DES0308
DES0308 Een klacht tegen een deskundige (psycholoog/pedagoog) gegrond
Inleiding
Een deskundige werd door moeder ingeschakeld voor advies, opdat de omgang tussen vader en kinderen op een “eerbare” manier zou kunnen worden geschorst.
Na een lange procedure verklaarde de hoogste klachtinstantie de klacht tegen de wijze van totstandkoming van dit advies grotendeels gegrond.
De procedure duurde, van eerste klacht tot eindbeslissing, ruim 2 jaar en 11 maanden.
mevrouw drs. Vvvv wonende te Aaaa, nader te noemen: verweerster,
aangaande de uitspraak van het College van Toezicht van de NVO; gevestigd te Utrecht d.d. ii november 2002
Samenstelling van het College van Beroep van de NVO
De heer mr. Llll, voorzitter,
Mevrouw dr. Hhhh, lid,
Mevrouw dr. Ssss, lid.
Het College van Beroep baseert zich, met betrekking tot het onderhavige beroep, op de Beroepscode van de NVO (16 juni 1994) en het Reglement voor het College van Toezicht en het College van Beroep van de NVO (2001).
Het College van Beroep beslist in de onderhavige zaak conform zijn taakstelling in artikel 17 van het Reglement voor het College van Toezicht en het College van Beroep van de NVO, waarin staat dat het College van Beroep zelfstandig onderzoek doet op grond van de klacht, vervat in het beroepschrift, en de uitspraak van het College van Toezicht beoordeelt. Daarbij kan het College van Beroep de uitspraak van het College van Toezicht bevestigen, wijzigen, dan wel vernietigen. Het College van Beroep komt daarmee tot een definitief eindoordeel, aldus artikel 17.
1. Verloop van de procedure
Bij brief van ii augustus 2001 (ontvangen bij NVO op ii september 2001) heeft de heer Uuuu (hierna: appellant) een klacht ingediend bij het College van Toezicht van de NVO wegens schending van de beroepscode door mevrouw drs. Vvvv (hierna: verweerster). Het College van Toezicht heeft in zijn uitspraak van ii november 2002 beslist, dat de klacht van appellant in al zijn onderdelen ongegrond is.
Tegen deze uitspraak komt appellant bij brief van ii januari 2003 in beroep. Bij brief namens het College van Beroep d.d. van ii februari 2003 is verweerster verzocht verweer te voeren. Op ii maart 2003 heeft verweerster haar reactie op het beroepschrift ingediend.
Conform artikel 49 van het Reglement van het College van Toezicht en het College van Beroep heeft het College van Beroep besloten tot een mondelinge behandeling. Deze zitting heeft plaatsgevonden op ii mei 2003 te Utrecht.
Verschenen zijn de heer Uuuu, bijgestaan door de heer Rrrr, en mevrouw drs. Vvvv.
2. Achtergrond van het beroep
Verwezen wordt naar hetgeen in de uitspraak van het College van Toezicht omtrent de feiten is vastgesteld en noch door appellant noch door verweerster is bestreden.
3. Ontvankellikheid
Appellant heeft tijdig een gemotiveerd beroepschrift ingediend tegen de uitspraak van het College van Toezicht van ii november 2002.
Het beroep voldoet aan het vereiste, gesteld in artikel 12 van de Beroepscode en de artikelen 20 en 21 van het Reglement van het College van Toezicht en het College van Beroep met betrekking tot het indienen van een beroepschrift.
Appellant is dan ook in zijn beroep ontvankelijk.
4. Gronden van beroep
· Appellant heeft vanaf het uitspreken van de ots (1996) gehoopt, dat deskundigen een herstel van het contact met zijn kinderen zouden kunnen bewerkstelligen; dat de door de moeder opgeworpen beletselen voor de omgang met zijn kinderen zouden worden doorzien; hij heeft de omgang echter moeten afdwingen via de rechter en dan nog wordt deze niet nageleefd.
· Appellant stelt, dat hij verstoken is gebleven van informatie van het (huidige) BJZ en de school die zijn kinderen bezoeken; ook de tussenkomst van de advocaat van de moeder heeft niet tot verbetering geleid. Na vier jaar ots ziet appellant nog steeds geen verbetering in de relatie tussen hem en zijn kinderen. Op zoek naar de oorzaak hiervan is appellant gestoten op verantwoordelijken, die hem naar een andere deskundige verwijzen of die zich daar achter verschuilen.
· Uiteindelijk is appellant er in geslaagd om informatie te verkrijgen van de school en heeft hij de rapporten van BJZ in kunnen zien; een en ander acht appellant zeer alarmerend. Druk op BJZ heeft geleid tot enkele ontmoetingen tussen appellant en Z1993; D1991 zou zich tegen ontmoetingen verzetten. Appellant refereert aan (nieuwe) stukken, die hij bij een hoorzitting wil inbrengen; deze zouden wijzen op een bepaalde rol van de moeder;
Voor wat betreft de klacht: uitspraak College van Toezicht
Appellant stelt dat geen omgang een verslechtering impliceert van zijn relatie met de kinderen; er is sprake van een uit elkaar groeien. Appellant legt een relatie tussen eenoudergezinnen en een criminele toekomst;
Appellant acht zijn vertrouwen in de beroepsgroep ernstig geschaad, gelet op de voorgeschiedenis; de enkele claim van deskundigheid voldoet niet; hij begrijpt dat de beroepsgroep zelf moet oordelen over het oplopen van schade;
in dit verband merkt hij op dat de klachtencommissie slechts lijdelijk is, en alleen de argumenten weegt die haar ter kennis worden gebracht; in zijn opvatting is het rapport van verweerster gebaseerd op volstrekt eenzijdige observaties;
Ongeacht het gehanteerde theoretische model ten aanzien van de orthopedagogische diagnostiek, meent appellant dat de bewijsplicht rust bij de steller, in casu verweerster;
· Appellant is van mening te hebben aangetoond, dat de stellingen van verweerster de positivistische toets niet kunnen doorstaan; verweerster beroept zich op deskundigheid die zich volgens hem aan objectieve toetsing onttrekt;
· Volgens appellant kunnen alleen op basis van harde feiten en gegevens uit heden en verleden conclusies worden getrokken;
· Appellant stelt dat verweerster in haar bewijsplicht te kort is geschoten, terwijl College van Toezicht oordeelt, dat appellant niet aangeeft hoe die feiten en gegevens moeten worden vergaard;
· Appellant beroept zich op algemeen geldende opvattingen; door de rechter is het rapport van verweerster terzijde gelegd, waarmee de rechter geen uitspraak doet over de orthopedagogische inhoud, maar over de ontoepasselijkheid van die inhoud in praktisch juridisch en dus maatschappelijk opzicht;
Appellant meent, dat uitspraken van verweerster wel degelijk op hem betrekking hebben, voor zover zij uitlatingen van D1991 voor waar noteert, waardoor hij getroffen wordt in zijn existentieel welzijn: de omgang met de kinderen; het aantonen van de nadelen welke samenhangen met het ontbreken van de omgang met zijn kinderen acht appellant niet aan hem.
Conclusie en extra klacht
· Appellant blijft van mening, dat het hier een volstrekt eenzijdig onderzoek betreft, waarvan het rapport objectief onvoldoende is. Appellant acht zijn klacht in elk onderdeel gegrond.
· Voorts voegt appellant daar een klacht aan toe: de veel te lange duur van de procedure bij het College van Toezicht en de gebrekkige follow up; ook wijst hij op het ontbreken van de namen van de leden van het College.
5. Verweer
1. In reactie op hetgeen appellant stelt omtrent de verslechtering van de relatie tussen hem en zijn kinderen als gevolg van het op advies van verweerster afraden van de omgang tussen hem en de kinderen, stelt verweerster dat haar onderzoek geen invloed heeft gehad op de besluitvorming omtrent de omgang. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de rechter.
In het kader van een rechtzitting op 8 augustus 2001 inzake de verlenging van de ots zijn rapporten van verweerster ingebracht. De vraagstelling daarin betrof het verloop van de ontwikkeling in de nieuwe gezinssituatie (moeder en kinderen). De ots is verlengd; ofschoon de gezinsvoogdes van de moeder toestemming heeft gekregen om bij verweerster nadere informatie in te winnen, is dat niet gebeurd. Daardoor heeft verweerster geen verantwoordelijkheid kunnen nemen voor de continuïteit in de zorg voor de kinderen, noch voor het realiseren van een traject tot omgang met de vader.
2. Voor zover appellant zijn vertrouwen in de beroepsgroep geschaad acht door toedoen van verweerster, stelt verweerster dat zij appellant niet buitenspel heeft willen zetten met opmerkingen over zijn begrip over bepaalde termen. Voor zover appellant haar vergelijkt met Jomanda en Bagwan, stelt verweerster dat zij, in tegenstelling tot voornoemde personen, een beroepsmatige klachtenprocedure kent, waaraan zij volledig meewerkt.
3. Op de opmerking van appellant over de uitspraak van het College van Toezicht voor wat betreft haar deskundigheid, meent verweerster niet in te kunnen gaan.
4. Voor zover appellant klaagt over de gevolgde procedure met betrekking tot zijn klacht, acht verweerster het niet aan haar daarover te oordelen.
6. Beoordeling van het beroep door het College van Beroep
Vooraf merkt het College van Beroep op, dat het in zijn beoordeling niet ingaat op die onderdelen van het beroepschrift, welke betrekking hebben op de samenstelling van en de werkwijze van het College van Toezicht. Ingevolge het bepaalde in artikel 17 van het Reglement doet het College van Beroep zelfstandig onderzoek naar de klacht vervat in het beroepschrift en de uitspraak van het College van Toezicht.
Uit de overgelegde stukken en het besprokene bij gelegenheid van de hoorzitting leidt het College van Beroep af, dat de primaire klacht en het thans voorliggende beroepschrift zich toespitsen op een drietal aspecten:
de gang van zaken met betrekking tot de door verweerster opgestelde rapporten, die een verslechtering van de omgang tussen appellant en zijn kinderen zou betekenen;
de schade aan de beroepsgroep door toedoen van verweerster;
een verschil van opvatting omtrent de deskundigheid van verweerster ten aanzien van de uitkomsten van haar onderzoeken, waar appellant meent dat alleen harde feiten tellen.
Het College van Beroep stelt vast, dat verweerster is geconsulteerd door de moeder van appellants kinderen, D1991 en Z1993; de moeder is belast met het ouderlijk gezag. Gelet hierop is de moeder met de kinderen aan te merken als cliënt van verweerster.
In eerste instantie heeft de moeder in 2000 aan verweerster de vraag voorgelegd, wat een omgangsregeling met zijn vader (appellant) voor Z1993 zou betekenen. Volgens verweerster ging het op dat moment om een eenmalig consult en was er geen sprake van een vervolgtraject; dit heeft mede haar keuze voor de te hanteren onderzoeksmethode bepaald. Verweerster heeft gesprekken gehad met enerzijds de moeder met beide kinderen, en anderzijds, aansluitend, met Z1993 alleen. Daarbij heeft verweerster Z1993 geobserveerd. Omdat de moeder het gezag had, zag verweerster geen reden om appellant bij haar onderzoek te betrekken. Verweerster heeft appellant derhalve niet aangemerkt als betrokkene in de zin van artikel 5 onder 4 van de Beroepscode.
Tegen deze achtergrond is het rapport van verweerster van 9 mei 2000 tot stand gekomen.
In de visie van het College van Beroep vraagt de aan dit rapport ten grondslag liggende vraagstelling naar de betekenis voor Z1993 van de omgang met zijn vader, om een objectief onderzoek. Observatie kan daarin een rol spelen. Op basis van die observatie komt verweerster tot het oordeel, dat om zwaarwegende gronden er geen omgang met de vader zou moeten zijn, omdat dit ongewenst is en het (te) bedreigend is voor Z1993 om hem te dwingen tot contact met appellant.
Weliswaar concludeert verweerster terecht, dat de omgang tussen Z1993 en zijn vader moeilijk zal zijn, maar verweerster heeft in de opvatting van het College nagelaten te onderzoeken of Z1993 en zijn vader wel met elkaar zouden om kunnen gaan, en of wellicht een vorm van begeleide omgang een mogelijkheid zou zijn.
Gelet op het voorgaande is het College van mening, dat verweerster in dezen niet de juiste methodiek heeft gehanteerd. Het College van Beroep verwijst daarbij naar hetgeen in artikel 36 van de Beroepscode is bepaald: in geval van schriftelijke rapportage dient de pedagoog zich te beperken tot het verstrekken van die gegevens, die voor de beantwoording van de vraagstelling en de doelstelling van belang zijn, zulks in duidelijke termen.
Uit de rapportage moet voorts duidelijk blijken wat de beperkingen zijn van de uitspraken en de gronden waarop de uitspraken berusten.
Het College van Beroep is van mening, dat verweerster in haar rapport omtrent een mogelijke omgang van Z1993 met appellant heeft nagelaten in haar conclusie de beperkingen van het rapport te vermelden. Dit laat volgens het College overigens onverlet, dat verweerster als ter zake deskundig kan worden aangemerkt.
Het College van Beroep stelt voorts vast, dat verweerster heeft gewerkt vanuit verschillende hypotheses, ervan uitgaande dat andere instellingen inzage in het rapport zouden krijgen. Wat vervolgens met de onderscheiden rapporten is gebeurd, voor zover er sprake is geweest van het inbrengen van de door verweerster opgestelde rapporten in een gerechtelijke procedure, kan niet aan verweerster verweten worden. Maar wetende dat dit zou (kunnen) gebeuren, had zij extra zorgvuldigheid, overeenkomstig het bepaalde in artikel 23 van de Beroepscode, moeten betrachten.
Voor wat betreft de rapporten, die verweerster nadien (ii juli 2001) heeft opgesteld, waarbij de vraag "Hoe verloopt de ontwikkeling in de nieuwe gezinssituatie" voor zowel Z1993 als D1991 centraal stond, komt het College van Beroep op basis van het voorgaande tot eenzelfde conclusie.
7. Beslissing van het College van Beroep
Het College van Beroep wijzigt de uitspraak van het College van Toezicht van ii november 2002 als volgt:
a. De klacht betreffende de gang van zaken met betrekking tot de door verweerster opgestelde rapporten, voor zover daarbij is nagelaten, in strijd met het bepaalde in artikel 36 van de Beroepscode, te vermelden wat de beperkingen zijn van de uitspraken en de gronden waarop de uitspraken berusten, is gegrond.
b. De klacht betreffende de schade aan de beroepsgroep door toedoen van verweerster is ongegrond.
c. De klacht met betrekking tot de deskundigheid en zorgvuldigheid van verweerster, c.q. schending van de artikelen 7 en 8, resp. 23 van de Beroepscode, is gedeeltelijk gegrond.
Het College is van mening, dat het voorgaande aanleiding geeft voor het opleggen van een maatregel in de vorm van een waarschuwing. Het College stelt overigens vast, dat verweerster, gelet op de zaak zoals die was, het betreurt geen contact te hebben gezocht met appellant.
Aldus gedaan te Utrecht op ii juli 2003
Namens het College van Beroep,
Mr Llll, voorzitter,
Mr Eeee, ambtelijk secretaris