1999 heeft de rechtbank te Haarlem vastgesteld dat de vader en Z1992 gerechtigd zijn omgang met elkaar te hebben eenmaal per twee weken op zondag van 13.00 tot 17.00 uur in de woning van de moeder, alsmede dat de vader gerechtigd is eenmaal per twee weken op woensdag tussen 18.00 uur en 18.30 uur telefonisch contact met Z1992 te hebben, en is de behandeling van de zaak tot een nadere datum aangehouden.
De rechtbank heeft blijkens genoemde beschikking overwogen dat zij genoemde regeling tijdelijk vaststelt teneinde bij de moeder het vertrouwen te laten ontstaan dat nodig is om Z1992 met een gerust hart naar de vader te laten gaan, en dat zij deze regeling bij de voortgezette behandeling zal evalueren en dan het verzoek van de vader, zo enigszins mogelijk, zal toewijzen. De rechtbank heeft in haar beschikking een aantal voorwaarden ten aanzien van de omgangsregeling geformuleerd, waaronder het aanwezig zijn van de grootouders bij de contacten alsmede het afwezig zijn van de moeder.

Na genoemde beschikking heeft tussen de vader en Z1992 een vijftal begeleide contacten plaatsgevonden. Ook is er vijf maal telefonisch contact tussen hen geweest. Tweemaal heeft er geen omgang plaatsgehad.
De communicatie tussen partijen is niet verbeterd. De omstandigheid dat partijen niet in staat zijn gebleken de datum van de omgangsregeling te wijzigen wanneer de vader voor werkzaamheden in het buitenland verblijft, is voor de vader aanleiding geweest op ii april 1999 een aanvullend verzoek bij de rechtbank te Haarlem in te dienen.
De moeder heeft bij de voortgezette behandeling ter terechtzitting bij de rechtbank te Haarlem van ii april 1999 te kennen gegeven dat zij er nog niet van overtuigd is dat thans een regeling kan worden vastgesteld waarbij de vader zelfstandig contact kan hebben met Z1992.

Bij beschikking van ii juni 1999 heeft de rechtbank te Haarlem de Raad voor de Kinderbescherming vestiging Haarlem (verder: de Raad) verzocht een onderzoek in te stellen en te adviseren omtrent de mogelijkheden van een omgangsregeling tussen de vader en Z1992. Voorts heeft zij een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat de vader en Z1992 gerechtigd zijn omgang met elkaar te hebben op zondag van 13.00 uur tot 17.00 uur in de woning van de grootouders moederszijde waarbij is overwogen dat overigens de door haar beschikking van ii januari 1999 gestelde voorwaarden nog steeds van kracht zijn. Tenslotte heeft de rechtbank bepaald dat de vader gerechtigd is op woensdag en op de zondagen dat er geen omgangsregeling plaatsvindt tussen 18.00 uur en 19.00 uur telefonisch contact met Z1992 op te nemen en dat Z1992, wanneer de vader niet in de gelegenheid is geweest te bellen, om 19.00 uur zelf contact met de vader mag opnemen.
De behandeling van de zaak is aangehouden.

Er is vanaf ii juli 1999 geen contact meer geweest tussen de vader en Z1992.

Bij vonnis in kort geding van ii september 1999 is de moeder veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de door de rechtbank bij beschikking van ii juni 1999 vastgestelde omgangsregeling. Voorts is bepaald dat de moeder jegens de vader een dwangsom verbeurt van f 500, voor iedere keer dat zij niet voldoet aan genoemde veroordeling, zulks tot een maximum van f 10.000. Dit vonnis heeft niet geleid tot hervatting van de omgangsregeling.
De dwangsommen zijn tot het maximum verbeurd en door de moeder voldaan.

De Raad heeft tijdens haar onderzoek, nadat er naar aanleiding van informatie van de school en de creatief therapeute van Z1992 enige zorg was ontstaan omtrent zijn ontwikkeling, besloten een deskundigenonderzoek te laten instellen, en heeft op ii november 1999 opdracht gegeven aan het PAR dit onderzoek te verrichten.

Naar aanleiding van een door de moeder op ii november - naar het hof begrijpt1999 - bij de rechtbank ingediend verzoek te bepalen dat genoemde beschikking van ii juni 1999 wordt gewijzigd in die zin dat er, althans voorlopig, althans gedurende het onderzoek van het PAR en in ieder geval tot de volgende mondelinge behandeling geen omgang en geen telefonische contacten plaatsvinden tussen de vader en Z1992, heeft de rechtbank in de zaak met rekestnummer ii bij beschikking van ii februari 2000 de Raad verzocht twee contacten tussen de vader en Z1992 op het bureau van de Raad te laten plaatsvinden gedurende het onderzoek van het PAR, en is het meer of anders verzochte afgewezen. Deze contacten hebben niet plaatsgevonden.
Op ii april 2000 heeft het PAR rapport uitgebracht. In dit rapport staat vermeld dat Hhhh, psychiater, constateert dat zowel de vader als de moeder de situatie bekijken vanuit een zeer egocentrische instrumentaal bepaalde visie, en dat beiden beschikken over onvoldoende mogelijkheden zich te verplaatsen in de situatie van de ander of verder te kijken dan de eigen kant. Hoewel beiden zich voorstellen in het belang van Z1992 te werken, valt zijns inziens op dat er sprake is van een strijd tussen de ouders waarbij Z1992 lijkt te fungeren als de kop van Jut. Het PAR is van mening dat de ontwikkeling van Z1992 tot nu toe niet zo zorgelijk verloopt als eerder werd gesuggereerd. Z1992 ontwikkelt zich naar de mening van het PAR op de diverse ontwikkelingsgebieden redelijk. Hoewel de school aangeeft zich zorgen te maken over zijn sociaalemotionele ontwikkeling, komt dit in de scores op de gedragsvragenlij sten (nog) niet tot uitdrukking. Het rapport houdt voorts het volgende in.
Z1992 ervaart de moeder als een belangrijk betrekkingspersoon.
De vader heeft er in zijn benadering van Z1992 moeite mee aan te sluiten bij de belevingswereld van het kind. De beleving door Z1992 van de vader wordt in niet onaanzienlijke mate bepaald door wat de moeder van de vader vindt. Er is in Z1992's ontwikkeling geen moment geweest dat de moeder op een positieve wijze tegenover de vader kon staan.
In de ouderlijke relatie is nooit sprake geweest van enige overeenstemming in hun opvattingen en ideeën over de wijze waarop de opvoeding van Z1992 gestalte zou krijgen, gegeven het feit dat zij in wezen geen relatie met elkaar wilden.
Waar de moeder zich al vroeg door de vader gekwetst en als persoon niet gerespecteerd voelde, is er bij haar daarna nooit meer de echte intentie ontstaan aan het gezamenlijk gestalte geven van het ouderschap. Vanuit die optiek is zij dan ook niet in staat de vader in de belevingswereld van Z1992 een plek te gunnen. De moeder is geneigd het gedrag van Z1992 in het licht van het contact met de vader te problematiseren.
De vader slaagt er ook niet in in zijn benadering van Z1992 aansluiting te vinden bij de belevingswereld van het kind. Z1992 ervaart de vader als eisend en diskwalificerend. Structureel lijkt Z1992 dat niet als belastend te ervaren, doch sommige incidenten tussen de ouders heeft hij wel als belastend ervaren.
Om een contact tussen de vader en Z1992, wat op zich niet als beschadigend kan worden aangemerkt, kans van slagen te geven, is het noodzakelijk dat de ouders met terugwerkende kracht een "inhaalslag" maken teneinde een dergelijke basis alsnog te creëren. Alleen dan kan het contact tussen Z1992 en de vader een plek krijgen in Z1992's leven.
Bij Z1992 is geen behoefte aan contact met de vader zichtbaar; de belevingswereld van de vader en die van Z1992 sluiten slecht op elkaar aan. Bij een voortduren van regelmatige confrontatie met de problematische ouderlijke situatie zoals die thans bestaat en de conflicten die daaruit voortvloeien, valt echter te verwachten dat dat op termijn door Z1992 als een belasting zal worden ervaren die bij chronisch voortduren schadelijk zou kunnen zijn.
Duidelijk is, aldus het PAR, dat, wil een contact tussen de vader en Z1992 kans van slagen hebben, er bij voorkeur onder professionele begeleiding met beide ouders gezocht moet worden naar een gemeenschappelijke basis waarop dit contact kan functioneren. Alleen indien zij zich er beiden voor willen inzetten om een dergelijke basis te creëren, zal het contact realiseerbaar zijn. Het louter opleggen van een omgangsregeling acht het PAR geen oplossing voor de ontstane impasse.
Zowel de vader als de moeder heeft een klacht ingediend terzake het rapport van het PAR. Nadat het PAR de klacht van de moeder ongegrond had verklaard, heeft de moeder een klacht ingediend bij het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) tegen de onderzoekster van het PAR. Deze klacht is door het NIP ongegrond verklaard. De vader heeft een klacht ingediend bij het Medisch Tuchtcollege tegen psychiater Van der Hooft. Op deze klacht is nog niet beslist.
De Raad heeft op ii augustus 2000 rapport met advies uitgebracht. De Raad onderschrijft de conclusies van het PAR. De Raad constateert bij de ouders bereidheid tot gezamenlijke gesprekken om tot een betere communicatie te komen, en is van mening dat naarmate er langer geen contact zal zijn tussen de vader en Z1992, het moeilijker wordt om dit in een later stadium weer op gang te brengen.
De Raad stelt daarom voor de ouders en Z1992 te verwijzen naar het Ambulant Bureau Jeugdwelzijnszorg (ABJ) voor de Therapeutische Omgangsregeling, en adviseert een omgangsregeling tussen de vader en Z1992 op te leggen in die zin dat de vader eenmaal per maand, minimaal een uur en maximaal twee uur gedurende zes maanden omgang heeft met Z1992 onder begeleiding van het ABJ. De Raad verwijst de ouders ter ondersteuning van en voorbereiding op de op te starten omgang tevens naar het ABJ. De Raad stelt voor vervolgens naar aanleiding van de bevindingen van het ABJ nader te rapporteren.

Bij beschikking van ii september 2000 heeft de rechtbank, voor het geval dat de vader niet meewerkt aan het door de Raad geadviseerde ABJ-traject, het verzoek van de vader een omgangsregeling te bepalen in dit stadium, zonder dat het door de Raad voorgestelde traject bij het ABJ is beproefd, afgewezen. Voorts heeft de rechtbank, voor het geval de vader meewerkt aan het door de Raad geadviseerde ABJ-traject, bepaald dat de vader gerechtigd is gedurende de looptijd van het ABJ-traject minimaal een uur per maand en maximaal zoveel uur als het ABJ aangewezen acht omgang met Z1992 te hebben onder begeleiding van het ABJ. Tenslotte heeft de rechtbank de Raad c.q. de procureurs van partijen verzocht zijn nadere rapportage respectievelijk bericht inzake de bevindingen van het ABJ aan de rechtbank te zenden, en is de behandeling van de zaak aangehouden.

De vader heeft klachten ingediend tegen het rapport van de Raad van ii november 1999 en dat van ii augustus 2000. De adjunct-directeur van de Raad, directie Noord-West, heeft op ii december 2000 een schriftelijke beslissing gegeven naar aanleiding van de door de vader ingediende klachten. Door deze directeur zijn de klachten grotendeels ongegrond verklaard. De vader heeft vervolgens zijn klachten voorgelegd aan de klachtencommissie III van de Raad, directie Noord-West. Bij beslissing van ii april 2001 heeft deze klachtencommissie de klachten van de vader deels gegrond en deels ongegrond verklaard.
Uit een brief van ii december 2000 van het ABJ aan de Raad komt naar voren dat het ABJ geen begeleide contacten tot stand heeft kunnen brengen doordat aan de voorwaarde voor de begeleiding, met name de voorwaarde van betaling (door de moeder), niet is voldaan. De Raad heeft vervolgens op ii mei 2001 een rapport uitgebracht. De conclusie van dit rapport houdt in dat, doordat de ouders iedere stap die de Raad zet, beantwoorden met een klacht of dreiging van een klacht, de Raad zelf onderdeel is geworden van de strijd tussen de ouders, waardoor het voor de Raad bijna onmogelijk is geworden zijn taak uit te voeren, namelijk het belang van het kind voorop stellen. De Raad besluit het rapport met het verzoek aan de rechtbank om een standpunt in te nemen.
Bij beschikking van ii juni 2001 heeft de rechtbank te Haarlem inzake de uitoefening van het omgangsrecht voorlopig vastgesteld dat de vader en Z1992 gerechtigd zijn eenmaal per maand twee uur omgang met elkaar te hebben, welke omgang zal plaatsvinden in een bij beide ouders en Z1992 bekende ruimte in de kerk van pastoor Brrrr, waarbij genoemde pastoor ook aanwezig zal zijn. De rechtbank heeft afgewezen het verzoek van de vader tot het toepassen van lijfsdwang of het inschakelen van de sterke arm ingeval de moeder niet meewerkt aan het uitvoeren van de omgangsregeling en de behandeling aangehouden.

De voorlopige omgangsregeling zoals bepaald bij beschikking van ii juni 2001 is niet geëffectueerd. Pastoor Brrr heeft een gesprek met Z1992 gehad waarin hem duidelijk is geworden dat Z1992 ieder contact met de vader weigert. De pastoor heeft daarop zijn bereidverklaring de omgang tussen de vader en Z1992 te begeleiden, ingetrokken.

De vader gaat regelmatig langs bij de school die Z1992 bezoekt teneinde vanachter het hek een glimp van Z1992 op te vangen.

De moeder heeft een verzoek ingediend de geslachtsnaam van Z1992 te wijzigen van "Vader" in "Moeder". De vader heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De Raad heeft in een rapport van ii april 2001 het Ministerie van Justitie geadviseerd dit verzoek toe te wijzen. Het Ministerie van Justitie heeft bij beschikking van ii maart 2002 het bezwaar van de vader tegen de naamswijziging verworpen. De vader overweegt tegen deze beschikking in beroep te gaan.

 

3. Het geschil

3.1. In geschil is de afwijzing bij de beschikking waarvan beroep van het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en Z1992. Voorts is in geschil de afwijzing bij de beschikking waarvan beroep van het verzoek van de vader, zoals gedaan ter terechtzitting van de rechtbank van ii oktober 2001, om aan de vast te stellen omgangsregeling het dwangmiddel van gijzeling te verbinden.

3.2. De vader verzoekt te bepalen dat hij gerechtigd is Z1992 eenmaal per twee weken op vrijdagmiddag van school te halen en hem op maandagochtend weer naar school te brengen, onder de vaststelling dat de moeder gedurende een dag in gijzeling gesteld mag worden voor iedere keer dat door haar toedoen, waaronder mede te verstaan het demotiveren van of angst aanjagen bij Z1992, de omgang niet kan doorgaan. Volgens de vader heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en Z1992 zinloos is zolang niet beide partijen bereid en in staat zijn hun volledige medewerking te verlenen. Naar zijn mening heeft de moeder in de onderhavige procedure van de rechtbank het signaal ontvangen dat weerstand tegen omgang mogelijk is en zelfs wordt beloond. Dientengevolge nam de moeder de haar geboden ruimte in en spreidde zij in toenemende mate weerstand tegen de omgang ten toon, aldus de vader. De vader stelt zich op het standpunt dat een en ander had kunnen worden voorkomen wanneer de rechtbank vanaf het begin een duidelijk kader had gesteld door een reguliere omgangsregeling te bepalen. Onder verwijzing naar de theorie van R.A. Gardner stelt de vader dat het belonen van het gedrag van de moeder leidt tot het Parental Alienation Syndrome (PAS), een gedragsstoornis van de minderjarige. Volgens de vader hebben de rechtsplegers de macht om deze gedragsstoornis te genezen. Het breken van de weerstand tegen de omgang en het handhaven van een omgangsregeling met dwangmiddelen leidt volgens de vader tot een beter resultaat dan het zich voegen naar deze weerstand. De vader is voorts van mening dat er niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, sprake is van onvermogen van partijen om hun medewerking te verlenen aan een omgangsregeling, maar van onwil bij de moeder. Hij heeft daarnaast naar voren gebracht dat de strekking en de werking van een dwangmiddel, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, preventief is, en dat de rechtbank blijkens haar overweging ten aanzien van het verzochte dwangmiddel ten onrechte reeds op voorhand is gezwicht voor een niet te verwachten persisteren van de moeder.

3.3. De moeder verzoekt de vader niet ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde beroep, althans de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. De moeder acht gezien de handelwijze van de vader omgang op dit moment niet in het belang van Z1992. Zij heeft daartoe betoogd dat Z1992 bang is voor de vader, en dat deze angst door het gedrag van de vader wordt veroorzaakt. De moeder heeft erop gewezen dat de hoofdpijn waaraan Z1992 gedurende een jaar dagelijks heeft geleden en waarvoor diverse deskundigen werden ingeschakeld, eerst na het staken van de omgang is verdwenen. Zij stelt dat zij nimmer weigerachtig is geweest, en aan vele voorstellen met betrekking tot de omgang heeft meegewerkt. Volgens de moeder lost gijzeling niet het probleem op dat de vader met zijn gedrag veroorzaakt. Gijzeling zal naar haar mening met zich brengen dat Z1992 zich nog meer van de vader zal afkeren. De moeder heeft aangevoerd dat de vader niet handelt in het belang van Z1992. Volgens haar heeft de vader Z1992 in het verleden geslagen en geestelijk mishandeld. Bovendien staat de vader thans nog steeds bij de school van Z1992, ofschoon Z1992 hem heeft verzocht dit niet meer te doen.

3.4. De Raad heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het ten zeerste betreurt dat de vele pogingen van de Raad om omgang, in welke vorm dan ook, tot stand te brengen op niets zijn uitgelopen. De Raad acht de langdurige strijd tussen partijen zeer schadelijk voor Z1992. De Raad is verbaasd dat de moeder zich thans tegen elke vorm van omgang verzet, omdat er aan haar zijde steeds wel bereidheid is geweest. Desondanks dient er een lijn te zijn tussen de minderjarige en de niet verzorgende ouder. Mede omdat alle bemoeienis van derden op niets is uitgelopen, adviseert de Raad de omgang weinig frequent te laten plaatsvinden, bijvoorbeeld eenmaal per twee maanden, waarbij de vader Z1992 zonder begeleiding op een neutrale plek ontmoet.

 

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De advocaat van de vader heeft zijn beroepschrift -zonder handtekening van een procureur- op ii januari 2002, juist voor het verstrijken van de beroepstermijn, per fax ter griffie van het hof ingediend. Een dag na het verstrijken van de beroepstermijn, op ii januari 2002, heeft de procureur van de vader een door haar ondertekend exemplaar van het beroepschrift per fax ter griffie van het hof ingediend. Anders dan de moeder heeft betoogd, is het hof van oordeel dat de vader ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep. Immers, een appèlschrift dat zonder handtekening van een procureur voor het verstrijken van de beroepstermijn is ingediend, mag tot het einde van de behandeling als bedoeld in art. 429g eerste zin (oud) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door een procureur worden ondertekend en geldt dan als naar behoren door deze procureur ingediend.

4.2. Ten principale is uitgangspunt dat de niet met het gezag belaste ouder recht heeft op omgang met het kind, tenzij omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of omgang anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind.

4.3. Naar het oordeel van het hof is voor het behoorlijk functioneren van een omgangsregeling een minimaal vertrouwen en mogelijkheid tot communicatie tussen de ouders noodzakelijk. In de onderhavige zaak is gebleken, gelet op hetgeen uit de stukken en ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, dat aan deze voorwaarden in het geheel niet wordt voldaan. Met de rechtbank constateert het hof dat partijen gedurende deze reeds zo lang lopende procedure, ondanks hun beleden bereidheid medewerking te verlenen aan een omgangsregeling, er niet in slagen om hieraan uitvoering te geven. Het hof acht aannemelijk geworden dat onder deze omstandigheden het opleggen van een omgangsregeling zal leiden tot het continueren en verhevigen van de strijd tussen de ouders. Het hof acht -gelet op het rapport van het PAR alsmede hetgeen door de Raad ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht - aannemelijk dat de langdurige strijd tussen partijen en het voortduren daarvan schadelijk is voor de ontwikkeling van Z1992. Het hof is dan ook van oordeel dat het opleggen van een omgangsregeling onder de huidige omstandigheden in strijd is met zwaarwegende belangen van Z1992. Het vorenoverwogene brengt mee dat het hof de vader niet volgt in zijn in navolging van de theorie van R.A. Gardner aangedragen stelling dat het afdwingen van de omgangsregeling de door hem bedoelde "ziekteverschijnselen van het kind'' al doen verdwijnen.

4.4. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de vader een omgangsregeling tussen hem en Z1992 te bepalen, onder de vaststelling dat de moeder gedurende een dag in gijzeling gesteld mag worden voor iedere keer dat door haar toedoen de omgang niet kan doorgaan, moet worden afgewezen en dat de beschikking waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

5. Beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.


Deze beschikking is gegeven door mrs. Pppp, Rrrr, Ssss, in tegenwoordigheid van mr. Hhhh als griffier, en in het openbaar uitgesproken op ii mei 2002.