DVN0210

 

 

Deze tekst is in oktober 2002 ingestuurd naar het Dagblad van het Noorden.

 

 

Op 5 oktober jl. drukte deze krant een gesprek af dat Robbert Willemsen had met de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) Directie Noord in Groningen. In het korte bestek van deze reactie moet ik mij beperken tot de grote lijnen van het artikel.
Het eerste onderwerp dat de verslaggever aansneed was het partij trekken door de medewerkers van de Raad. De directeur daarop: "..het is een oorlogssituatie waarin nogal eens bedreigingen en misleiding op een medewerker afkomen".
Dit antwoord ontkent de realiteit die door ouders wordt ervaren. Zij zijn bang hun kinderen te verliezen. Zelfs de geringste misser van de raadsmedewerker voedt die angst, zodat escalatie niet kan uitblijven. Het werk van de Raad houdt vrijwel altijd in dat één ouder in de kou wordt gezet. Dàt lokt de strijd en de bedreigingen uit. De Raad veroorzaakt zelf de oorlog. Dat de meningen van een raadsmedewerker in de rapporten als feiten worden weergegeven, wordt vervolgens door de directeur beantwoord met: "... door nieuwe werkwijzen moet ik toch zeggen dat er veel kwaliteitswinst is geboekt..".
Dit bevestigt dat het in het verleden inderdaad beroerd was gesteld met die feiten en meningen. "Maar de actuele manier van werken loopt stukken beter", volgens de directeur. In de laatste dertig jaren echter heeft de Raad regelmatig zelfonderzoek gepleegd, en steeds luidde de opgeruimde conclusie: "Het was niks, maar morgen wordt het beter". Dat is een harde constante door de jaren heen, dus het advies luidt: pas op uw kippen!
Als derde zouden er bewust eigen bevindingen van de medewerkers worden weggelaten uit de dossiers, wat volgens de directeur echter een marginaal verschijnsel is.
Hij zou wel eens van een koude kermis kunnen thuiskomen als ouders, veel meer dan tot nu toe, gebruik gaan maken van hun recht om de dossiers in te zien. Inzage zou vele ouders wel eens tot het indienen van een klacht kunnen nopen. En is dus sterk aan te bevelen.
Het vierde punt dat werd aangeroerd, is dat er met de rapporten zou worden gerommeld. Dat die indruk snel ontstaat is alleszins begrijpelijk, maar in werkelijkheid is er niet zo veel aan de hand. Dat hoeft ook niet. Slechts zeer weinig ouders achten zich mondig genoeg, en hebben genoeg lef, om tegen de Raad in opstand te komen. Zij zijn verkrampt van angst om hun kinderen te verliezen, zij zwijgen en hopen koppig wanhopig dat alles toch nog goed komt.
Dan zouden raadsmedewerkers onvoldoende kennis van zaken hebben, en te weinig weten van de psychische achtergrond van de ouders om fouten bij het toewijzen der kinderen te voorkomen. Het antwoord van de directeur is onthullend: "Wij hebben een opdracht en die is kijken naar de risico's die kinderen lopen in een bepaalde situatie".
Dat hale hem de koekoek! In elke zaak van echtscheiding formuleert de rechter de opdracht aan de Raad. Dat er ook nog zoiets is als een (wettelijke) taak van kinderbescherming blijkt hier een handicap waar de medewerkers van de Raad kennelijk geen raad mee weten: zij zetten bijna stelselmatig de verkeerde pet en bril op, als zij een onderzoek inzake echtscheiding beginnen.
In afwijking van wat professor Hoefnagels hierover te berde brengt, meen ik dat het deze foutieve taakstelling is, die de medewerkers van de Raad, en duizenden ouders en kinderen, elk jaar weer het bos in stuurt. De rechter bepaalt het beleid in een echtscheidingszaak, met respect voor wat de wet voorschrijft. De Raad vertaalt diens onderzoekopdracht echter vrijwel altijd in een eigen vraagstelling die problemen provoceert, met ellende als het geheide resultaat. Dàt, het "zoeken", veroorzaakt de haat tegen de Raad. Vervolgens gaan ook de rechters niet vrijuit, want zij laten veelal zo'n verkeerde vraagstelling door de Raad zonder morren passeren.
Het laatste punt dat werd aangeroerd: de Raad dwingt in alle gevallen een omgangsregeling af, ook al lijkt een van de ouders niet capabel een kind op te voeden, met alle risico's van dien voor het kind. Het antwoord van de directeur: "Ons uitgangspunt is altijd dat een kind recht heeft op omgang met beide ouders...Alleen bij hele sterke argumenten kan de omgang van een ouder met een kind worden ontzegd. Maar ja, dat uitgangspunt kan inderdaad wel eens verkeerd uitpakken.." en hij vervolgt met een pleidooi voor nog meer verplichte "hulp".
Ziehier hoe de wet wordt gedegradeerd tot een onderhandelbaar lijkend uitgangspunt. Het is machtsdenken in optima forma, nota bene begeleid door een pleidooi voor meer macht.
Volgens de cijfers van het CBS had begin 2001 ruim 55% van de kinderen van gescheiden ouders een slecht of zelfs geheel ontbrekend contact met een van hun ouders, meestal de vader.
Het onveranderlijke resultaat dat de Raad al jaren boekt houdt in, dat de meerderheid der omgangsouders na de scheiding als onvoldoende capabel aan de kant wordt gezet. Het werk van de Raad bij omgangszaken is vrijwel nooit effectief en dat heeft de Raad aan zichzelf te wijten. Dat een directeur het nodig acht om de goegemeente iets op de mouw te spelden is tegen deze perfide achtergrond zelfs nog tot daar aan toe. Maar dat hij zichzelf en zijn Raad wat wijs maakt is onvergeeflijk.
Medewerkers van de Raad zouden eens moeten proberen om een dier zijn jong af te pakken. Dan weten zij meteen wat zij te laten hebben.
En zij kunnen website www.stozo.nl bestuderen. Het zou mij verbazen als er daarna nog een duim trots achter de bretellen blijft hangen.

Arthur Ross, Stichting Ouders Zonder Omgang